ECLI:NL:RBAMS:2025:10502

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
13/165991-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf van 42 maanden voor zware mishandeling en poging tot opzetverkrachting

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 24 mei 2025 in Amsterdam een schotwond heeft toegebracht aan een slachtoffer. De verdachte, geboren in 1999 en zonder vaste woon- of verblijfplaats, is gedetineerd. Tijdens de zitting op 9 december 2025 heeft de officier van justitie, mr. R. Willemsen, gevorderd tot bewezenverklaring van de poging tot doodslag en poging tot opzetverkrachting. De verdediging, vertegenwoordigd door mr. W.J. Morra, pleitte voor vrijspraak van beide feiten. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer in haar knie heeft geschoten, wat resulteerde in zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank oordeelde dat er geen bewijs was voor voorbedachte raad of poging tot doodslag, maar dat de verdachte wel degelijk schuldig was aan zware mishandeling. Daarnaast heeft de rechtbank de poging tot opzetverkrachting bewezen verklaard, waarbij het slachtoffer gedwongen werd tot seksuele handelingen. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden, met aftrek van voorarrest, en heeft een schadevergoeding van € 14.000,- toegewezen aan het slachtoffer voor immateriële schade.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/165991-25
Datum uitspraak: 23 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [verblijfsadres] ,
hierna ook: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Willemsen, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W.J. Morra, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 24 mei 2025 te Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan
feit 1
primair (impliciet primair)poging tot moord dan wel
(impliciet subsidiair)poging tot doodslag van [slachtoffer] door met een pistool in haar knie te schieten;
subsidiairzware mishandeling van [slachtoffer] door met een pistool in haar knie te schieten;
feit 2
primairpoging tot opzetverkrachting van [slachtoffer] ;
subsidiairopzetaanranding van [slachtoffer] .
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van feit 1 dient te worden vrijgesproken van de voorbedachte raad. De officier van justitie heeft voor feit 1 gerekwireerd tot een bewezenverklaring van de poging tot doodslag en voor feit 2 tot bewezenverklaring van de poging tot opzetverkrachting.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten.
De raadsman voert aan dat de herkenning van verdachte door [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) en de getuige [getuige 1] op basis van de enkelvoudige fotoconfrontatie van het bewijs dient te worden uitgesloten, nu een dergelijke fotoconfrontatie naar zijn aard onbetrouwbaar is en de wijze waarop de foto’s aan hen zijn voorgelegd sturend en beïnvloedend is geweest. De herkenningen kunnen volgens de raadsman om die reden niet gebruikt worden voor het bewijs. Daarmee ontbreekt wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de persoon is die de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Feit 1: poging moord dan wel doodslag dan wel zware mishandeling
Op basis van het dossier staat vast dat [slachtoffer] op 24 mei 2025 een schotwond in haar been heeft opgelopen. Het incident heeft plaatsgevonden in de woning van [getuige 2] , die ten tijde van het feit niet in zijn woning aanwezig was. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld wie de schutter is geweest en, als blijkt dat verdachte de schutter is geweest, hoe dit handelen gekwalificeerd dient te worden.
Herkenning verdachte
Het dossier bevat drie herkenningen van verdachte, alle tot stand gekomen op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie. Getuige [getuige 2] heeft verdachte herkend op een foto als degene die sinds enkele weken (ongewenst) in zijn woning verbleef. Daarbij heeft hij verklaard dat verdachte, ook op 24 mei 2025 rond 12:00 uur met een blond meisje en twee jongens in zijn woning is geweest. Ook heeft [getuige 2] verklaard dat verdachte een revolver had en dat hij die op 24 mei 2025 aan [getuige 2] heeft laten zien voordat [getuige 2] de woning verliet.
Verder heeft [slachtoffer] verdachte herkend als degene die haar heeft beschoten. Tenslotte heeft getuige [getuige 1] , die op die dag samen met [slachtoffer] naar de woning van [getuige 2] is gegaan, verdachte ook herkend op een foto. [getuige 1] heeft niet gezien dat verdachte op [slachtoffer] heeft geschoten, maar hij heeft wel schoten gehoord en daarna gezien dat verdachte met een vuurwapen in zijn hand stond.
