ECLI:NL:RBAMS:2025:10566

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
13-241212-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging zware mishandeling en veroordeling voor mishandeling en wapenbezit

Op 5 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van poging tot zware mishandeling van zijn partner en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de poging tot zware mishandeling, omdat er onvoldoende bewijs was dat hij opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank oordeelde echter dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan mishandeling van zijn levensgezel door een stoel tegen haar hoofd te gooien. Dit gebeurde op 13 september 2025 in Amsterdam, waar de verdachte en het slachtoffer samenwoonden. De rechtbank concludeerde dat er geen geslaagd beroep op noodweer mogelijk was, omdat er geen sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

Daarnaast achtte de rechtbank bewezen dat de verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden had. Tijdens een fouillering werd munitie aangetroffen en in zijn nachtkastje werd een getransformeerd pistool gevonden. De verdachte ontkende te weten dat het een echt pistool was, maar de rechtbank vond zijn verklaring ongeloofwaardig. De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 129 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Ook werd een taakstraf van 80 uren opgelegd, met de mogelijkheid van vervangende hechtenis als de taakstraf niet naar behoren werd verricht. De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de ernst van de feiten, waarbij de mishandeling plaatsvond in de eigen woning en onder invloed van alcohol.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/241212-25
Datum uitspraak: 21 november 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1989,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B. Grünfeld, en van wat verdachte en zijn raadsman mr. E. Stam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich op 13 september 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan
1. poging zware mishandeling van [slachtoffer] (primair), dan wel mishandeling van zijn levensgezel (subsidiair);
2. het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III onder I, te weten een getransformeerd pistool en/of munitie;
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair ten laste gelegde poging zware mishandeling, omdat er geen informatie in het dossier zit over het soort stoel dat verdachte heeft gegooid en van welk materiaal die was gemaakt. Daarom kan niet worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. De onder 1 subsidiair ten laste gelegde mishandeling van zijn levenspartner en het onder 2 ten laste gelegde wapenbezit kan wel worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Verdachte komt ten aanzien van feit 1 een geslaagd beroep op noodweer toe. Daarom dient er ten aanzien van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling ontslag van alle rechtsvervolging te volgen en bij bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde mishandeling vrijspraak. Mocht de rechtbank toch het beroep op noodweer verwerpen, dan dient verdachte alsnog te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, omdat de opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt. Ten aanzien van feit 2 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak poging zware mishandeling (feit 1 primair)
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] . Aan het beroep op noodweer komt de rechtbank daarom ten aanzien van dit feit niet toe.
3.3.2.
Mishandeling levensgezel (feit 1 subsidiair)
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. Uit het dossier en de verklaring van verdachte blijkt immers dat verdachte een stoel tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft gegooid. Ook is gebleken dat zij al circa 1,5 jaar een affectieve relatie hebben en ook samenwonen, waardoor [slachtoffer] kan worden aangemerkt als de levensgezel van verdachte.
Naar oordeel van de rechtbank komt verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toe, omdat uit het dossier, anders dan de verklaring van verdachte, niet blijkt dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Voor zover er al sprake is geweest van het gooien met glazen naar verdachte, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij zich niet op andere wijze aan de situatie kon onttrekken dan door het gooien met een stoel tegen het hoofd van [slachtoffer] , bijvoorbeeld door weg te lopen.
3.3.3.
Voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie (feit 2)
De rechtbank acht bewezen dat verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad. Uit het dossier blijkt dat er tijdens de fouillering van verdachte munitie wordt aangetroffen en in zijn nachtkastje een getransformeerd pistool. Uit vervolgonderzoek is gebleken dat dit een wapen en munitie betreft van categorie III onder I als bedoeld in de Wet wapens en munitie. De munitie bleek ook geschikt voor het aangetroffen wapen. Verdachte heeft op de zitting ontkend dat hij wist dat het een echt pistool betrof. Hij heeft aangegeven dat hij het wapen heeft gekregen van een vriend, die hij er met oud en nieuw nog balletjes mee heeft zien verschieten. De kogels had hij om een ketting van te maken. De rechtbank schuift deze verklaring van verdachte als ongeloofwaardig terzijde. Bovendien doet een en ander niet af aan de strafbaarheid van het feit.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
Feit 1 subsidiair
op 13 september 2025 te Amsterdam [slachtoffer] heeft mishandeld, door een stoel tegen het hoofd van die [slachtoffer] te gooien, terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn levensgezel;
