Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:10654

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
25/1348
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:32 AwbWet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van arbeidsongeschiktheidspercentage op grond van de Wet WIA

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) waarin zijn arbeidsongeschiktheidspercentage per 1 november 2022 is vastgesteld op 46,29%. Dit besluit volgde op een eerdere toekenning van een WIA-uitkering met een percentage van 51,63%. De rechtbank heeft het medisch onderzoek en de arbeidskundige rapporten beoordeeld die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit.

De rechtbank oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen de beperkingen van eiser adequaat hebben vastgesteld. De subjectieve klachtenbeleving van eiser leidt niet tot een andere beoordeling zonder objectieve medische onderbouwing. Ook de arbeidsdeskundige heeft de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd, voldoende gemotiveerd geselecteerd en toegelicht waarom deze passen binnen de belastbaarheid van eiser.

Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het percentage van 46,29% onjuist is. De rechtbank wijst het beroep af, waardoor het besluit van het UWV in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage van 46,29% per 1 november 2022 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1348

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.B.B. Beelaard),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,verweerder
(gemachtigde: mr. A.A.H. Ibrahim).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
[bedrijf] B.V., uit Amsterdam, de voormalig werkgever. De voormalig werkgever heeft te kennen gegeven uitsluitend een kopie van de uitspraak te willen ontvangen.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de voor hem vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid per 1 november 2022.
Met het primaire besluit van 2 februari 2024 heeft verweerder het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per 1 november 2022 gewijzigd vastgesteld op 46,29%. Met het bestreden besluit van 22 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 december 2025. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Vooraf

