ECLI:NL:RBAMS:2025:10650

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
4 januari 2026
Zaaknummer
C/13/769122 / HA ZA 25-1045
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:9 BWArt. 2:162 BWArt. 2:248 BWArt. 6:119 BWArt. 7:928 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen dekking onder bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering voor curatorvordering na faillissement

De zaak betreft een bestuurder van een bedrijf dat een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering had bij Chubb met een verzekerde som van €2,5 miljoen, die in 2013 werd verhoogd tot €10 miljoen na ondertekening van een No Claim-verklaring. Deze verklaring bevatte de stelling dat er geen aanspraken of omstandigheden bekend waren die tot aanspraken konden leiden.

Na het faillissement van het bedrijf stelde de curator de bestuurder aansprakelijk en vorderde een verklaring van dekking onder de verzekering voor €10 miljoen. De rechtbank oordeelt dat de bestuurder bij het afleggen van de No Claim-verklaring belangrijke omstandigheden, zoals een lopende civiele claim en een strafrechtelijk onderzoek, niet heeft gemeld. Dit was relevant voor de verzekeraar bij de beslissing tot verhoging van de verzekerde som.

De rechtbank stelt dat de situatie gelijkgesteld moet worden aan het sluiten van een nieuwe verzekeringsovereenkomst, waardoor de mededelingsplicht van artikel 7:928 BW Pro van toepassing is. De verzekeraar heeft tijdig de gevolgen van de schending van deze plicht gemeld. Daarom bestaat geen dekking voor de curatorvordering boven de oorspronkelijke €2,5 miljoen. De vordering wordt afgewezen en de bestuurder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en oordeelt dat er geen dekking bestaat voor de curatorvordering van €10 miljoen onder de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/769122 / HA ZA 25-1045
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.B. Londonck Sluijk,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
CHUBB EUROPEAN GROUP SE,
gevestigd te Courbevoie (Frankrijk),
gedaagde,
hierna te noemen: Chubb,
advocaat: mr. W.A.M. Rupert.

1.De zaak en de beslissing van de rechtbank in het kort

1.1.
[eiser] was bestuurder van [bedrijf] . Chubb is verzekeraar. Tussen [bedrijf] en Chubb bestond sinds 2008 een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering. De verzekerde som bedroeg € 2,5 miljoen.
1.2.
In 2013 wilde [bedrijf] de verzekerde som verhogen. Daarvoor heeft Chubb [bedrijf] gevraagd een No Claim-verklaring af te leggen. In de No Claim-verklaring heeft [eiser] namens [bedrijf] onder meer verklaard niet bekend te zijn met aanspraken tegen de bestuurders van [bedrijf] of omstandigheden die daartoe aanleiding kunnen geven. Daarna is de verzekerde som verhoogd tot € 10 miljoen.
1.3.
[bedrijf] is in 2015 failliet gegaan. De curator in het faillissement van [bedrijf] houdt [eiser] daarvoor aansprakelijk. In deze procedure vordert [eiser] dat de rechtbank voor recht verklaart dat onder de verzekering in verband met de claim van de curator dekking bestaat voor een verzekerd bedrag van € 10 miljoen.
1.4.
De rechtbank wijst de vordering van [eiser] af. De reden daarvoor is dat [eiser] – toen hij namens [bedrijf] de No Claim-verklaring aflegde – belangrijke omstandigheden niet aan Chubb heeft gemeld. [bedrijf] en [eiser] hadden moeten begrijpen dat deze omstandigheden voor Chubb van belang waren voor haar beslissing om de verzekerde som al dan niet te verhogen. Chubb heeft voldoende duidelijk gemaakt dat zij bij kennis van de ware stand van zaken de verzekerde som niet zou hebben verhoogd.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 mei 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 20 augustus 2025 waarbij de mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 7 november 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 7 november 2025 die zich in het dossier bevinden.
2.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

3.De feiten

De betrokken partijen en de voorgeschiedenis van de verzekering
3.1.
[eiser] was enig bestuurder van [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ). [bedrijf] hield zich onder meer bezig met het oprichten en inrichten van ziekenhuizen in ontwikkelingslanden. [bedrijf] ontving in dat verband opdrachten van onder meer de Wereldbank.
3.2.
Op 1 februari 2008 is tussen Chubb en [bedrijf] een zogenoemde Commissarissen- en Bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering tot stand gekomen. Deze verzekering wordt in de stukken ook wel de D&O-verzekering genoemd.
3.3.
