ECLI:NL:RBAMS:2025:10661

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
81-068357-23
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van verdachte voor het meermalen medeplegen van buitensporig middelen vervreemden als bestuurder van rechtspersonen in de taxibranche

Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die als feitelijk bestuurder van twee taxibedrijven, [taxibedrijf 1] B.V. en [taxibedrijf 2] B.V., is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden. De verdachte werd beschuldigd van het meermalen medeplegen van het buitensporig vervreemden van middelen van deze rechtspersonen, wat heeft geleid tot ernstig nadeel voor de bedrijven en hun voortbestaan in gevaar heeft gebracht. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte samen met een medeverdachte verantwoordelijk was voor het beleid en de financiële transacties van de bedrijven, ondanks dat zij formeel geen bestuurders waren. De rechtbank oordeelde dat de verdachte en zijn medeverdachte grote geldbedragen naar zichzelf en familieleden hebben overgemaakt, waardoor de rechtspersonen ernstig zijn benadeeld. De verdediging voerde aan dat de verdachte niet als feitelijk bestuurder kan worden aangemerkt en dat de overboekingen legitiem waren, maar de rechtbank verwierp deze argumenten. De rechtbank hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, maar legde desondanks een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 18 maanden, in overeenstemming met de eis van de officier van justitie.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81-068357-23
Datum uitspraak: 18 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. O.J.M. van der Bijl en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. C. Crince Le Roy, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij in de periode van 18 november 2016 tot en met 26 september 2019– tezamen en in vereniging met ander(en) – als (feitelijk) bestuurder van [taxibedrijf 1] BV en/of [taxibedrijf 2] BV, buitensporig middelen van de rechtspersoon heeft verbruikt, uitgegeven, vervreemd, dan wel hieraan heeft medegewerkt of daaraan zijn toestemming heeft gegeven met het oogmerk om zich of een ander te bevoordelen, ten gevolge waarvan die rechtspersoon ernstig nadeel heeft ondervonden en het voortbestaan in gevaar is gekomen.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het aan verdachte ten laste gelegde kan worden bewezen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. Primair voert de verdediging aan dat verdachte geen (feitelijk) bestuurder van de rechtspersonen was en niet dan wel onvoldoende is gebleken dat sprake was van nadeel voor de rechtspersonen en hun voortbestaan in gevaar is gekomen. De getuigen verklaren onvoldoende concreet over wie het beleid heeft bepaald van de rechtspersonen en ze verklaren tegenstrijdig. Uit het dossier kan ook de indruk ontstaan dat anderen dan verdachte aan de touwtjes hebben getrokken als het gaat om [taxibedrijf 1] B.V. Uit het dossier volgt dat de geldstromen een legitieme basis hebben. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat onvoldoende bewijs voorhanden is voor bepaalde vaststellingen van de FIOD en verdachte niet strafrechtelijk verantwoordelijk is voor het ten laste gelegde. Meer subsidiair voert de verdediging aan dat ten aanzien van de auto’s alleen een overzicht beschikbaar is zonder onderliggend brondocument. Om die reden kan onvoldoende feitelijk worden vastgesteld hoe, door wie en wanneer de auto’s zijn overgeschreven en ook daadwerkelijk zijn overgedragen.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Aanleiding
Bij de FIOD is in de eerste helft van 2019 een melding binnengekomen van belasting- en premiefraude binnen de taxibranche in Amsterdam. Hierbij werd de naam ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ genoemd. Met ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ werd, volgens de melding, de medeverdachte bedoeld. Naar aanleiding van deze melding is onderzoek ‘Teak’ gestart in september 2019. In dit onderzoek zijn meerdere besloten vennootschappen naar voren gekomen die taxidiensten verrichten via Uber. Uber ontving daarvoor een fee van 26% van de ritprijs, ex BTW. Op basis van informatie van de Inspectie Leefomgeving en Trasport (ILD) stelt de FIOD vast dat het vrijwel onmogelijk om als taxi onderneming met chauffeurs in loondienst winst te maken als er ritten worden gereden via Uber, vanwege de hoge loonkosten en sociale lasten. De meeste taxichauffeurs die via Uber rijden hebben zelf een inschrijving bij de Kamer van Koophandel, een taxivergunning en een taxi. Uber betaalt tussen de 70 en 75 procent van de ritprijzen wekelijks uit aan de ZZP'ers of aan een taxi onderneming die daarvan dan weer de chauffeurs betaalt. Indien een chauffeur in loondienst is. en er een werkgeversverklaring en salaris specificaties zijn. Om gebruik te kunnen maken van de taxi vergunning van een taxi onderneming moet de taxi chauffeur in loondienst zijn of een ZZP'er zijn die factureert aan de taxi onderneming en rijdt voor rekening en risico van die onderneming.
