Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:10655

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
24/7741
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:32 AwbArt. 3 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenArt. 4 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswettenArt. 3:2 AwbArt. 7:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en toekenning WGA-uitkering per 21 september 2023

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin haar arbeidsongeschiktheidspercentage per 21 september 2023 is vastgesteld op 49,33%, wat haar indeling in de WGA-klasse van 45 tot 55% bevestigt.

De rechtbank heeft het medisch onderzoek en de rapportages van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen beoordeeld. Hoewel eiseres stelde dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en een hoorzitting noodzakelijk, oordeelde de rechtbank dat de medische beoordeling zorgvuldig en volledig was uitgevoerd, waarbij alle relevante objectieve medische gegevens zijn betrokken. De subjectieve klachtbeleving van eiseres was niet leidend voor de vaststelling van beperkingen.

Ook de arbeidskundige beoordeling werd getoetst. De rechtbank vond de functies die als passend zijn aangemerkt, waaronder administratief ondersteunend medewerker en telefonist medewerker callcenter, adequaat onderbouwd en passend bij de beperkingen van eiseres.

De rechtbank concludeerde dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van 49,33% juist is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 49,33% wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7741

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A.J.A.M. Hermans),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[bedrijf] B.V., uit Amsterdam, de voormalig werkgever.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de voor haar vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid per 21 september 2023.
Met het primaire besluit I van 8 augustus 2023 heeft verweerder eiseres haar loongerelateerde WGA-uitkering per 23 september 2023 beëindigd en per die datum een vervolguitkering naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% toegekend. Omdat de beëindigingsdatum van 23 september 2023 niet juist was, heeft verweerder op 18 december 2023 het primaire besluit II genomen waarin aan eiseres vanaf 21 september 2023 een vervolguitkering is toegekend.
Met het bestreden besluit van 22 november 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres vastgesteld op 49,33%. Eiser blijft ongewijzigd 45 tot 55% arbeidsongeschikt.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2025. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door haar gemachtigde en [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De voormalig werkgever was niet aanwezig.