Wat betreft de betrouwbaarheid van deze herkenningen en de ‘bruikbaarheid’ daarvan voor het bewijs, stelt de rechtbank voorop dat geen rechtsregel eraan in de weg staat om een herkenning van een verdachte door een getuige op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie te gebruiken voor een bewezenverklaring. Als uitgangspunt geldt dat in beginsel terughoudend moet worden omgegaan met de waardering van een herkenning op grond van een enkelvoudige fotoconfrontatie, maar dit betekent niet dat een herkenning op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie in zijn algemeenheid dusdanig onbetrouwbaar is dat het hanteren van die methode hoe dan ook moet leiden tot uitsluiting van het daarmee verkregen bewijs.
De rechtbank acht in dit geval de herkenningen betrouwbaar en zal deze gebruiken voor het bewijs. Dit oordeel zal de rechtbank hieronder toelichten.
Ten aanzien van de herkenning door getuige [getuige 2] geldt dat [getuige 2] en verdachte elkaar reeds twee à drie weken kenden en in dezelfde woning verbleven. Zij zullen elkaar in die periode dus ook (nagenoeg) dagelijks (meermaals) hebben gezien. De rechtbank oordeelt dat [getuige 2] daardoor in een positie was dat hij in beginsel op basis van één foto betrouwbaar kon zeggen of het de persoon op de foto al dan niet de persoon betreft met wie hij een woning deelt. De wijze waarop de foto aan hem werd voorgelegd maakt dit niet anders. Naar het oordeel is de herkenning van verdachte door [getuige 2] op basis van de enkelvoudige fotoconfrontatie betrouwbaar.
Anders dan bij [getuige 2] het geval was, hebben [slachtoffer] en [getuige 1] verdachte pas op de dag van het incident voor het eerst ontmoet, maar ten aanzien van hen geldt dat zij wel een langere periode met elkaar in dezelfde ruimte hebben doorgebracht. Er is dus geen sprake van een herkenning door [slachtoffer] en [getuige 1] naar aanleiding van een kortstondig contactmoment. Daar komt bij dat het signalement dat [slachtoffer] van de dader heeft gegeven voorafgaand aan de fotoherkenning, verdachte niet uitsluit. [slachtoffer] heeft – in het licht van de verdenking onder feit 2 – verder verklaard dat de man die in haar been heeft geschoten striae heeft aan weerzijden van zijn penis. Verdachte is aan zijn liezen onderzocht en een foto van zijn liezen is in het dossier gevoegd. Hierop is te zien dat verdachte striae heeft op zijn liezen. De rechtbank acht ook de herkenningen van [slachtoffer] en [getuige 1] betrouwbaar en ziet in de wijze waarop de foto’s aan hen zijn voorgelegd geen reden voor een ander oordeel.
De rechtbank concludeert op basis van deze drie herkenningen, het aantreffen van de striae op de liezen van verdachte en de inhoud van de verklaringen van [slachtoffer] , [getuige 2] en [getuige 1] dat verdachte degene is die op 24 mei 2025 in de woning heeft geschoten.
De raadsman heeft in dit verband nog gewezen op de verklaring van getuige [getuige 3] , die bij de politie heeft verklaard dat hij de jongen die met hem, [getuige 1] en [slachtoffer] in de woning aanwezig was niet kent. Toen hem een foto van verdachte werd getoond heeft hij verklaard dat hij verdachte kent, maar dat verdachte die dag niet in de woning aanwezig was. De rechtbank ziet in deze verklaring echter geen reden voor een ander oordeel, nu de rechtbank deze niet betrouwbaar acht. [getuige 3] heeft bij de rechter-commissaris laten weten dat het kan dat hij tijdens het politieverhoor op bepaalde vragen niet altijd naar waarheid heeft verklaard en zijn verklaring strookt ook niet met de overige bevindingen in het dossier. Zo verklaart [getuige 3] onder meer dat hij de jongen die met hem, [slachtoffer] en [getuige 1] in de woning was niet kende voor 24 mei 2025, terwijl [slachtoffer] verklaart dat hij bevriend was met verdachte.
Gelet op al het voorgaande oordeelt de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte degene is geweest die op 24 mei 2025 [slachtoffer] in haar been heeft geschoten. Het gegeven dat verdachte op geen enkel moment een verifieerbare verklaring heeft afgelegd over waar hij op dat moment dan wel verbleef, sterkt de rechtbank in die overtuiging.