Feit 2
op 13 september 2025 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een getransformeerd pistool, van het merk Blow, type TR 34, kaliber 9x17mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten 2 patronen, kaliber 9x17mm, voorhanden heeft gehad;
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem onder 1 subsidiair en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 129 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 120 uren gevorderd, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij bewezenverklaring rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en te kiezen voor een straf waarbij geen hogere gevangenisstraf wordt opgelegd dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft gezeten.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn levensgezel door een stoel tegen haar hoofd te gooien. De mishandeling vond plaats in de eigen woning van verdachte en het slachtoffer. Onder invloed van alcohol is de situatie helemaal uit de hand gelopen. Met de mishandeling heeft verdachte niet alleen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden, maar dat ook nog eens gedaan op een plek en binnen een relatie die bij uitstek veilig zouden moeten zijn.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en veroorzaakt een gevoel van onveiligheid in de maatschappij. Door te handelen zoals verdachte heeft gedaan, heeft hij daaraan bijgedragen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 11 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven. Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 20 november 2025. De reclassering merkt de relatie met de partner van verdachte en middelengebruik aan als direct delict gerelateerde risicofactoren. Er zijn signalen dat de relatie niet altijd even stabiel is, wat zich uit in ruzies die op momenten dat er alcohol wordt gedronken kunnen escaleren. Het feit dat dit thuis is gebeurd terwijl het kind van verdachte boven lag te slapen, vindt de reclassering zorgelijk. De reclassering adviseert daarom bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden aan verdachte op te leggen, te weten: een meldplicht bij reclassering, een gedragsinterventie middelengebruik en een ambulante behandeling.
Straf
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) vastgestelde oriëntatiepunten, ofwel de afspraken die gerechten onderling maken over gelijke bestraffing van soortgelijke zaken. Deze gaan bij het bezit van een pistool in een woning uit van een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden en voor het bezit van een dergelijke hoeveelheid munitie van een geldboete van tussen de € 150,- en de € 300,-. Voor mishandeling waarbij er sprake is van huiselijk geweld, hetgeen de rechtbank in de onderhavige zaak het geval acht, wordt er in beginsel geen geldboete opgelegd. Daarbij zijn de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd als uitgangspunt genomen. Alles afwegende veroordeelt de rechtbank verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 129 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Zij verbindt daaraan de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering in het rapport van 20 november 2025 geadviseerd. Met de reclassering kan verdachte werken aan zijn delictgedrag, zodat hij in de toekomst andere keuzes zal maken. Het voorwaardelijke deel dient ook als stok achter de deur om niet opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast veroordeelt zij verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 uren.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55, 57, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder
1 primair ten laste gelegdeniet bewezen en
spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart
bewezendat verdachte het onder
1 subsidiair en 2 ten laste gelegdeheeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 4is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 primair
mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn levensgezel
Feit 2
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[de verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
129 (honderdnegenentwintig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
90 (negentig) dagen, van deze gevangenisstraf
niet ten uitvoerzal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvoor de duur van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. Meldplicht bij reclassering (na afspraak)
Veroordeelde meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak.

2.Gedragsinterventie middelengebruik

Veroordeelde neemt actief deel aan de gedragsinterventie Leefstijl 24/7 of een andere gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider.

3.Ambulante behandeling

Veroordeelde laat zich behandelen door De Waag of Jellinek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra er een behandelplek beschikbaar is. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Algemene voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Nu verdachte het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf al in voorarrest heeft doorgebracht, komt hij niet in aanmerking voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, en is de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10
van het Wetboek van Strafvordering, niet aan de orde.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
80 (tachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 45 (vijfenveertig) dagen.
Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.F. Bögemann, voorzitter,
mrs. D. Bode en B.C. Langendoen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.V. Koppelman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank 5 december 2025.
[--]
[--]

[--]

[--]

[--]

[--]