Het polisblad vermeldt een verzekerde som van € 2,5 miljoen. Daarnaast staat op het polisblad dat de verzekering is aangegaan voor een termijn van een jaar en dat die termijn jaarlijks stilzwijgend wordt verlengd.
3.4.
Verder staat op het polisblad dat de zogenoemde DO-98A voorwaarden van toepassing zijn op de verzekering. In artikel 11.2 van de DO-98A voorwaarden staat dat indien een verzekerde gedurende de verzekeringstermijn bekend wordt met een omstandigheid die zou kunnen leiden tot een aanspraak en de verzekerde die omstandigheid aan de verzekeraar meldt, iedere aanspraak die daaruit voortvloeit wordt beschouwd te zijn ingediend gedurende de verzekeringstermijn. In artikel 17 van Pro de DO-98A voorwaarden staat dat iedere wijziging, aanpassing of verandering van de verzekering alleen van kracht zal zijn indien deze zijn aangetekend in een aanhangsel bij de verzekering.
3.5.
Op 11 januari 2013 heeft Aon Risk Solutions (hierna: Aon) – de latere verzekeringsmakelaar van [bedrijf] – Chubb gevraagd naar mogelijkheden om de verzekerde som te verhogen.
3.6.
In vervolg daarop heeft Chubb in een e-mail van 18 januari 2013 aan Aon geschreven dat zij de dekking kan verhogen tot € 5 miljoen of € 10 miljoen, beide verhogingen onder voorbehoud van een getekende no-claim verklaring.
3.7.
Daarna is de verzekering per 1 februari 2013 stilzwijgend verlengd.
De Slotervaartclaim
3.8.
Op 5 april 2013 zijn onder meer [bedrijf] en [eiser] – zowel in privé als in zijn hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf] – gedagvaard door het Slotervaartziekenhuis. Het Slotervaartziekenhuis vorderde in die dagvaarding verklaringen voor recht dat i) door [bedrijf] opgemaakte facturen ondeugdelijk althans valselijk zijn opgemaakt en ii) het Slotervaartziekenhuis bedragen onverschuldigd aan [bedrijf] heeft betaald. Daarnaast vorderde het Slotervaartziekenhuis een veroordeling van [bedrijf] en [eiser] tot betaling van schadevergoeding (hierna tezamen: “de Slotervaartclaim”).
3.9.
Op 26 september 2013 heeft bij de rechtbank Midden-Nederland een zitting inzake de Slotervaartclaim plaatsgevonden.
3.10.
Bij eindvonnis van 8 oktober 2014 heeft de rechtbank Midden-Nederland de Slotervaartclaim afgewezen. Tegen dat vonnis heeft het Slotervaartziekenhuis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. In dat hoger beroep is [bedrijf] niet verschenen. Bij arrest van 31 januari 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de tussen het Slotervaartziekenhuis en [eiser] gewezen vonnissen bekrachtigd.
De Wereldbankclaim
3.11.
Op 4 juli 2013 heeft de Rijksrecherche – samen met opsporingsambtenaren van de City of London Police, afdeling Overseas Anti-Corruption Unit – een inval gedaan in het kantoorpand van [bedrijf] in het kader van een doorzoeking ter inbeslagneming. De aanleiding van deze doorzoeking was een verdenking dat een medewerker van de Wereldbank betalingen had ontvangen van [bedrijf] om [bedrijf] opdrachten te bezorgen. [eiser] heeft voorafgaand aan deze doorzoeking de cautie gekregen van de officier van justitie, omdat hij als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek werd aangemerkt. De doorzoeking heeft plaatsgevonden in het bijzijn van [eiser] . Deze gang van zaken wordt hierna aangeduid als “de Wereldbankclaim”.
De verhoging van de verzekerde som en de No Claim-verklaring
3.12.
Per 3 oktober 2013 is Aon als verzekeringsmakelaar van [bedrijf] aangesteld.
3.13.
Op 4 oktober 2013 heeft Aon de e-mail van Chubb van 18 januari 2013 (zie hiervoor 3.6) aan [bedrijf] doorgestuurd. In de begeleidende e-mail heeft Aon onder meer het volgende aan [bedrijf] geschreven:
“Bijgaand stuur ik je het voorstel voor de verhoging van de bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering van [bedrijf] (…)
Verneem graag welke verzekerd bedrag moet worden verzekerd.
Tevens ontvangen ik de ingevulde en ondertekende no claim verklaring, alvorens wij het verzekerd bedrag kunnen verhogen.”
3.14.