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Feit 1:
[taxibedrijf 1] BV (hierna: [taxibedrijf 1] ) is opgericht op 18 november 2016 en stond ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel in Amsterdam. Uit het handelsregister volgt dat van 18 november 2016 tot 1 maart 2017 was [naam 1] (hierna: [naam 1] ) als enig aandeelhouder en bestuurder is ingeschreven. [2] Per 1 maart 2017 was [naam 2] (hierna: [naam 2] ) als bestuurder ingeschreven. De rechtspersoon met ingang van 30 oktober 2019 ambtshalve ontbonden door de Kamer van Koophandel omdatgeen aangiften vennootschapsbelasting zijn ingediend. [3]
[naam 1] heeft verklaard dat hij heeft gewerkt bij [taxibedrijf 1] . ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ en ‘ [voornaam verdachte] ’ hebben het idee geopperd om hem bestuurder van [taxibedrijf 1] te maken. Hij is bij de notaris geweest en ook heeft hij de bankrekening met nummer [nummer 1] geopend. ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ of ‘ [voornaam verdachte] ’ heeft die afspraken gemaakt. Het betaalpasje is naar hun kantoor gestuurd en zij zijn de bazen van [taxibedrijf 1] en bepaalden alles. Hij weet niets van arbeidscontracten of overboekingen en had ook geen toegang tot de rekening van [taxibedrijf 1] . [naam 1] weet niets van de bedrijfsvoering van [taxibedrijf 1] . Hij was enkel taxichauffeur en werd contant betaald door ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ of ‘ [voornaam verdachte] ’. Hij herkent op de door de politie getoonde foto’s de medeverdachte [naam 9] als ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ en verdachte als ‘ [voornaam verdachte] ’. [4]
[naam 2] heeft verklaard dat hij een lege BV heeft overgenomen voor € 1,-. Verdachte is voor hem naar de notaris geweest. Hij heeft geen werkzaamheden verricht voor [taxibedrijf 1] en hij had ook geen toegang tot de bankrekening van het bedrijf. [5]
[naam 3] (hierna: [naam 3] ) heeft verklaard dat hij als boekhouder heeft gewerkt voor [taxibedrijf 1] en [taxibedrijf 2] BV (hierna: [taxibedrijf 2] ). Hij heeft onder meer de aangiften omzetbelasting gedaan. Hiervoor had hij contact met ‘ [voornaam verdachte] ’ of ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ die hem de map met de omzet- en kostenfacturen brachten. Als ze personeel hadden dan kreeg hij van ‘ [voornaam verdachte] ’ of ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ door wie hoeveel uur had gewerkt en maakte hij de salarisstrook op. [naam 3] herkent verdachte en de medeverdachte op de foto’s die van hen zijn getoond. [6]
[taxibedrijf 2] is opgericht op 13 maart 2018 en stond ingeschreven in het handelsregister in Eindhoven. De rechtspersoon is ontbonden op 26 september 2019, na voorgaande ambtshalve opheffing van de onderneming. [7] [naam 4] (hierna: [naam 4] ) is vanaf 13 maart 2018 als enig aandeelhouder en bestuurder geregistreerd. [8]