Vrijspraak poging moord dan wel doodslag
Nu vaststaat dat verdachte [slachtoffer] in het been heeft geschoten, dient de rechtbank te beoordelen of hij met dit handelen gepoogd heeft om [slachtoffer] (met voorbedachte raad) te doden. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van een vooropgezet plan. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de voorbedachte raad.
Anders dan de officier van justitie oordeelt de rechtbank dat ook de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag niet kan worden bewezen. Niet alleen acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer] , maar ook kan de rechtbank niet vaststellen dat hij daarop het voorwaardelijk opzet heeft gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. De rechtbank kan op basis van het dossier niet precies vaststellen onder welke omstandigheden in dit geval is geschoten. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte het wapen op haar richtte en dat de afstand tussen hen op dat moment ongeveer twee meter was. Uit deze verklaring blijkt niet op welk deel van het lichaam van [slachtoffer] verdachte het wapen heeft gericht. Niet uitgesloten kan worden dat verdachte gericht laag heeft geschoten. De rechtbank kan daarom ook niet vaststellen dat er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer] door het handelen van verdachte zou komen te overlijden, en ook niet dat verdachte die aanmerkelijke kans heeft aanvaard.
De rechtbank komt tot een vrijspraak van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot moord dan wel doodslag.
Zware mishandeling
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte met het schieten [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld. De rechtbank kan opnieuw niet vaststellen dat er sprake was van vol opzet van verdachte op de zware mishandeling van [slachtoffer] . De vraag is dus of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen door het handelen van verdachte. Het is een feit van algemene bekendheid dat een schot op een been de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich meebrengt. Verdachte wist dit dus ook op het moment dat hij besloot te schieten. Door desondanks op het been van [slachtoffer] te schieten heeft verdachte die aanmerkelijke kans bewust aanvaard. Naderhand is gebleken dat [slachtoffer] ook daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel door het feit heeft opgelopen. Zij heeft twee breuken in haar knie opgelopen, moest hieraan geopereerd worden, ondergaat fysiotherapie en ondervindt tot op de dag van vandaag last van het letsel. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld door in haar knie te schieten.
3.3.2.
Feit 2: poging opzetverkrachting
Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij opzettelijk heeft gepoogd [slachtoffer] te verkrachten. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster [slachtoffer] betrouwbaar. Zij heeft concreet, gedetailleerd en consistent verklaard. Die verklaring wordt op belangrijke punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. Om te beginnen heeft getuige [getuige 2] verklaard dat verdachte aan het flirten was met ‘het meisje’. Verdachte heeft tegen [getuige 2] gezegd dat hij even naar buiten moest en liet daarbij zijn revolver zien. [getuige 2] kreeg de indruk dat de jongens seks wilden hebben met het meisje. [getuige 1] heeft verklaard dat hij het geen fijne situatie vond, dat hij zich om die reden een beetje heeft teruggetrokken, maar dat hij op enig moment wel heeft gezien dat [slachtoffer] en verdachte zich een tijdje hebben afgezonderd. Dit past bij de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte haar heeft meegenomen naar de badkamer. Verder heeft [slachtoffer] verklaard over het uiterlijk van de schaamstreek van verdachte, waaronder dat verdachte op zijn liezen striae heeft. Hier is door de politie onderzoek naar gedaan en er is gebleken dat verdachte ook op zijn liezen striae heeft. De rechtbank leidt hieruit af dat [slachtoffer] de schaamstreek van verdachte heeft gezien Daarnaast zijn er twee onafhankelijke getuigen die [slachtoffer] in haar ondergoed de woning uit hebben zien vluchten nadat zij in haar been was geschoten. Zij had de jurk die zij droeg toen zij de woning binnen ging niet meer aan, wat klopt met de verklaring van [slachtoffer] . Verder ziet de rechtbank steun voor de verklaring van [slachtoffer] in het feit dat zij door verdachte is beschoten. De verklaring van [slachtoffer] heeft uitleg over wat aan dit schietincident vooraf ging en in het dossier kunnen geen andere mogelijke verklaringen worden gevonden voor wat de aanleiding daarvoor kan zijn geweest.