[eiser] heeft op 4 oktober 2013 een No Claim-verklaring getekend. In de No Claim-verklaring staat onder meer het volgende:
“De ondergetekende, [eiser] , verklaart hiermede, na dit aan iedere commissaris en bestuurder van de aanvragende rechtspersoon en haar deelnemingen gevraagd te hebben, dat hij / zij thans niet bekend is met aanspraken jegens de (voormalige) bestuurders en commissarissen van [bedrijf] BV en/of haar (voormalige) deelnemingen, dan wel met omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot aanspraken jegens de (voormalige) bestuurders en commissarissen van [bedrijf] BV en/of haar (voormalige) deelnemingen.
Alle aanspraken voortvloeiende uit bekende feiten of omstandigheden zullen worden uitgesloten van de dekking.”
3.15.
Aon heeft deze No Claim-verklaring op 8 oktober 2013 aan Chubb gemaild met de mededeling dat [bedrijf] heeft gekozen de verzekerde som te verhogen tot € 10 miljoen.
3.16.
Daarna heeft Chubb de verzekerde som per 4 oktober 2013 verhoogd tot € 10 miljoen en dit vastgelegd in een op 16 oktober 2013 door haar uitgebracht Aanhangsel 2.
De surseance van betaling van [bedrijf]
3.17.
Op 13 april 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland surseance van betaling aan [bedrijf] verleend.
3.18.
In een brief van 14 april 2015 heeft [eiser] aan Chubb gemeld dat [bedrijf] in surseance van betaling verkeerde.
Het faillissement van [bedrijf]
3.19.
Op 1 mei 2015 heeft de rechtbank Midden-Nederland het faillissement van [bedrijf] uitgesproken. In dat faillissement is mr. M.J. Cools aangesteld als curator (hierna: de curator).
De melding van de Slotervaartclaim
3.20.
In een brief van 6 mei 2015 heeft [eiser] het hoger beroep inzake de Slotervaartclaim (zie hiervoor 3.10) en de Wereldbankclaim (zie hiervoor 3.11) aan Aon gemeld. Aon heeft deze melding van [eiser] op 7 mei 2015 doorgegeven aan Chubb.
3.21.
Op 29 juni 2015 heeft Chubb aan Aon gemaild dat zij i) de Slotervaartclaim in behandeling neemt met inachtneming van een verzekerde som van € 2,5 miljoen en ii) akkoord is de kosten van [eiser] in hoger beroep – in verband met zijn verweer tegen de Slotervaartclaim – te vergoeden.
De brief van 3 juli 2015 van Chubb
3.22.
In een brief van 3 juli 2015 heeft Chubb onder meer het volgende aan [eiser] geschreven:

Gevolgen opmaken onware no-claimverklaring
Met zijn brief van 6 mei 2015 heeft [eiser] bij Chubb de Slotervaartclaim gemeld. Chubb heeft na lezing van deze brief ontdekt dat [eiser] ( [bedrijf] ) opzettelijk onjuiste informatie heeft gegeven bij de verhoging van de verzekerde som.
Alvorens op de drie andere omstandigheden/aanspraken in te gaan beroept Chubb zich vooreerst op de gevolgen van het in strijd met de waarheid opmaken van de no-claimverklaring. Het kan niet anders dan dat [eiser] Chubb opzettelijk heeft misleid toen hij de no-claimverklaring van 4 oktober 2013 aangaf niet bekend te zijn met een aanspraak. [eiser] was immers toen al gedagvaard in privé om op grond van fraude het Slotervaartziekenhuis EUR 1 miljoen terug te betalen. Het is ondenkbaar dat hij die vordering was vergeten toen hij de no-claimverklaring invulde en ondertekende. Ook kan het niet anders dan dat dit gebeurde om Chubb ertoe te bewegen de verzekerde som te verhogen én te voorkomen dat Chubb – eenmaal bekend met deze vordering – de toen van kracht zijnde D&O-verzekering direct zou beëindigen of zou opzeggen tegen 1 februari 2014.
(…)
De drie omstandighedenmeldingen of aanspraken
Ingevolge de bewuste misleiding van Chubb is elke aanspraak jegens verzekerde van ná 4 oktober 2013 niet verzekerd voor meer dan EUR 2,5 miljoen omdat Chubb bij kennis van de ware stand van zaken geen verhoging van de verzekerde som zou zijn overeengekomen. Dit heeft dus tot gevolg dat nu alle drie gemelde omstandigheden dateren van ná 4 oktober 2013, een eventuele aanspraak die daaruit volgt sowieso niet is verzekerd voor meer dan EUR 2,5 miljoen (tezamen) omdat Chubb [eiser] (of een andere verzekerde) geen uitkering boven dat bedrag is verschuldigd en ook in redelijkheid niet meer tot een uitkering boven de EUR 2,5 miljoen kan worden gehouden. Hetzelfde geldt als een of meer van de gemelde omstandigheden bij ander inzien zou(den) kwalificeren als een aanspraak jegens [eiser] en/of een andere verzekerde.”