Vooraf

1. Eiseres heeft geen toestemming verleend voor het toezenden van stukken die medische gegevens bevatten aan de voormalig werkgever. De rechtbank heeft om die reden besloten, onder verwijzing naar artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat de kennisneming van medische stukken in deze zaak is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen. Gelet hierop zal de rechtbank in deze uitspraak die medische stukken niet inhoudelijk weergeven en medische terminologie zoveel mogelijk vermijden.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.1.
Eiseres is laatstelijk werkzaam geweest als [functie] voor gemiddeld 23,91 uur per week. Zij heeft zich op 25 september 2018 ziekgemeld vanwege gezondheidsklachten. Na het doorlopen van de wachttijd heeft eiseres een WIA-uitkering [1] aangevraagd. Omdat de voormalig werkgever niet aan haar re-integratieverplichtingen heeft voldaan, heeft verweerder besloten dat zij eiseres tot 21 september 2021 moet doorbetalen. Aan eiseres is vervolgens per 21 september 2021 een WIA-uitkering toegekend. Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres is haar arbeidsongeschiktheidspercentage verhoogd en is zij per 21 september 2021 voor 49,59% arbeidsongeschikt verklaard.
2.2.
Met de primaire besluiten heeft verweerder de loongerelateerde WGA-uitkering vanaf 21 september 2023 beëindigd en eiseres per die datum een WGA-vervolguitkering toegekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%. Nadat eiseres en haar voormalig werkgever een bezwaarschrift hadden ingediend heeft verweerder de primaire verzekeringsarts en arbeidsdeskundige laten rapporteren. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van eiseres neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 juli 2024. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres vastgesteld op 49,33%. Verweerder heeft dit gewijzigde standpunt aan eiseres kenbaar gemaakt in een voornemen wijzigingsbeslissing van 11 juli 2024. Daarin heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Eiseres heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.
2.3.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierna geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van het eerdere verzekeringsgeneeskundige standpunt. Ook de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ziet geen aanleiding om af te wijken van de primaire arbeidsdeskundige. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is eiseres vanaf 21 september 2023 voor 49,33% arbeidsongeschikt. Eiseres blijft daarmee ongewijzigd 45 tot 55% arbeidsongeschikt.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 21 september 2023 juist heeft vastgesteld. Daartoe moet de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen of verweerder de medische beperkingen correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met deze beperkingen, in staat is de geselecteerde functies te verrichten.
3.2.
Verweerder mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. De rechtbank beoordeelt of de rapporten die in deze zaak zijn opgesteld, voldoen aan de hierboven genoemde voorwaarden.
De medische grondslag van het bestreden besluit
4.1.
Eiseres stelt dat het onderzoek door de verzekeringsartsen onvoldoende zorgvuldig is uitgevoerd. Zij is wel gezien door de primaire verzekeringsarts, maar zij is van mening dat dit onderzoek niet volledig was. Volgens haar was daarom een hoorzitting met de verzekeringsarts bezwaar en beroep noodzakelijk om ontbrekende informatie aan te vullen en onduidelijkheden of tegenstrijdigheden in het rapport te verhelderen. Ter onderbouwing verwijst eiseres naar de rapporten van haar medisch deskundige, die aangeeft dat een hoorzitting in dit geval geïndiceerd was vanwege een aantal onduidelijkheden en tegenstrijdigheden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft echter aangegeven dat een hoorzitting niet noodzakelijk werd geacht.
4.2.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het onderzoek van de verzekeringsartsen in deze zaak voldoende zorgvuldig is geweest. Daarbij is het volgende van belang.
4.3.
Het toetsingskader voor de medische beoordeling in arbeidsongeschiktheidszaken volgt uit artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en uit de artikelen 3:2 en 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Welke onderzoeksactiviteiten in bezwaar noodzakelijk zijn, hangt af van verschillende factoren, waaronder de medische situatie van betrokkene, de gronden van bezwaar en de vraag of in de primaire fase sprake is van een gebrek dat moet worden hersteld. Bij de betwisting van de medische grondslag in bezwaar is het dus niet altijd vereist dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een betrokkene op een fysiek spreekuur onderzoekt. Afhankelijk van de concrete situatie kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep ervoor kiezen gebruik te maken van andere onderzoeksmogelijkheden, zoals dossieronderzoek, het opvragen van medische informatie, het inschakelen van een expertise of het bijwonen van een hoorzitting en die keuze waar nodig toelichten.
4.4.
De primaire verzekeringsarts heeft eiseres op 9 april 2024 gezien tijdens een fysiek spreekuur, waarbij het dagverhaal en de anamnese uitgebreid zijn uitgevraagd. Verder heeft de verzekeringsarts inzichtelijk kennisgenomen van de medische informatie en de uitkomsten van de eerdere onderzoeken die door verweerder zijn verricht in het kader van een eerdere WIA-beoordeling. Ook heeft een lichamelijk en psychisch onderzoek plaatsgevonden, waarbij de bevindingen uitgebreid zijn gerapporteerd. De verzekeringsarts heeft overwogen dat het niet nodig was om nadere informatie op te vragen, omdat voldoende informatie voorhanden was.