1. Eiser heeft geen toestemming verleend voor het toezenden van stukken die medische gegevens bevatten aan de voormalig werkgever. De rechtbank heeft om die reden besloten, onder verwijzing naar artikel 8:32, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, dat de kennisneming van medische stukken in deze zaak is voorbehouden aan een gemachtigde die advocaat of arts is dan wel daarvoor van de rechtbank bijzondere toestemming heeft gekregen. Gelet hierop zal de rechtbank in deze uitspraak die medische stukken niet inhoudelijk weergeven en medische terminologie zoveel mogelijk vermijden.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2.1.
Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als [functie] voor gemiddeld 24 uur per week. Hij heeft zich op 21 maart 2015 ziekgemeld vanwege psychische klachten na een geweldsincident op het werk. Eiser heeft in 2017 zijn werkzaamheden (gedeeltelijk) hervat. Op 28 maart 2018 heeft hij zich opnieuw ziekgemeld met dezelfde ziekteoorzaak als waarmee hij eerder arbeidsongeschikt was. Na het doorlopen van de wachttijd heeft eiser een WIA-uitkering [1] aangevraagd. Aan eiser is per 25 maart 2020 een WIA-uitkering toegekend naar het arbeidsongeschiktheidspercentage van 51,63%. Eiser heeft hierna gemeld dat zijn klachten vanaf 1 november 2022 zijn toegenomen.
2.2.
Met het primaire besluit heeft verweerder het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per 1 november 2022 gewijzigd vastgesteld op 46,29%. Verweerder heeft aan dit besluit het rapport van een verzekeringsarts van 12 januari 2024 en het rapport van de arbeidsdeskundige van 30 januari 2024 ten grondslag gelegd. De beperkingen van eiser zijn door de verzekeringsarts neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 januari 2024. Omdat eiser ongewijzigd in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55% valt, wijzigt de uitkering van eiser niet.
2.3.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft aan dit besluit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 december 2024 en het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 20 januari 2025 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het bezwaar een aantal aanvullende beperkingen opgenomen in de FML van 23 december 2024. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens opnieuw ingeschat of de eerder geduide functies nog passend zijn. Daarbij heeft hij enkele eerder geduide functies laten vervallen. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep blijft eiser echter vanaf 1 november 2022 voor 46,29% arbeidsongeschikt.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden eiser per 1 november 2022 voor 46,29% arbeidsongeschikt heeft geacht.
3.2.
Verweerder mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten die over hem zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen.
De medische grondslag van het bestreden besluit
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek met de nodige zorgvuldigheid is uitgevoerd. De primaire verzekeringsarts heeft eiser psychisch onderzocht op het spreekuur van 9 januari 2023. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het volledige medische dossier van eiser bestudeerd en het dossier op de stukken afgehandeld. Uit het dossier blijkt niet dat relevante medische diagnoses of andere belangrijke informatie met betrekking tot de datum in geding van 1 november 2022 buiten beschouwing zijn gebleven.
4.2.
Eiser stelt dat hij meer beperkingen heeft dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. Ter onderbouwing verwijst hij voornamelijk naar zijn dagverhaal en benadrukt hij zijn eigen klachtbeleving. Daarnaast heeft eiser uiteengezet dat zijn klachten verergeren door de druk die hij ervaart van zijn voormalig werkgever. Hoe begrijpelijk dat ook is, in het kader van de WIA-beoordeling is niet de subjectieve beleving van klachten doorslaggevend, maar dient te worden uitgegaan van een objectieve medische beoordeling. Dat eiser zijn klachten anders ervaart dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld, betekent niet dat het bestreden besluit op een onvoldoende medische grondslag berust. De rechtbank wijst erop dat voor het gemotiveerd betwisten van de juistheid van een gegeven medische beoordeling of het aannemelijk maken dat een gegeven medische beoordeling onjuist is, in beginsel een rapport van een medicus noodzakelijk is. Verweerder heeft erkend dat eiser gezondheidsklachten heeft en heeft hem gedeeltelijk arbeidsongeschikt geacht. Dat deze klachten op 1 november 2022 tot verdergaande beperkingen hadden moeten leiden, moet echter met objectief medische gegevens aannemelijk worden gemaakt.
4.3.
Eiser voert aan dat verweerder, gelet op zijn dagverhaal en de daarin beschreven klachten, ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen voldoende en inzichtelijk gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat voor een verdergaande urenbeperking. De verzekeringsartsen hebben daarbij terecht aangesloten bij de standaard Duurbelastbaarheid, waarin drie indicatiegebieden voor een urenbeperking worden onderscheiden: energetisch, preventief en beschikbaarheid. De primaire verzekeringsarts heeft toegelicht dat bij eiser een stoornis in de energiehuishouding op basis van een ernstige aandoening niet plausibel is. Op medische gronden blijkt evenmin dat eiser dagelijks structureel aangewezen is op noodzakelijke rust- of recuperatiemomenten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft deze conclusies onderschreven en gesteld dat overtuigende argumenten voor een verdergaande urenbeperking ontbreken. Vanuit preventief perspectief ontbreekt eveneens een indicatie, omdat volledig werken in passend werk volgens de verzekeringsartsen niet tot gezondheidsschade zal leiden. Wat eiser daartegenover heeft aangevoerd, biedt naar het oordeel van de rechtbank geen grond om aan deze motivering te twijfelen. Eiser heeft voornamelijk gewezen op zijn eigen klachtbeleving, maar heeft zijn standpunt niet nader onderbouwd met objectieve medische informatie die zijn standpunt ondersteunt. Voor zover eiser verwijst naar een brief van zijn behandelaar uit 2020, overweegt de rechtbank dat deze ziet op een periode ruim twee jaar vóór de datum in geding. De verzekeringsartsen hebben deze brief bij hun beoordeling betrokken. Uit die brief volgt echter evenmin een objectieve medische noodzaak voor een urenbeperking.
4.4.
Eiser voert daarnaast aan dat hij verdergaande fysieke klachten ervaart, met name in stressvolle situaties en in omgevingen met veel rumoer en lawaai. De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsartsen de door eiser gestelde klachten en diagnose hebben meegenomen in de anamnese. Verweerder heeft op de zitting echter terecht opgemerkt dat de door eiser gestelde diagnose niet objectief is bevestigd in een medisch stuk. Daarmee ontbreekt een medische onderbouwing die nodig is om tot verdergaande beperkingen te komen. Eiser heeft ook niet geconcretiseerd op welke onderdelen in de FML deze klachten volgens hem tot verdergaande beperkingen zouden moeten leiden. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder de beperkingen met betrekking tot deze klachten heeft onderschat.
4.5.
De rechtbank heeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen twijfel over de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank ziet om die reden dan ook geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de FML van 23 december 2024.
De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
5.1.
De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in het rapport van 20 januari 2025 eiser gelet op zijn beperkingen geschikt geacht voor de functies huishoudelijk medewerker gebouwen, assemblagemedewerker elektrotechnische producten en productiemedewerker industrie.
5.2.
Eiser stelt dat hij de functie van huishoudelijk medewerker gebouwen niet kan uitoefenen, omdat daarin volgens hem sprake is van een overschrijding op het aspect samenwerken. Hij wijst erop dat medewerkers elkaar moeten ondersteunen wanneer de geplande tijden niet worden gehaald. Volgens eiser heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onvoldoende gemotiveerd of dit een zodanig intensieve vorm van samenwerking betreft dat deze niet past binnen zijn belastbaarheid. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht dat in deze functie wordt samengewerkt binnen een zelfsturend team, waarbij iedere medewerker een eigen, afgebakende deeltaak heeft. Ondersteuning vindt slechts plaats wanneer dat nodig is en betreft geen structurele of intensieve samenwerking. Bovendien blijkt uit de raadpleging van het CBBS dat voor deze functie geen signalering op het aspect samenwerken voorkomt. De rechtbank is van oordeel dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat de functie de functionele mogelijkheden van eiser niet overschrijdt. De enkele, niet nader onderbouwde stelling van eiser dat mogelijk sprake is van een overschrijding, biedt geen aanleiding om te twijfelen aan de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
5.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder, gelet op de inzichtelijke arbeidskundige onderbouwing bij de selectie van de functies aan de hand van alle beschikbare medische informatie, voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de andere geduide functies de vastgestelde medische belastbaarheid van eiser niet overschrijdt. Daar waar sprake is van signaleringen en mogelijke overschrijdingen, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende onderbouwd waarom de geduide functies geschikt zijn voor eiser. De hiervoor genoemde functies mochten dan ook worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Conclusie en gevolgen

6.1.
De beroepsgronden slagen niet. Het arbeidsongeschiktheidspercentage is per 1 november 2022 met juistheid vastgesteld op 46,29%.
6.2.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2025.
De griffier is verhinderdrechter
de uitspraak te ondertekenen.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.