De beëindiging van de verzekering
3.23.
Chubb heeft op 1 februari 2016 de verzekering beëindigd.
De Curatorenclaim
3.24.
Op 30 januari 2019 heeft de curator [eiser] aansprakelijk gesteld voor het faillissement van [bedrijf] . [eiser] heeft die aansprakelijkheid op 5 april 2019 van de hand gewezen.
3.25.
Op 7 juni 2025 heeft de curator een conceptdagvaarding aan [eiser] gestuurd. In die conceptdagvaarding heeft de curator – voor zover relevant – de volgende vorderingen opgenomen:

MITSDIEN
Het de rechtbank Midden-Nederland moge behagen om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
(1) te verklaren voor recht dat [eiser] op grond van art. 2:248 BW Pro aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden van (…) [bedrijf] (…);
(2) te verklaren voor recht dat [eiser] op grond van art. 2:9 BW Pro en/of art. 6:162 BW Pro
aansprakelijk is voor de door (…) [bedrijf] (…) althans de gezamenlijke crediteuren van deze gefailleerde vennootschappen geleden schade vanwege (…) onbehoorlijke taakvervulling en/of onrechtmatige handelwijze, (…);
(3) [eiser] te veroordelen om de onder (1) en (2) genoemde bedragen te betalen aan de Curator, (…) een en ander nader vast te stellen in een schadestaatprocedure;
(4) [eiser] te veroordelen, bij wege van voorschot op de onder (3) bedoelde bedragen, tot betaling van een bedrag van EUR 15 miljoen (…);
(5) [eiser] te veroordelen tot betaling aan de Curator van een bedrag groot EUR 1.033.000 (…) vanwege (…) onttrekkingen, (…);”
3.26.
De in de conceptdagvaarding van de curator omschreven vorderingen worden hierna samen “de Curatorenclaim” genoemd.
3.27.
De curator heeft vooralsnog geen dagvaarding inzake de Curatorenclaim uitgebracht.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. voor recht verklaart dat onder de D&O-verzekering in verband met de Curatorenclaim dekking bestaat voor een Verzekerd Bedrag van € 10 miljoen,
II. Chubb veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
Chubb voert verweer. Chubb concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

5.De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht
5.1.
Dit is een internationale zaak, omdat [eiser] in Nederland woont en Chubb in Frankrijk gevestigd is. De rechtbank moet daarom eerst (ambtshalve) beoordelen of zij rechtsmacht heeft om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen.
5.2.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij het erover eens zijn dat deze rechtbank rechtsmacht heeft om van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen. De rechtbank vat dit op als een forumkeuze in de zin van artikel 25 van Pro de Brussel I-bis-Verordening. [1]
5.3.
Vervolgens moet het toepasselijk recht worden vastgesteld. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij het erover eens zijn dat Nederlands recht op deze zaak van toepassing is. De rechtbank vat dit op als een rechtskeuze voor Nederlands recht in de zin van artikel 3 van Pro de Rome I-Verordening. [2]
De ondertekening van de No Claim-verklaring
5.4.
Partijen nemen verschillende standpunten in over de ondertekening van de No Claim-verklaring, deze zou door [eiser] op persoonlijke titel dan wel als bestuurder namens [bedrijf] zijn ondertekend. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van het laatste. De verzekering is gesloten met verzekeringnemer [bedrijf] . De verhoging van de verzekerde som zou leiden tot een wijziging van de verbintenissen tussen verzekeringnemer en verzekeraar (verhoging van verzekerde som en de premie). In dat kader heeft verzekeraar Chubb verzekeringnemer [bedrijf] gevraagd om de No Claim-verklaring te ondertekenen. De feitelijke ondertekening is uiteraard door een natuurlijke persoon geschied, in dit geval [eiser] , als bestuurder van [bedrijf] . Dat hij de verklaring niet op persoonlijke titel heeft afgelegd, blijkt ook uit het feit dat in de verklaring wordt verwezen naar ‘iedere bestuurder en commissaris’. Als het ging om een verklaring op persoonlijke titel, zou immers van iedere bestuurder of commissaris een eigen verklaring worden verlangd. Dat is niet gebeurd. De rechtbank gaat er dus van uit dat [eiser] de No Claim-verklaring namens [bedrijf] heeft afgelegd.