De rechtbank concludeert dat verdachte heeft gepoogd verschillende seksuele handelingen bij [slachtoffer] te verrichten, terwijl zij tegenstribbelde en zei dat zij dat niet wilde. Hij heeft hierbij voorafgaand aan en gedurende het feit gebruik gemaakt van dwang en geweld, onder meer door haar mee te nemen naar de badkamer en haar bij haar nek en haren vast te pakken om haar hoofd naar zijn penis te brengen. De rechtbank acht de ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
feit 1
op 24 mei 2025 te Amsterdam, aan een ander, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door met dat opzet voornoemde [slachtoffer] in haar knie te schieten;
feit 2
op 24 mei 2025 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een persoon, te weten [slachtoffer] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [slachtoffer] daartoe de wil ontbrak en deze poging tot opzetverkrachting te doen voorafgaan door en/of vergezellen van dwang en geweld,
- die [slachtoffer] heeft meegetrokken naar een badkamer en de deur van die badkamer op slot heeft gedaan en tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat ze haar kleding moest uittrekken, en
- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat zij hem, verdachte, en " [getuige 1] " moest pijpen en toen die [slachtoffer] zei dat ze niet wilde en tegenstribbelde, de jurk van die [slachtoffer] heeft uitgetrokken, en
- zijn, verdachtes, broek en onderbroek heeft uitgetrokken en die [slachtoffer] bij haar nek en haar heeft vastgepakt en het hoofd van die [slachtoffer] naar zijn, verdachtes, stijve penis heeft geduwd en tijdens vernoemde handelingen tegen die [slachtoffer] heeft gezegd dat hij denkt dat die [slachtoffer] heel goed kan pijpen, en
- de borsten van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en (met kracht) in/op de borsten en billen van die [slachtoffer] heeft geknepen en geslagen, en
- die [slachtoffer] naar de grond heeft geduwd en zijn penis in de mond van die [slachtoffer] heeft geprobeerd te duwen, en
- het ondergoed van die [slachtoffer] opzij heeft getrokken en heeft geprobeerd zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] te duwen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder feit 1 impliciet subsidiair en feit 2 primair bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar, met aftrek van voorarrest.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd gelet op de bepleitte algehele vrijspraak.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Aard en ernst feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot opzetverkrachting en een zware mishandeling van [slachtoffer] . Verdachte heeft hiermee lichamelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer op grove wijze geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van feiten als de onderhavige daar nog langdurig nadelige psychische gevolgen van kunnen ondervinden. Uit (onder meer) de slachtofferverklaring van [slachtoffer] blijkt dan ook dat zij nog dagelijks fysieke en mentale last heeft van de door verdachte gepleegde feiten. Verdachte wilde seksuele handelingen verrichten met slachtoffer, wat [slachtoffer] zelf niet wilde. Zij heeft dit op verschillende manieren duidelijk gemaakt aan verdachte maar hij is desondanks doorgegaan met zijn poging hiertoe. Naderhand heeft verdachte met een vuurwapen op haar geschoten en haar daarbij in haar knie geraakt. Dit zijn zeer ernstige feiten, die [slachtoffer] zowel fysiek als lichamelijk letsel hebben toegebracht en daarmee zwaar in haar leven hebben ingegrepen.
Persoonlijke omstandigheden
Verdachte heeft niet willen verklaren over zijn persoonlijke omstandigheden waardoor de rechtbank hier ook geen rekening mee heeft kunnen houden bij het bepalen van de straf.
Strafverzwarende omstandigheden
De rechtbank neemt bij het bepalen van de straf in verzwarende zin mee dat verdachte zowel in Nederland als in het Verenigd Koninkrijk eerder is veroordeeld, ook voor wapenbezit. Verdachte heeft kennelijk niet geleerd van zijn fouten en heeft zich ook door eerder opgelegde straffen niet laten weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Verder weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee dat hij op geen enkel moment heeft willen verklaren ten aanzien van de feiten. Tot slot weegt de rechtbank mee dat het er alle schijn van heeft dat verdachte op [slachtoffer] heeft geschoten als vergelding voor het feit dat zij geen seks met hem wilde hebben. Gelet op het korte tijdsbestek tussen beide feiten was er in ieder geval sprake van enige samenhang. Dit zal de rechtbank ook meewegen bij haar strafoplegging.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank komt immers tot een andere bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit. Verder heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die als oriëntatiepunten zijn opgenomen in de Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor straftoemeting (LOVS). De rechtbank komt, alles afwegende, tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