[naam 4] heeft verklaard dat hij voor [taxibedrijf 2] werkte als taxichauffeur. Hij is met ‘ [voornaam verdachte] ’ en ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ bij de notaris geweest om het bedrijf te starten. [naam 4] heeft de bankrekening van [taxibedrijf 2] geopend en de betaalpas afgegeven aan ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ of ‘ [voornaam verdachte] ’. Verder heeft hij niets gezien van de bankrekening en ook geen bankpas ontvangen. Alles ging naar Eindhoven, naar ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ en ‘ [voornaam verdachte] ’. Het papierwerk werd door hen gedaan. Zij hebben [naam 4] gezegd dat hij eigenaar was maar hij heeft hier niets voor gedaan. Ook heeft hij niemand aangenomen. ‘ [bijnaam medeverdachte] ’ en ‘ [voornaam verdachte] ’ waren de leiders van [taxibedrijf 2] . [naam 4] herkent de medeverdachte en de verdachte op de foto’s die van hen zijn getoond. [9]
[taxibedrijf 1]
Vanaf 22 november 2016 zijn voertuigen geregistreerd bij de Rijksdienst voor Wegverkeer (RDW) op naam van [taxibedrijf 1] . In de tenlastegelegde periode zijn vijf van deze voertuigen overgedragen aan [naam medeverdachte] , vier voertuigen zijn overgedragen aan verdachte, zeven voertuigen zijn overgedragen aan [taxibedrijf 3] B.V. en elf voertuigen zijn overgedragen aan [taxibedrijf 4] B.V. (hierna [taxibedrijf 4] ). [10] Na analyse van de bankrekening op naam van [taxibedrijf 1] ( [nummer 1] ) [11] zijn geen betalingen aangetroffen aan [taxibedrijf 1] die betrekking hebben op de verkoop van voornoemde voertuigen. [12]
Geldbedragen [taxibedrijf 1]
Op de bankrekening van [taxibedrijf 1] is in de periode van 26 januari 2017 tot en met 18 juli 2017 een totaalbedrag van € 1.163.564,12 ontvangen van Uber . [13] Van de rekening van [taxibedrijf 1] zijn meerdere geldbedragen overgemaakt. In totaal is een bedrag van € 100.247,- in de periode van 2 februari 2017 tot en met 9 oktober 2017 overgemaakt naar bankrekeningen op naam van [naam 9] / [naam 5] . Naar de rekening op naam van verdachte is vanaf de rekening van [taxibedrijf 1] in de ten laste gelegde periode een totaalbedrag van € 99.150,- overgemaakt. Een bedrag van € 17.045,- is in deze periode overgemaakt naar de bankrekening op naam van [naam 6] . In de periode van 26 januari 2017 tot en met 3 oktober 2017 is een totaalbedrag van € 18.558,- overgemaakt op de bankrekening van [naam medeverdachte] / [naam 7] .
[taxibedrijf 2]
In totaal zijn er in de periode van 11 oktober 2018 tot en met 14 januari 2019 24 auto’s overgeschreven van [taxibedrijf 2] naar [taxibedrijf 4] B.V. (hierna: [taxibedrijf 4] ).