Geen dekking onder de verzekering in verband met de Curatorenclaim voor € 10 miljoen
5.5.
Partijen twisten over de vraag of onder de verzekering in verband met de Curatorenclaim dekking bestaat voor een verzekerd bedrag van € 10 miljoen. De rechtbank oordeelt van niet en legt hierna uit waarom. Daarbij wordt eerst ingegaan op het primaire verweer van Chubb. Vervolgens worden de (meer) subsidiaire verweren van Chubb gezamenlijk behandeld.
Het primaire verweer van Chubb
5.6.
Chubb stelt zich primair op het standpunt dat er helemaal geen dekking bestaat onder de verzekering. De Curatorenclaim vloeit namelijk voort uit omstandigheden die bekend waren voorafgaand aan het ondertekenen van de No Claim-verklaring. Het gaat allereerst om de Wereldbankclaim en daarnaast om diverse financiële omstandigheden binnen [bedrijf] die uiteindelijk tot het faillissement, en dus tot de Curatorenclaim hebben geleid. [eiser] had die omstandigheden namens [bedrijf] moeten melden, maar heeft dat niet gedaan. Daarmee is de Curatorenclaim op grond van de laatste zin van die verklaring (
“Alle aanspraken voortvloeiende uit bekende feiten of omstandigheden zullen worden uitgesloten van de dekking”) uitgesloten van dekking.
5.7.
[eiser] voert hiertegen terecht aan dat de ondertekening van deze No Claim-verklaring geen wijziging aanbrengt in de bestaande verbintenissen van Chubb en [bedrijf] onder de polis. Met name leidt deze No Claim-verklaring niet tot een aanvullende uitsluiting onder de bestaande polis.
5.8.
Het betoog van Chubb dat sprake is van een omgekeerde situatie als bij een ‘omstandighedenmelding’ voor aanspraken die bij het einde van de ‘claims made’-periode nog niet zijn gemaakt, kan niet worden gevolgd. Artikel 11.2 van de DO-98A voorwaarden kent immers uitdrukkelijk de mogelijkheid om een omstandighedenmelding te doen en om ‘nadekking’ te krijgen. De DO-98A voorwaarden bevatten geen bepaling die dekking
binnende ‘claims made’-periode uitsluit wanneer een dergelijke omstandighedenmelding niet wordt gedaan. Een dergelijk beding kan niet enkel alleen op basis van de No Claim-verklaring worden aangenomen.
5.9.
Ook volgt de rechtbank niet het betoog van Chubb dat de aanvullende uitsluiting in de No Claim-verklaring het regime en de bedoeling van de wetgever volgt. De wetgever heeft in artikel 7:941 BW Pro immers juist bepaald dat het niet voldoen aan de mededelingsplicht tijdens de looptijd van de verzekering slechts tot verval van recht leidt indien de verzekeraar dat uitdrukkelijk heeft bedongen en indien hij door het schenden van de mededelingsplicht in een redelijk belang is geschaad. Aan die vereisten wordt in dit geval niet voldaan. De enkele mededeling in de No Claim-verklaring is onvoldoende, omdat in artikel 17 van Pro de DO-98A staat dat wijzigingen van de verzekering alleen van kracht zijn indien deze zijn aangetekend in een aanhangsel.
5.10.
Het primaire verweer slaagt dus niet.
De (meer) subsidiaire verweren van Chubb
5.11.
Chubb stelt subsidiair dat op 4 oktober 2013 een nieuwe verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen en dat [eiser] – namens [bedrijf] – de in artikel 7:928 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) omschreven mededelingsplicht heeft geschonden door een onjuiste No Claim-verklaring af te leggen, omdat hij daarbij niet de Slotervaartclaim en het op dat moment lopende strafrechtelijk onderzoek in verband met de Wereldbankclaim aan Chubb heeft gemeld. Chubb stelt meer subsidiair dat voor zover op 4 oktober 2013 geen nieuwe verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen, de onderhavige situatie op één lijn moet worden gesteld met het aangaan van een nieuwe verzekeringsovereenkomst, zodat de artikelen 7:928 tot en met 7:931 BW naar analogie van toepassing zijn. Als Chubb had geweten van de Slotervaartclaim en de Wereldbankclaim, had zij de verzekerde som niet verhoogd. Zij heeft dit conform artikel 7:929 lid 1 BW Pro binnen twee maanden na de melding van de Slotervaartclaim en de Wereldbankclaim aan [bedrijf] en [eiser] laten weten. Dat betekent dat de dekking beperkt blijft tot de tot dan toe geldende verzekerde som van € 2,5 miljoen.
