Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:10515

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
11840418 WM VERZ 25-13240
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenBesluit proceskosten bestuursrechtArt. 13a lid 2 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond verklaard tegen administratieve sanctie wegens onjuiste gordelgebruik passagier jonger dan 12 jaar

Betrokkene werd een administratieve sanctie opgelegd wegens het vervoeren van een passagier jonger dan 12 jaar waarbij de werking van de gordel of het kinderbeveiligingssysteem negatief beïnvloed zou zijn. De constatering van de verbalisant vond plaats na een uitgebreide verkeerscontrole, maar het was onduidelijk of dit tijdens het rijden gebeurde.

De gemachtigde van betrokkene voerde aan dat de dochter van betrokkene de gordel correct droeg en dat de verbalisant niet had waargenomen dat het kinderbeveiligingssysteem niet deugdelijk was bevestigd tijdens het rijden. De rechtbank oordeelde dat zonder een aanvullende verklaring van de verbalisant niet met voldoende zekerheid kon worden vastgesteld dat de overtreding tijdens het rijden had plaatsgevonden.

De rechtbank vernietigde de bestreden beslissing en de inleidende beschikking, verklaarde het beroep gegrond en kende een proceskostenvergoeding toe aan betrokkene. Tevens werd het als zekerheid betaalde bedrag aan betrokkene gerestitueerd.

De procedure omvatte een schriftelijk beroep bij de officier van justitie, een niet-ontvankelijkverklaring door verweerder, en vervolgens een beroep bij de kantonrechter. De kantonrechter oordeelde dat de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was en ging over tot inhoudelijke behandeling.

De proceskostenvergoeding werd forfaitair vastgesteld op € 307,63, rekening houdend met de aard van de zaak en wettelijke factoren.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de administratieve sanctie wegens onjuist gebruik van het kinderbeveiligingssysteem wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
kantonrechter: mr. M. van der Kaay
zaaknummer: 11840418 WM VERZ 25-13240
beslissing van: 15 december 2025
func.: 43837
Afschrift van de aantekening in het proces-verbaal van de openbare zitting van 15 december 2025 inzake het beroep ingevolge de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (verder: de Wahv) van:

[betrokkene]

[adres]
[postcode] [woonplaats]
(verder: betrokkene)
voor wie beroep is ingesteld door
mr. N.G.A. Voorbach van Verkeersboete.NL(verder: gemachtigde)
welk beroep is ingesteld bij verzoekschrift, ingekomen bij de CVOM te Utrecht op 27 juni 2024 en is gericht tegen de beslissing van 21 juni 2024 van de
officier van justitie(verder: verweerder) ten aanzien van betrokkene, geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986.

CJIB-nummer: [nummer]

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Aan betrokkene is bij beschikking van 7 mei 2024 (verder: de inleidende beschikking) een sanctie in het kader van de Wahv opgelegd. Namens betrokkene heeft gemachtigde tegen de inleidende beschikking beroep ingesteld bij verweerder. Deze heeft dat beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing heeft gemachtigde vervolgens beroep ingesteld bij de kantonrechter. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende gegevens overgelegd. Het beroep is behandeld op de openbare zitting van 15 december 2025. Partijen zijn voor deze zitting opgeroepen.
Namens gemachtigde is mr. J. Piet bij de zitting verschenen. Gemachtigde heeft op de zitting geen aanvullingen op het beroepschrift.
Ter zitting heeft verweerder gereageerd op de inhoud van het beroepschrift. Verweerder heeft geconcludeerd dat het beroep gegrond is.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Gemachtigde heeft beroep ingesteld tegen de onder voornoemd CJIB-nummer geregistreerde beslissing van verweerder.
Het tegen de beslissing van verweerder gerichte beroepschrift is tijdig ingesteld.
Verweerder heeft betrokkene kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in het beroep, omdat in het beroepschrift niet alle wettelijk vereiste gegevens staan vermeld.
4. De officier van justitie heeft gemachtigde op 14 mei 2024 schriftelijk verzocht een machtiging in te brengen, waaruit blijkt dat degene die de boete heeft ontvangen schriftelijke toestemming verleent aan gemachtigde om haar te vertegenwoordigen in de onderhavige zaak.
5. Op 5 juni 2024 heeft gemachtigde een ondertekende machtiging in het geding gebracht, maar uit deze machtiging blijkt niet dat betrokkene aan gemachtigde in de onderhavige zaak de opdracht heeft gegeven om namens haar in beroep te gaan. Er staat namelijk geen CJIB-nummer in de machtiging vermeld.
6. De kantonrechter overweegt dat in de verstrekte machtiging weliswaar niet het kenmerk of een aanduiding van de onderhavige zaak is genoemd, maar dat geen rechtsregel daartoe verplicht. Het voeren van de onderhavige procedure valt binnen de reikwijdte van de overgelegde machtiging. De officier van justitie heeft de in het geding gebrachte machtiging dus niet ontoereikend kunnen achten. De machtiging staat op naam van betrokkene en is ondertekend door betrokkene. Verweerder heeft daarbij gemachtigde ook niet in de gelegenheid gesteld dit verzuim te herstellen.
7. De kantonrechter is van oordeel dat verweerder betrokkene ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het beroep. De beslissing van verweerder wordt derhalve vernietigd, zodat wordt overgegaan tot de inhoudelijke behandeling van het beroep tegen de inleidende beschikking.

