ECLI:NL:RBAMS:2025:10564

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
13-215303-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor afpersing en mishandeling van politieambtenaar met verminderd toerekeningsvatbare verdachte

Op 5 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 14 juli 2025 in Amsterdam een medewerker van de Coffee Company heeft afgeperst en een politieambtenaar heeft mishandeld. De verdachte, geboren in 1988 en gediagnosticeerd met een schizofrene stoornis, is verminderd toerekeningsvatbaar verklaard. Tijdens de zitting op 21 november 2025 heeft de officier van justitie, mr. M.S. Bond, de vordering ingediend, terwijl de verdediging, vertegenwoordigd door mr. R.A. Dayala, pleitte voor vrijspraak. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte de afpersing heeft gepleegd door met een hamer de medewerker van de Coffee Company te bedreigen en dat zij de politieambtenaar heeft mishandeld door hem te bijten en te krabben. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 175 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder opname in een zorginstelling. De rechtbank heeft ook schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelde partijen, waarbij de vordering van de eerste benadeelde partij is afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing, terwijl de vordering van de tweede benadeelde partij is toegewezen voor een bedrag van €350,-.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/215303-25
Datum uitspraak: 5 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres 1] ,
nu gedetineerd in: [detentieadres]
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Bond, en van wat verdachte en haar raadsman, mr. R.A. Dayala, naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] .
Gelijktijdig met de strafzaak is op de terechtzitting behandeld het verzoek van de officier van justitie strekkende tot het verlenen van een zorgmachtiging ex artikel 2.3 van de Wet forensische zorg (Wfz) met rekestnumrner 25/7645, waarbij verdachte is bijgestaan door haar raadsvrouw mr. N. Bevelander. In dat kader heeft de rechtbank op de terechtzitting de deskundigen C.A. van Slooten, psychiater en [persoon] , arts in opleiding tot psychiater gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich op 14 juli 2025 in Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan
1. afpersing van [benadeelde partij 1] ;
2. mishandeling van politieambtenaar [benadeelde partij 2] ;
3. bedreiging van politieambtenaar [benadeelde partij 2] ;
4. belediging van politieambtenaar [benadeelde partij 2] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van alle feiten dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de afpersing (feit 1) ontbreekt steunbewijs en bij de mishandeling (feit 2), bedreiging (feit 3) en belediging (feit 4) handelde verdachte in reactie op grensoverschrijdend gedrag van verbalisanten.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van [benadeelde partij 1] (feit 1). Uit de aangifte blijkt dat verdachte, terwijl zij een hamer vasthield en op een meter afstand van [benadeelde partij 1] stond, tegen [benadeelde partij 1] heeft gezegd: “Wil jij vechten of wil je mij die koffie geven?" Dit heeft voor een dreigende situatie gezorgd, waardoor [benadeelde partij 1] zich genoodzaakt voelde om de koffie af te geven. Zo heeft zij aangegeven dat zij door de bedreiging paniek voelde, doodsbang was en direct de koffie die nog klaarstond aan verdachte gaf om te voorkomen dat zij met de hamer zou worden mishandeld.