5.12.
[eiser] is het daar niet mee eens. Volgens hem is op 4 oktober 2013 geen nieuwe verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen, maar is de bestaande verzekering slechts gewijzigd door middel van de verhoging van de verzekerde som. Die situatie kan niet op één lijn kan worden gesteld met het aangaan van een nieuwe verzekeringsovereenkomst. Dit alles brengt volgens [eiser] mee dat de artikelen 7:928 tot en met 7:931 BW hier niet van toepassing zijn. Als die artikelen wel van toepassing zijn, voert [eiser] aan dat Chubb niet heeft voldaan aan artikel 7:929 lid 1 BW Pro. De brief van 3 juli 2015 was wel binnen de in dat artikel genoemde termijn, maar daarin staat niet dat Chubb de verzekerde som bij kennis van de ware stand van zaken niet zou hebben verhoogd. [eiser] betwist ook dat Chubb de verzekerde som niet zou hebben verhoogd als zij op de hoogte was geweest van de Slotervaartclaim en de Wereldbankclaim.
5.13.
De rechtbank overweegt als volgt.
5.14.
Voorop staat dat voorafgaand aan de verhoging van de verzekerde som per 4 oktober 2013 kennelijk vijf jaar lang geen gebruik is gemaakt van de verzekering. Per die datum werd de oorspronkelijke verzekerde som van € 2,5 miljoen op verzoek van [bedrijf] substantieel verhoogd (verviervoudigd) met een bedrag van € 7,5 miljoen tot € 10 miljoen. Chubb heeft in haar e-mail van 18 januari 2013 (zie hiervoor 3.6) toegelicht dat voordat de verzekerde som kon worden verhoogd, een No Claim-verklaring moest worden afgelegd.
5.15.
In de No Claim-verklaring staat dat [bedrijf] niet bekend is met, kort gezegd, aanspraken jegens de (voormalige) bestuurders en commissarissen van [bedrijf] of met omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot aanspraken jegens de (voormalige) bestuurders en commissarissen van [bedrijf] . Verder staat in de No Claim-verklaring dat alle aanspraken voortvloeiende uit bekende feiten of omstandigheden zullen worden uitgesloten van dekking (zie hiervoor 3.14).
5.16.
Wanneer de omvang van de verhoging van de verzekerde som, de e-mail van 18 januari 2013 en de tekst van de No Claim-verklaring in hun onderlinge samenhang worden bezien, had [bedrijf] redelijkerwijs moeten begrijpen dat het voor Chubb als verzekeraar niet vanzelfsprekend was om tot een verhoging van de verzekerde som over te gaan en dat [bedrijf] aan Chubb alle feiten moest melden die zij kende of behoorde te kennen en waarvan, naar [bedrijf] wist of behoorde te begrijpen, de beslissing van Chubb tot verhoging van de verzekerde som kon afhangen. Met Chubb is de rechtbank namelijk van oordeel dat een No Claim-verklaring er vooral toe dient de verzekeraar in staat te stellen een (nieuwe) risicobeoordeling te maken van een verzekeringsaanvraag. Een situatie zoals hier aan de orde, waarbij het gaat om een substantiële verhoging van de verzekerde som, waartoe Chubb in de No Claim-verklaring vragen heeft gesteld, moet naar het oordeel van de rechtbank op één lijn worden gesteld met de situatie dat een nieuwe verzekeringsovereenkomst wordt aangegaan. Dit alles brengt mee dat de artikelen 7:928 tot en met 7:931 BW hier naar analogie van toepassing zijn.
5.17.
Dan is de vraag of [bedrijf] de in artikel 7:928 BW Pro omschreven mededelingsplicht heeft geschonden. Daarin staat dat de verzekeringnemer verplicht is vóór het sluiten van de overeenkomst aan de verzekeraar alle feiten mede te delen die hij kent of behoort te kennen, en waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of, en zo ja, op welke voorwaarden, hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen.
5.18.