Ten aanzien van de inleidende beschikking:

8. Aan betrokkene is bij de inleidende beschikking wegens een verkeersgedraging een administratieve sanctie opgelegd ingevolge de Wahv. Betrokkene wordt verweten een passagier jonger dan 12 jaar te hebben vervoerd terwijl de werking van de gordel of het kinderbeveiligingssysteem negatief (kan) word(t)(en) beinvloed(t). Deze gedraging is geconstateerd op 26 april 2024 om 20:03 uur op [locatie] .
9. Gemachtigde voert tegen de beslissing van verweerder aan dat betrokkene ontkent
dat zij een passagier heeft vervoerd, terwijl het kinderbeveiligingssysteem niet deugdelijk was geïnstalleerd. Gedurende het vervoer heeft de dochter van betrokkene de gordel de hele tijd deugdelijk om gehad. Uit de verklaring van de verbalisant valt niet af te leiden dat betrokkene haar dochter heeft vervoerd. De verbalisant heeft het pas na een uitgebreide verkeerscontrole gecontroleerd, toen het voertuig al geruime tijd stilstond. Nimmer heeft de verbalisant waargenomen dat betrokkene haar dochter vervoerde, terwijl de gordel niet deugdelijk zou zijn bevestigd. De inleidende beschikking komt daarom voor vernietiging in aanmerking.
Gemachtigde verzoekt de kantonrechter om het beroep gegrond te verklaren en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
10. Verweerder stelt zich ter zitting op het standpunt dat uit de verklaring van de verbalisant niet blijkt dat de gedraging rijdend is waargenomen. Daarom verzoekt verweerder de kantonrechter om het beroep gegrond te verklaren.
11. Het volgende wordt overwogen.
12. De verbalisant verklaart in het zich in het dossier bevindende zaakoverzicht:
“Ik, verbalisant, zag dat de passagier op de achterbank niet op de juiste wijze in de gordel zat. De gordel zat wel in de bevestiging, alleen de romp gedeelte zat achter de rug van de passagier. Alleen de onderlichaam gedeelte van de gordel zat om de passagier”.
Betrokkene is staande gehouden en de cautie verleend. Bij de staandehouding heeft betrokkene verklaard:
“Bestuurder vond dat ze vast zaten”.
13. Gelet op het namens betrokkene gevoerde verweer dat de verbalisant de gedraging pas constateerde na een uitgebreide verkeerscontrole te hebben uitgevoerd, en uit het zaakoverzicht niet valt af te leiden wanneer de verbalisant zijn waarneming heeft gedaan, was een aanvullende verklaring van de verbalisant op dit punt op zijn plaats geweest. Bij gebreke hiervan, kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de verbalisant heeft waargenomen dat het kind tijdens het rijden geen gebruik heeft gemaakt van het in het voertuig aanwezige kinderbeveiligingssysteem. Derhalve kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De kantonrechter verklaart het beroep gelet op het voorgaande gegrond.

Ten aanzien van de proceskostenvergoeding:

14. Namens betrokkene is door gemachtigde om een vergoeding van de proceskosten verzocht. Nu de inleidende beschikking wordt vernietigd, is er aanleiding een proceskostenvergoeding toe te kennen.
15. De vergoeding van kosten is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) forfaitair per proceshandeling vastgelegd. Gemachtigde heeft de volgende vergoedbare proceshandelingen verricht:
- het indienen van een administratief beroep bij verweerder;
- het indienen van beroep bij de kantonrechter;
- en het verschijnen tijdens de zitting van de kantonrechter.
16. Volgens de bijlage bij het Bpb dient aan ieder van deze proceshandelingen 1 punt te worden toegekend. De waarde van 1 punt bedraagt met ingang van 1 januari 2025 in de fase van het bezwaar en administratief beroep € 647,00 en in de fase van het beroep en hoger beroep € 907,00.
17. Gelet op het voorgaande worden in deze zaak voor de door gemachtigde verrichte proceshandeling in de fase van het administratief beroep 1 punt ad € 647,00 toegekend en voor de verrichte proceshandelingen in de fase van het beroep bij de kantonrechter 2 punten ad € 907,00. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast, en ingevolge artikel 13a lid 2 Wahv wordt de proceskostenvergoeding vermenigvuldigd met 0,25 (vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985). Aldus zal de kantonrechter verweerder veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 307,63 ((1x647+ 2x907) x 0,5 (weging) x 0,25 (Wahv factor)).
18. Daarom wordt beslist als volg.

BESLISSING

De kantonrechter:

  • verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing, alsmede de inleidende beschikking;
  • bepaalt dat het als zekerheid betaalde bedrag aan betrokkene wordt gerestitueerd;
- kent aan betrokkene ten laste van verweerder een kostenvergoeding toe van € 307,63.
De griffier De kantonrechter
Datum verzending
Bent u het met deze beslissing niet eens, dan kunt u
binnen zes wekenna de hierboven vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen indien de als gevolg van deze beslissing te betalen administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt. Het beroepschrift dient schriftelijk (niet per e-mail) te worden ingediend bij rechtbank Amsterdam, afdeling privaatrecht, team kanton, postbus 70515, 1007 KM, Amsterdam en dient door degene die het beroep instelt of een gemachtigde te worden ondertekend. De procedure bij het gerechtshof verloopt schriftelijk,
tenzij in het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling wordt gevraagd.