De aangifte wordt ondersteund door de eigen verklaring van verdachte die zij diezelfde dag bij de politie heeft afgelegd.
Ook acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling (feit 2), bedreiging (feit 3) en belediging (feit 4) van politieambtenaar [benadeelde partij 2] . Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de politie en de aangifte van [benadeelde partij 2] is de politie naar aanleiding van de afpersing met de hamer van [benadeelde partij 1] ter plaatse gekomen. De politie heeft verdachte met de hamer voor de Coffee Company aangetroffen. Verdachte is tegenover politieagent [benadeelde partij 2] en andere politiemedewerkers gaan staan met de hamer en heeft geroepen “Willen jullie vechten, kom dan?” Verdachte kwam daarbij met de hamer in haar hand omhoog terwijl de afstand tussen haar en [benadeelde partij 1] beperkt was. Gezien de manier waarop zij dit deed, voelde [benadeelde partij 1] zich hierdoor bedreigd. De rechtbank is ook van oordeel dat door deze handelingen van verdachte bij [benadeelde partij 2] de vrees kon ontstaan dat zij de bedreiging daadwerkelijk ten uitvoer zou leggen. Uiteindelijk heeft verdachte de hamer neergelegd en heeft [benadeelde partij 2] haar bij haar bovenarm gepakt. In reactie hierop heeft verdachte [benadeelde partij 2] in zijn bovenarm gebeten en hem gekrabd. Hier heeft [benadeelde partij 2] pijn en lichte verwondingen aan overgehouden. Toen [benadeelde partij 2] en zijn collega’s verdachte vervolgens naar de grond werkten, heeft zij hen uitgescholden door “Kankerlijers, kanker homo’s, racisten, jullie moeten dood” naar ze te roepen. [benadeelde partij 2] heeft zich hierdoor in zijn eer en goede naam aangetast gevoeld. Anders dan de verdediging beweert ziet de rechtbank geen aanwijzingen voor enig grensoverschrijdend gedrag van de politieagenten die de handelingen van verdachte zouden rechtvaardigen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in
bijlage IIbewezen dat verdachte
Feit 1
op 14 juli 2025 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld een
medewerker van de Coffee Company , te weten [benadeelde partij 1] , heeft gedwongen
tot de afgifte van een koffie, toebehorende
aan de Coffee Company gelegen aan de [adres 2] door
- die [benadeelde partij 1] een hamer te tonen en
- op een dreigende toon tegen die [benadeelde partij 1] te zeggen ‘Wil jij vechten of wil je mij die koffie geven?’;
Feit 2
op 14 juli 2025 te Amsterdam, [benadeelde partij 2] heeft mishandeld, door
die [benadeelde partij 2] in zijn arm te bijten en te krabben, terwijl het misdrijf werd gepleegd
tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn
bediening;
Feit 3
op 14 juli 2025 te Amsterdam, [benadeelde partij 2] heeft bedreigd met enig
misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen
en/of goederen en/of algemeen gevaar voor de verlening van diensten
ontstond door
- die [benadeelde partij 2] een hamer te tonen en
- vervolgens op een dreigende toon tegen die [benadeelde partij 2] te zeggen ‘Willen jullie
vechten, kom vechten dan!’
, terwijl dit feit werd gepleegd tegen die [benadeelde partij 2] in diens hoedanigheid
van ambtenaar van de politie;
Feit 4
op 14 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 2] , politieambtenaar, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening
van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem
de woorden toe te voegen:
- ‘ kankerlijers’ en
- ‘ kankerhomo’s en
- ‘ racisten, jullie moeten dood’.
Voor zover in het bewezenverklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezenverklaarde feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