Op de bankrekening op naam van [taxibedrijf 2] ( [nummer 2] ) zijn geen mutaties aangetroffen waaruit op te maken zou zijn dat betaald is door [taxibedrijf 4] voor de overname van de auto's. [14]
Geldbedragen [taxibedrijf 2]
Op de bankrekening van [taxibedrijf 2] is in de periode van 15 mei 2018 tot en met 22 oktober 2018 een totaalbedrag van € 802.015,76 ontvangen van Uber . Van de bankrekening van [taxibedrijf 2] zijn meerdere bedragen overgemaakt naar natuurlijke personen. Zo is een totaalbedrag van € 48.215,50 overgemaakt op de bankrekening van [naam 9] en/of [naam 5] . Een totaalbedrag van € 43.856,- is overgemaakt op de bankrekening van [naam 8] / [naam 6] . Naar de bankrekening van [naam medeverdachte] is een totaalbedrag van € 17.523,- overgemaakt en naar de bankrekening van [naam medeverdachte] is vanaf de rekening van [taxibedrijf 2] een totaalbedrag van € 82.115,- overgemaakt. Voornoemde personen zijn niet in loondienst geweest bij [taxibedrijf 1] . [15]
Bewijsoverwegingen:
Feitelijk bestuurder
Op basis van de verklaringen van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] stelt de rechtbank vast dat verdachte, samen met de medeverdachte, de bestuurders waren van [taxibedrijf 1] en [taxibedrijf 2] . De rechtbank acht de verklaringen van deze getuigen betrouwbaar nu zij op grote punten gelijkluidend zijn, hun verklaringen elkaar bevestigen en ook passen in de werkwijze bij de opvolgende vennootschappen zoals dat uit de rest van het procesdossier volgt. De getuigen wijzen zonder uitzondering verdachte en de medeverdachte aan als de bazen van [taxibedrijf 1] en [taxibedrijf 2] . Zij verklaren dat het verdachte en/of de medeverdachte was die de arbeidscontracten maakten, lonen betaalden, de administratie bij de boekhouder aanleverden en de leiding hadden binnen het bedrijf. Zij waren niet afhankelijk van instructies van anderen en bepaalden het beleid binnen de bedrijven. Zij verklaren niet over anderen die dit binnen de bedrijven deden. De drie personen die als bestuurders bij de Kamer van Koophandel waren ingeschreven verklaren dat zij deze bevoegdheden niet hadden. Zij konden niet bij de bankpasjes van de vennootschappen, gingen niet over de arbeidscontracten of lonen en hadden verder geen bemoeienis in het bedrijf. Hun verklaringen vinden ook steun in de grote overboekingen vanaf de bankrekeningen van de vennootschappen naar (familieleden van) verdachte en medeverdachte. Onder bestuurder van een rechtspersoon wordt ook verstaan degenen die feitelijk optreden als bestuurder van een rechtspersoon. Hoewel verdachte en de medeverdachte ten tijde van de ten laste gelegde formeel geen bestuurders waren van [taxibedrijf 1] en [taxibedrijf 2] is de rechtbank, gelet op het voorgaande, van oordeel dat hun rol binnen deze bedrijven van dusdanige betekenis is geweest dat zij kunnen worden gelijkgesteld aan een bestuurder en dus als feitelijke bestuurders moeten worden aangemerkt.
Auto’s
De verdediging heeft het verweer gevoerd dat AMB-012 een relaas betreft zonder nadere onderbouwing. De rechtbank overweegt dat dit proces-verbaal is opgesteld naar aanleiding van gegevens van de RDW. Op dit proces-verbaal is een correctie gekomen (AMB-012a) maar die ziet op het eigenaarschap van auto’s buiten de ten laste gelegde periode. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding, en de verdediging heeft deze ook niet gegeven, om aan te nemen dat AMB-012 onjuist is en dat de inhoud hiervan niet klopt. Het enkele ontbreken van brondocumenten maakt dit niet anders.
Overboekingen
De verdediging heeft betoogd dat de overboekingen legitiem zijn en een verklaarbare achtergrond hebben. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen is de rechtbank van oordeel dat het onwaarschijnlijk is dat deze overboekingen zijn gedaan ter bevordering van de continuïteit van de onderneming. Dat de overboekingen naar de bankrekeningen van verdachte en de medeverdachten salaris als taxichauffeur betreffen acht de rechtbank ongeloofwaardig gelet op de hoogte van het bedrag dat in slechts enkele maanden tijd is overgemaakt . Bovendien worden daarmee niet de overboekingen naar de familieleden van verdachte en de medeverdachte verklaard.