De rechtbank is van oordeel dat [bedrijf] deze mededelingsplicht heeft geschonden. Voorop staat dat toen [eiser] op 4 oktober 2013 de No Claim-verklaring aflegde, de Slotervaartclaim tegen hem al liep (zie hiervoor 3.8). Sterker nog, een week daarvoor – op 26 september 2013 – had inzake de Slotervaartclaim een zitting bij de rechtbank Midden-Nederland plaatsgevonden (zie hiervoor 3.9). Ook liep op 4 oktober 2013 een strafrechtelijk onderzoek in verband met de Wereldbankclaim (zie hiervoor 3.11). [eiser] , en dus [bedrijf] , was bekend met dat onderzoek, nu hij slechts twee maanden eerder, op 4 juli 2013, was geconfronteerd met de doorzoeking. Naar het oordeel van de rechtbank had [eiser] – op het moment dat hij namens [bedrijf] de No Claim-verklaring ondertekende – moeten begrijpen dat de feiten rondom de Slotervaartclaim en het lopende strafrechtelijk onderzoek in verband met de Wereldbankclaim, voor Chubb van belang zouden kunnen zijn voor haar beslissing om de verzekerde som al dan niet te verhogen. De rechtbank neemt in dit verband nog in aanmerking dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling zelf heeft verklaard dat – in de 25 jaar dat hij [bedrijf] heeft bestuurd – [bedrijf] en hij nooit geconfronteerd zijn geweest met claims, afgezien van de Slotervaartclaim en de Wereldbankclaim. Toen er in een jaar een civiele claim én een strafrechtelijk onderzoek tegelijk liepen, was dus sprake van een uitzonderlijke situatie. Tegen deze achtergrond had [eiser] moeten begrijpen dat de Slotervaartclaim en het strafrechtelijk onderzoek in verband met de Wereldbankclaim voor Chubb relevant konden zijn bij de beoordeling van de verhoging van de verzekerde som. [eiser] heeft die omstandigheden echter niet gemeld. Daarmee heeft [bedrijf] haar mededelingsplicht geschonden.
5.19.
De verzekeraar die ontdekt dat de in artikel 7:928 BW Pro omschreven mededelingsplicht is geschonden, kan de gevolgen daarvan slechts inroepen indien hij de verzekeringnemer binnen twee maanden na ontdekking op de niet-nakoming wijst onder vermelding van de mogelijke gevolgen (artikel 7:929 lid 1 BW Pro). Chubb heeft aan dit vereiste voldaan met haar brief van 3 juli 2015 (zie hiervoor 3.22). Daarin heeft Chubb letterlijk geschreven dat zij de verzekerde som niet zou hebben verhoogd bij kennis van de ware stand van zaken. In de brief staat namelijk:
“Ingevolge de bewuste misleiding van Chubb is elke aanspraak jegens verzekerde van ná 4 oktober 2013 niet verzekerd voor meer dan EUR 2,5 miljoen omdat Chubb bij kennis van de ware stand van zaken geen verhoging van de verzekerde som zou zijn overeengekomen.”
Anders dan [eiser] doet voorkomen, heeft Chubb hiermee tijdig een beroep gedaan op artikel 7:930 lid 4 BW Pro.
5.20.
In artikel 7:930 lid 4 BW Pro staat dat geen uitkering verschuldigd is indien de verzekeraar bij kennis van de ware stand van zaken geen verzekering zou hebben gesloten. Het gaat er dan om of Chubb als redelijk handelend verzekeraar bij bekendheid van de ware stand van zaken de verzekerde som zou hebben verhoogd. De stelplicht rust op Chubb.
5.21.
Chubb stelt dat zij bij kennis van de ware stand van zaken de verzekerde som niet zou hebben verhoogd. Zij zou om te beginnen het procesdossier van de Slotervaartclaim hebben opgevraagd. Volgens Chubb hadden de niet medegedeelde feiten – waaronder de Slotervaartclaim – direct betrekking op de moraliteit van de verzekeringnemer ( [bedrijf] ) en haar bestuurder ( [eiser] ), maar zouden die vooral de exposure van Chubb als verzekeraar zodanig hebben verhoogd, dat acceptatie van die verhoging van de verzekerde som – niet alleen voor haar, maar voor iedere verzekeraar – onverantwoord was geweest.
5.22.