6.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte hooguit verminderd toerekeningsvatbaar kan worden verklaard, aangezien een deskundigenadvies over de toerekenbaarheid van verdachte ontbreekt.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ontoerekeningsvatbaar moet worden verklaard voor alle ten laste gelegde feiten. Uit het dossier volgt dat verdachte ten tijde van de ten laste gelegde gedragingen niet in staat was bewuste keuzes te maken. Daarom dient er ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Hoewel de rechtbank ziet dat verdachte in een verwarde toestand verkeerde en gelet
op het verzoek om een zorgmachtiging ook ambtshalve kennis heeft kunnen nemen
van de medische verklaringen in dat dossier, zal zij haar niet volledig ontoerekeningsvatbaar verklaren. Dat sprake zou zijn van volledige ontoerekeningsvatbaarheid volgt niet uit het pro Justitia consult en de rapporten van de reclassering. Wel volgt uit het pro Justitia consult dat verdachte na haar aanhouding psychotisch ontregeld was en dat de psychiater niet uitsluit dat dit tijdens het ten laste gelegde ook het geval was. Gelet op de situatie van verdachte, zoals is gebleken vlak na haar aanhouding, ziet de rechtbank aanleiding om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. Dit leidt er niet toe dat verdachte niet strafbaar is, maar de rechtbank zal dit wel in strafmatigende zin meewegen.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 tot en met 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 175 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden.
De officier van justitie heeft in voornoemd rekest dat tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) voor de duur van zes maanden gevorderd.
7.2.
Standpunt van de verdediging
Mocht de rechtbank tot een veroordeling komen, dan verzoekt de raadsman meer subsidiair om aan verdachte een straf overeenkomstig het voorarrest op te leggen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte in de zaak met voornoemd rekest,
dat tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op
grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) is verleend.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing van een medewerkster van de Coffee Company . Afpersing is een ernstig feit en uit de verklaring van [benadeelde partij 1] blijkt dat zij erg bang is geweest. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling, bedreiging en belediging van een politieambtenaar. Politieambtenaren verrichten in onze samenleving een belangrijke publieke taak die moet worden gerespecteerd. Door zo te handelen tegen politieambtenaren tijdens het uitoefenen van hun werkzaamheden heeft verdachte getoond geen respect te hebben voor het openbaar gezag. De rechtbank rekent dat verdachte aan.
Persoon van verdachte en deskundigenrapporten
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 18 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte langer dan vijf jaar geleden voor vermogensdelicten is veroordeeld.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het pro Justitia consult van de NIFP-deskundige O.M. Den Held van 11 augustus 2025 en het reclasseringsadvies van 12 november 2025. Hieruit blijkt de rechtbank – kort samengevat – het volgende.
Verdachte kampt met ernstige psychiatrische problematiek, is gediagnosticeerd met schizofrenie en eerder gedwongen opgenomen geweest. De psychiater heeft met verdachte gesproken aan de celdeur van de wachtcel en zij maakte op de hem een verwarde indruk. Ook werd verdachte onverwachts fysiek agressief, waarbij zij hard tegen de celdeur trapte. De psychiater komt met de werkhypothese psychotische ontregeling.
Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte iedere vorm van hulp afweert en medicatie weigert. Intensieve zorg en begeleiding is volgens de reclassering nodig om recidive te voorkomen. Enkel als verdachte stabiliseert middels een zorgmachtiging waarin opname en medicatie-inname worden opgelegd, adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij reclassering, opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling (met mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname bij verslechtering van het toestandsbeeld) en begeleid wonen of maatschappelijke opvang.
Verminderde toerekeningsvatbaarheid
Gebleken is dat verdachte is gediagnosticeerd met schizofrenie en dat er ten tijde van het ten laste gelegde mogelijk sprake was van een psychotische ontregeling. De gedragsdeskundigen hebben geen advies gegeven over de doorwerking van deze stoornissen in het ten laste gelegde. Gezien de aard en de ernst van de vastgestelde schizofrene stoornis en de vermoedelijke doorwerking van de psychotische ontregeling in het ten laste gelegde, acht de rechtbank het aannemelijk dat deze ook een rol hebben gespeeld in het tenlastegelegde. De rechtbank rekent verdachte het bewezenverklaarde dus niet volledig toe, maar in een verminderde mate.
Straf
De rechtbank acht, al het bovenstaande afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 175 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 30 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Aan deze proeftijd zal de rechtbank naast de algemene voorwaarden de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd.
De rechtbank zal het bevel tot voorlopige hechtenis opheffen. Het is in het belang van verdachte om de verplichte zorg die verdachte zal ondergaan in het kader van de
verleende zorgmachtiging te laten aansluiten op haar verblijf in [detentieadres] Omdat de verleende zorgmachtiging bij voorraad uitvoerbaar is, heft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis op vanaf het moment dat verdachte in een kliniek wordt geplaatst.