Oogmerk op bevoordeling
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte het oogmerk had om zichzelf of een ander te bevoordelen. Uit het dossier volgt dat verdachten de bedrijven leeg achter hebben gelaten door al het geld naar henzelf of hun familieleden over te boeken. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat verdachte, en de medeverdachte, het oogmerk hadden om zichzelf te bevoordelen. Door dit handelen werden bovendien de leeggetrokken rechtspersonen ernstig benadeeld. En zijn uiteindelijk zonder baten ontbonden.
Vrijspraak contante opnames
De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van de 191 contante geldopnames van de bankrekening van [taxibedrijf 1] en de 159 contante opnames verricht van de bankrekening van [taxibedrijf 2] . Verdachte en meerdere taxichauffeurs hebben verklaard dat de taxichauffeurs contant hun loon uitbetaald kregen. De rechtbank acht het aannemelijk dat het bedrag dat – na de overboekingen – overbleef op de rekeningen en is opgenomen is uitbetaald aan de taxichauffeurs. Zij kan dan ook niet vaststellen dat verdachte, en de medeverdachte, deze geldbedragen buitensporig van de rechtspersonen hebben, gebruikt.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
in de periode van 18 november 2016 tot en met 26 september 2019, in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander als feitelijk bestuurder van [taxibedrijf 1] B.V. en [taxibedrijf 2] B.V., buitensporig middelen van deze rechtspersonen heeft vervreemd, met het oogmerk om zich of een ander te bevoordelen, immers hebben verdachte en zijn mededader
A.
- vijf voertuigen, op naam van [taxibedrijf 1] B.V. om niet overgedragen aan [naam medeverdachte] en
- vier voertuigen, op naam van [taxibedrijf 1] B.V. om niet overgedragen aan [naam 9] en
- zeven voertuigen, op naam van [taxibedrijf 1] B.V. om niet overgedragen aan [taxibedrijf 3] B.V en
- elf voertuigen, op naam van [taxibedrijf 1] B.V. om niet overgedragen aan [taxibedrijf 4] B.V. en
- geldbedragen tot een totaal van euro 100.247 overgemaakt van bankrekening [nummer 1] ten name van [taxibedrijf 1] B.V. naar bankrekeningen ten name van [naam 9] / [naam 5] en
- geldbedragen tot een totaal van euro 99.150 overgemaakt van bankrekening [nummer 1] ten name van [taxibedrijf 1] B.V. naar een bankrekening ten name van [naam 8] en
- geldbedragen tot een totaal van euro 17.045 overgemaakt van bankrekening [nummer 1] ten name van [taxibedrijf 1] B.V. naar een bankrekening ten name van [naam 6] en
- geldbedragen tot een totaal van euro 18.558 overgemaakt van bankrekening [nummer 1] ten name van [taxibedrijf 1] B.V. naar een bankrekening ten name van [naam medeverdachte] / [naam 7] en
B.