4.5.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het niet nodig geacht om eiseres op een fysiek spreekuur te onderzoeken. In het rapport van 18 november 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat de beoordeling door de primaire verzekeringsarts voldoende uitgebreid is verricht. Er is een anamnese afgenomen, met aandacht voor de ervaren klachten, het beloop, de behandeling en het dagelijks functioneren. Daarnaast is een lichamelijk en psychisch onderzoek uitgevoerd. Tevens komt uit de rapportage van de primaire verzekeringsarts naar voren dat de aanwezige medische gegevens bestudeerd zijn en meegewogen in de beoordeling. In het rapport van 25 februari 2025 licht de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend toe dat hij eiseres eerder heeft gezien bij een voorgaande WIA-beoordeling. Deze kennis heeft hij betrokken bij zijn afweging om eiseres niet nogmaals te onderzoeken. In wat eiseres heeft aangevoerd in bezwaar ziet hij evenmin een reden tot nader onderzoek. Eiseres heeft in de bezwaarfase medische informatie ingebracht, maar dit heeft niet tot nieuwe inzichten geleid.
4.6.
Gelet op de hiervoor genoemde motivering heeft de rechtbank geen reden te oordelen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep nader onderzoek had moeten doen. De deskundige van eiseres heeft aangevoerd dat de primaire verzekeringsarts bepaalde klachten onvoldoende heeft uitgevraagd, maar deze kritiek ziet uitsluitend op de subjectieve klachtbeleving en niet op objectieve medische gegevens. Alle relevante objectieve medische informatie die ziet op de datum in geding is namelijk bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsartsen waren van mening dat de door eiseres gestelde onduidelijkheden niet zodanig waren dat dit de mogelijkheid tot het opstellen van een beoordeling zou belemmeren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij terecht opgemerkt dat de subjectieve klachtbeleving niet leidend is voor het vaststellen van beperkingen. De deskundige heeft er zelf voor gekozen om voor zijn eigen beoordeling deze vermeende onduidelijkheden niet bij eiseres uit te vragen, terwijl dat gelet op zijn kritiek wel in de rede had gelegen. Indien eiseres bovendien van mening was dat deze vermeende onduidelijkheden aan de verzekeringsartsen voorgelegd hadden moeten worden, had zij deze uit eigen beweging in de bezwaar- of beroepsfase kunnen inbrengen. Voor het verstrekken van dergelijke informatie is een spreekuurcontact niet noodzakelijk. De door eiseres in bezwaar overgelegde medische stukken geven de rechtbank evenmin aanleiding te twijfelen aan de beslissing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat een spreekuur niet nodig was.
5.1.
Eiseres heeft tijdens de zitting een aantal klachten genoemd en aangevoerd dat hier onvoldoende rekening mee is gehouden. De rechtbank stelt vast dat uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat deze klachten zijn meegenomen in de anamnese en bij de vaststelling van beperkingen. De enkele stelling van eiseres dat deze klachten zouden zijn onderschat, geeft de rechtbank geen aanleiding om aan de beoordeling te twijfelen. Daarnaast heeft eiseres niet concreet onderbouwd op basis van welke medische stukken verdergaande beperkingen zouden moeten worden aangenomen.
5.2.
De rechtbank heeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen twijfel over de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de FML van 4 juli 2024.
De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
6.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 19 november 2024 eiseres gelet op haar beperkingen geschikt geacht voor de functies administratief ondersteunend medewerker, telefonist medewerker callcenter en medewerker binderij.
6.2.
Eiseres stelt dat de functie telefonist medewerker callcenter niet passend is, omdat zij beperkt is ten aanzien van stress en moeilijk kan omgaan met boze of prikkelbare klanten. De rechtbank volgt dit standpunt niet. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht waarom de functie passend is. Het gaat om eenvoudige telefoontaken, gericht op het boeken van ritten voor WMO-vervoer. De gesprekken zijn kort en telkens wordt dezelfde, niet-complexe informatie verwerkt, zoals het ophaal- en bestemmingsadres, het tijdstip van ophalen, het aantal personen en het gebruik van een rolstoel. De taakinhoud is steeds hetzelfde; productiepieken, storingen of onderbrekingen komen niet voor. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft bovendien verduidelijkt dat het door eiseres genoemde aantal gesprekken per dag onjuist is. Het genoemde aantal betrof het totaal van het gehele callcenter. Eiseres hoeft in deze functie slechts een beperkt deel van de gesprekken per dag te verwerken. Daarnaast is zij niet beperkt ten aanzien van klantcontact, waardoor deze functie passend is.
6.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder, gelet op de inzichtelijke arbeidskundige onderbouwing bij de selectie van de functies aan de hand van alle beschikbare medische informatie, voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de andere geduide functies de vastgestelde medische belastbaarheid van eiseres niet overschrijdt. Daar waar sprake is van signaleringen en mogelijke overschrijdingen, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende onderbouwd waarom de geduide functies geschikt zijn voor eiseres. De hiervoor genoemde functies mochten dan ook worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Conclusie en gevolgen

7.1.
De beroepsgronden slagen niet. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is per 21 september 2023 met juistheid vastgesteld op 49,33%.
7.2.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.
De griffier is verhinderdrechter
de uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.