2 GR verdovende middelen (hennep), goednummer: PL1300-2025127338-G6668388;
1 STK munitie, goednummer: PL1300-2025127338-G6661135;
1 STK munitie, goednummer: PL1300-2025127338-G6661136;
1 STK telefoontoestel, goednummer: PL1300-2025127338-G6667478.
Onttrekking aan het verkeer
Nu met behulp van de goederen onder 2 en 3 het onder feit 1 bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Teruggave
De rechtbank oordeelt dat het in beslaggenomen telefoontoestel geen verband houdt met de gepleegde feiten en om die reden aan verdachte kan worden teruggegeven.
Bewaren rechthebbende
Nu nog niet is gebleken aan wie de verdovende middelen toebehoren, zal dit goed worden bewaard voor de rechthebbende.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert € 385,- aan vergoeding van materiële schade en € 14.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente
.
Materiële schadevergoeding
De benadeelde partij heeft 385 euro aan materiële schadevergoeding gevorderd voor het eigen risico dat zij in 2026 verwacht te moeten betalen voor haar EMDR-sessies. De rechtbank oordeelt dat op dit moment onvoldoende is onderbouwd dat benadeelde partij deze kosten daadwerkelijk zal moeten maken, mede gelet op het feit dat de EMDR-sessies op dit moment zijn gepauzeerd. De benadeelde partij zal voor de materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schadevergoeding
De hoogte van deze schadepost is ter terechtzitting betwist. De raadsman heeft aangevoerd dat onvoldoende is onderbouwd dat sprake is van PTSS.
De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 en feit 2 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op het fysieke letsel en de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is gebaseerd.
Het fysieke letsel bestaat uit twee botbreuken in de knie van benadeelde partij als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Haar halve knieschijf is verbrijzeld en er zijn operatief verschillende platen en schroeven in haar knie geplaatst. Benadeelde heeft daarbij tot op de dag van vandaag last van haar knie bij het buigen en strekken hiervan, en zij mag de knie nog niet belasten. Zij heeft drie littekens op haar been door de kogel en de operatie. Deze littekens veroorzaken hinder bij benadeelde.
Naast dit fysieke letsel heeft de benadeelde partij ook geestelijk letsel opgelopen. Zij heeft toegelicht dat zij als gevolg van de gepleegde feiten met paniekaanvallen, slapeloosheid en herbelevingen heeft te kampen. Haar vertrouwen in medemensen is geschaad en zij leeft in constante angst. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard en de ernst van de normschending, de nadelige gevolgen zo voor de hand liggen dat ook sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze ingevolge artikel 6:106, eerste lid onder b, BW.
Gelet op voorgaande en rekening houdend met de vergoedingen die als oriëntatiepunt in de Rotterdamse schaal zijn opgenomen, acht de rechtbank de gevorderde immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 14.000,- billijk. Zij zal deze dan ook toewijzen.
Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [slachtoffer] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 1 en feit 2 bewezen geachte is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 14.000,- (veertienduizend euro).

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57, 243 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Spreektverdachte
vrijvan het onder
feit 1 primairten laste gelegde feit.
Verklaart
bewezendat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 4is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1 subsidiair
zware mishandeling;en
feit 2 primair
poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
42 (tweeënveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Beslag
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
- 1 STK munitie, goednummer: PL1300-2025127338-G6661135;
- 1 STK munitie, goednummer: PL1300-2025127338-G6661136.
Gelast de teruggave aan [verdachte] van:
- 1 STK telefoontoestel, goednummer: PL1300-2025127338-G6667478.
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
- 2 GR verdovende middelen, goednummer: PL1300-2025127338-G6668388.
Vordering benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 14.000,- (veertienduizend euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 mei 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 14.000,- (veertienduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (24 mei 2025) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 105 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. K.A. Brunner en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. R.T. Lo Dico en S. Kwiyasse, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 december 2025.