8.Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp in beslag genomen:
- 1 STK Hamer (Omschrijving: PL1300-2025174878-G6682877, Zilverkleurig).
Verbeurdverklaring
De hamer behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het onder 1 en 3 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurdverklaard.

9.Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 780,- (zevenhonderdtachtig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 700,- (zevenhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen voldoende zijn onderbouwd en geheel kunnen worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij een bewezenverklaring de vorderingen te matigen. De vordering van [benadeelde partij 1] is gebaseerd op psychische klachten die niet met medische stukken zijn onderbouwd en over het letsel van [benadeelde partij 2] bestaan twijfels.
9.3.
Oordeel van de rechtbank
[benadeelde partij 1]
De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk, omdat onvoldoende is onderbouwd dat benadeelde op andere wijze in haar persoon is aangetast. Niet aangetoond is dat de benadeelde psychisch letsel heeft overgehouden aan het ten laste gelegde; daarvoor is enkel een verklaring van de huisarts onvoldoende. Dat de normschending dusdanig is dat daardoor het zo voor de hand ligt dat er sprake is van psychisch letsel kan de rechtbank ook niet vaststellen. Daarmee ontbreekt de grondslag voor het recht op schadevergoeding.
[benadeelde partij 2]
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Hij heeft op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien hij ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. Ter onderbouwing hiervan heeft hij voldoende concrete en objectieve gegevens aangevoerd. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, wijst de rechtbank de gevorderde immateriële schadevergoeding toe voor een lager bedrag en begroot zij deze naar billijkheid op € 350,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juli 2025. De rechtbank wijst het overige deel van deze vordering af.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel op, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht. De rechtbank waardeert deze schade op een bedrag van € 350,-.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36f, 57, 266, 267, 285, 300, 304 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart
bewezendat verdachte het
onder 1 tot en met 4 ten laste gelegdeheeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
afpersing
Feit 2
mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
Feit 3
bedreiging met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of algemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, gepleegd tegen een persoon in diens hoedanigheid als ambtenaar van de politie
Feit 4
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
175 (honderdvijfenzeventig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
30 (dertig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten
uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde zich gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres [adres 3] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo
vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

2.Opname in een zorginstelling

Veroordeelde laat zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
De opname start zodra er plek is. De opname duurt zes maanden of zoveel korter als
de reclassering nodig vindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen
van medicijnen vallen en de controle daarop als de zorginstelling dat nodig vindt.
Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
3. Ambulante behandeling (met mogelijkheid tot kortdurende klinische opname bij verslechtering toestandsbeeld)
Veroordeelde laat zich (aansluitend aan de klinische opname) behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
Bij middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie en/of stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie vanwege verslechtering van het toestandsbeeld een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Ook daar zal veroordeelde zich weer houden aan de huisregels en aanwijzingen voor behandeling, waaronder het innemen van medicijnen als de zorginstelling dat nodig vindt.

4.Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

Veroordeelde verblijft in een nader te bepalen instelling of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.
Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in
overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de
veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Algemene voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14e, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Nu verdachte het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf reeds
in voorarrest heeft doorgebracht, komt zij niet in aanmerking voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet,
en is de regeling van voorwaardelijke invrijheidstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10
van het Wetboek van Strafvordering, niet aan de orde.
Beslag
Verklaart verbeurd:
- 1 STK Hamer (Omschrijving: PL1300-2025174878-G6682877, Zilverkleurig).
Benadeelde partij [benadeelde partij 1]
Verklaart de benadeelde partij
niet-ontvankelijkin haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Benadeelde partij [benadeelde partij 2]
Wijstde vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
toetot een bedrag van
€ 350,- (driehonderdvijftig euro)aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Wijst de vordering voor het overige af.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 350,- (driehonderd vijftig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (14 juli 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 7 (zeven) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft ophet bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop verdachte in het kader van de zorgmachtiging kan worden geplaatst in een kliniek. Dit vonnis is gewezen door
mr. L.F. Bögemann, voorzitter,
mrs. D. Bode en B.C. Langendoen rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.V. Koppelman, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 december 2025.
[…]
[…]

[…]

[…]

[…]

[…]