[eiser] betwist dit. Hij heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat als hij de Slotervaartclaim voorafgaand aan de verhoging van de verzekerde som aan Chubb had gemeld, de Slotervaartclaim zou zijn gedekt voor € 2,5 miljoen en dat toekomstige risico’s op meer of andere dekking voor de Slotervaartclaim niet bestonden. Het valt niet redelijkerwijs te verwachten dat een medewerker van een verzekeraar zou zijn overgegaan tot bestudering van een omvangrijk procesdossier. Als wel van uitgebreide bestudering van het procesdossier inzake de Slotervaartclaim sprake zou zijn geweest, is het de vraag of een redelijk handelend verzekeraar in dat geval tot de conclusie zou zijn gekomen dat sprake zou zijn van een tekortschietende moraliteit van [eiser] . In dat verband heeft [eiser] toegelicht dat de Slotervaartclaim een geschil tussen het Slotervaartziekenhuis en [bedrijf] betrof over de (terug)betaling van facturen en dat niet te verwachten viel dat hiervan enig risico op substantiële uitkering uit hoofde van de verzekering zou uitgaan. Volgens [eiser] viel ook niet te verwachten dat hij inzake de Slotervaartclaim in privé zou worden veroordeeld. [eiser] heeft zich verder op het standpunt gesteld dat als de Slotervaartclaim wel aan Chubb zou zijn gemeld, mag worden aangenomen dat voor Chubb het feit dat in principe geen risico op dekking bestond voldoende was. Aldus steeds [eiser] .
5.23.
Alle argumenten die [eiser] aanvoert ter onderbouwing van zijn betwisting zien op de Slotervaartclaim. Hij gaat daarbij niet in op het feit dat er ook een strafrechtelijk onderzoek naar [bedrijf] liep. De rechtbank acht het standpunt van Chubb alleszins begrijpelijk dat in het geval – zoals hier aan de orde – dat reeds vijf jaar lang een verzekering bestaat met een verzekerde som van € 2,5 miljoen, waarop nog niet is geclaimd, en, op het moment dat er een verhoging van die som wordt gevraagd, zowel een claim als een strafrechtelijk onderzoek tegen de vennootschap ( [bedrijf] ) loopt – waarbij op dat moment nog ongewis is of die claim en dat onderzoek ook voor de bestuurder ( [eiser] ) consequenties hebben – een redelijk handelend verzekeraar niet genegen is om akkoord te gaan met die verhoging.
5.24.
[eiser] heeft tot slot gewezen op het feitelijk handelen van Chubb na de melding van de Slotervaartclaim in mei 2015. Chubb heeft de Slotervaartclaim in behandeling genomen en vervolgens voor de in dat kader gemaakte verweerkosten dekking heeft verleend. Verder heeft Chubb na de melding van de Slotervaartclaim de verzekering niet opgezegd, maar alleen de verhoging van de verzekerde som opgezegd. Deze gang van zaken verhoudt zich niet met de stelling van Chubb dat zij bij kennis van de ware stand van zaken de verzekerde som niet zou hebben verhoogd. Aldus steeds [eiser] .
5.25.
Het feitelijk handelen van Chubb na de melding in mei 2015, leidt niet tot een ander oordeel. Chubb heeft namelijk onbetwist toegelicht dat zij de Slotervaartclaim op dat moment wel in behandeling
moestnemen, omdat de onderhavige verzekering een zogenoemde ‘claims made’-verzekering was en de Slotervaartclaim al bij [eiser] (en [bedrijf] ) was ingediend gedurende de looptijd van de oorspronkelijke verzekering (vóór de aanvraag van de verhoging van de verzekerde som). Voor de Slotervaartclaim bestond dus sowieso dekking onder de verzekering, dat wil zeggen, tot € 2,5 miljoen. In zoverre zegt de omstandigheid dat Chubb de Slotervaartclaim in 2015 in behandeling heeft genomen en daarvoor dekking heeft verleend, niets over de vraag of zij – bij kennis van de Slotervaartclaim – in 2013 de verzekerde som zou hebben verhoogd.
Conclusie
5.26.
De conclusie is dat het beroep van Chubb op artikel 7:930 lid 4 BW Pro slaagt. Dit betekent dat onder de verzekering in verband met de Curatorenclaim geen dekking bestaat voor een verzekerd bedrag van € 10 miljoen. De vorderingen van [eiser] worden dan ook afgewezen. Gezien dit oordeel komt de rechtbank niet meer toe aan een bespreking van wat partijen verder nog hebben aangevoerd.
Proceskosten
5.27.
[eiser] krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van Chubb betalen. De proceskosten van Chubb worden begroot op:
- griffierecht: € 6.861,00
- salaris advocaat: € 8,714,00 (2,0 punten x tarief VIII: € 4.357,00)
- nakosten:
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- totaal: € 15.753,00
5.28.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals hierna is vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
5.29.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordeling ook moet worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Chubb, begroot op € 15.753,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiser] € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,
6.3.
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.4.
verklaart de proceskostenveroordeling onder 6.2 en 6.3. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schaberg, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis-Verordening).
2.Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I-Verordening).