- vierentwintig voertuigen, op naam van [taxibedrijf 2] B.V. om niet overgedragen aan [taxibedrijf 4] B.V. en
- geldbedragen tot een totaal van euro 48.163 overgemaakt van
bankrekening [nummer 2] ten name van [taxibedrijf 2] B.V. naar
bankrekeningen ten name van [naam 9] (verdachte)/ [naam 5] en/of
- geldbedragen tot een totaal van euro 25.360 overgemaakt van bankrekening [nummer 2] ten name van [taxibedrijf 2] B.V. naar een bankrekening ten name van [naam 8] / [naam 6] en
- geldbedragen tot een totaal van euro 17.523 overgemaakt van bankrekening [nummer 2] ten name van [taxibedrijf 2] B.V. naar een bankrekening ten name van [naam medeverdachte] en
- geldbedragen tot een totaal van euro 82.115 overgemaakt van bankrekening [nummer 2] ten name van [taxibedrijf 2] B.V. naar een bankrekening ten name van [naam medeverdachte] ,
ten gevolge waarvan die rechtspersonen ernstig nadeel hebben ondervonden en het voortbestaan in gevaar is gekomen;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 maanden. De officier van justitie houdt in zijn eis rekening met een overschrijding van de redelijke termijn.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht – indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte is een first offender en heeft een vrouw en kinderen. Als verdachte de gevangenis in moet, raakt hij alles kwijt. De redelijke termijn geschonden. Daarnaast is het lastig om een benadelingsbedrag vast te stellen. Wat de verdediging betreft moet worden uitgegaan van een benadelingsbedrag tussen € 10.000,- en € 125.000,-. In dat geval is een taakstraf nog passend, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich als feitelijk bestuurder van twee rechtspersonen gedurende meer dan drie jaar in vereniging schuldig gemaakt aan het buitensporig vervreemden van geldbedragen en taxi’s door grote geldbedragen naar zichzelf, de medeverdachte en familie over te maken en de taxi’s om niet over te dragen. Door zo te handelen zijn de rechtspersonen ernstig benadeeld. Indirect is ook de Staat der Nederlanden, en daarmee de samenleving benadeeld, omdat de rechtspersonen door dit handelen geen middelen meer hadden om de verschuldigde belastingen te voldoen.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 10 november 2025. Hieruit volgt dat verdachte niet met justitie in aanraking is geweest. Dit levert dus geen strafverzwarende of strafverminderende omstandigheid op.
Uitgangspunten voor de strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken en gerechtshoven ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, hebben de rechtbanken en gerechtshoven oriëntatiepunten opgesteld. Bij het bepalen van de straf past de rechtbank het oriëntatiepunt voor fraude toe en houdt daarbij rekening met de hoogte van het benadelingsbedrag van
€ 1.000,000,-, dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld. Het oriëntatiepunt bij een benadelingsbedrag van € 500.000,- tot € 1.000.000,- is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden.
Overschrijding redelijke termijn
In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat de feiten dateren uit de periode van 2016 tot en met 2019 en dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Een verdachte heeft recht op berechting van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Als uitgangspunt geldt dat binnen twee jaar na aanvang van die redelijke termijn door de rechtbank moet zijn beslist, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Daarbij kan gedacht worden aan de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte of zijn advocaat op het procesverloop en de manier waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
Op 12 september 2022 is verdachte gehoord. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak vanaf deze datum de redelijke termijn is gaan lopen. Dit betekent dat de zaak in september 2024 afgerond had moeten zijn. Ondanks dat het een groot onderzoek was gaat de rechtbank uit van een overschrijding van de redelijke termijn van 15 maanden.
Strafmaat
Alles afwegende ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie en legt aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van 18 maanden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 347 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
het medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon, buiten het geval van art. 342 en 343, buitensporig middelen vervreemden, ten gevolge waarvan de rechtspersoon ernstig nadeel heeft ondervonden en het voorbestaan in gevaar is gekomen, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezen strafbaar.
Verklaart verdachte, [de verdachte] , daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
18 (achttien) maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. van Hall, voorzitter,
mr. J.M.R. Vastenburg en mr. E.J. Weller, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2025.
[--]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier (Teak) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De met ‘DOC’ aangeduide bewijsmiddelen zijn geschriften.
2.DOC-024.
3.DOC-188, p. 36.
4.G-006-01.
5.AMB-023, p. 2.
6.G-003-01.
7.DOC-006.
8.DOC-189, p. 25.
9.G-005-01.
10.AMB-012, met bijlage.
11.DOC-513, p. 3.
12.AMB-026 en DOC-516.
13.DOC-516.
14.AMB-025, p. 3.
15.AMB-025.