3.3.1.Feit 1: poging moord dan wel doodslag dan wel zware mishandeling
Op basis van het dossier staat vast dat [slachtoffer] op 24 mei 2025 een schotwond in haar been heeft opgelopen. Het incident heeft plaatsgevonden in de woning van [getuige 2] , die ten tijde van het feit niet in zijn woning aanwezig was. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld wie de schutter is geweest en, als blijkt dat verdachte de schutter is geweest, hoe dit handelen gekwalificeerd dient te worden.
Herkenning verdachte
Het dossier bevat drie herkenningen van verdachte, alle tot stand gekomen op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie. Getuige [getuige 2] heeft verdachte herkend op een foto als degene die sinds enkele weken (ongewenst) in zijn woning verbleef. Daarbij heeft hij verklaard dat verdachte, ook op 24 mei 2025 rond 12:00 uur met een blond meisje en twee jongens in zijn woning is geweest. Ook heeft [getuige 2] verklaard dat verdachte een revolver had en dat hij die op 24 mei 2025 aan [getuige 2] heeft laten zien voordat [getuige 2] de woning verliet.
Verder heeft [slachtoffer] verdachte herkend als degene die haar heeft beschoten. Tenslotte heeft getuige [getuige 1] , die op die dag samen met [slachtoffer] naar de woning van [getuige 2] is gegaan, verdachte ook herkend op een foto. [getuige 1] heeft niet gezien dat verdachte op [slachtoffer] heeft geschoten, maar hij heeft wel schoten gehoord en daarna gezien dat verdachte met een vuurwapen in zijn hand stond.
Wat betreft de betrouwbaarheid van deze herkenningen en de ‘bruikbaarheid’ daarvan voor het bewijs, stelt de rechtbank voorop dat geen rechtsregel eraan in de weg staat om een herkenning van een verdachte door een getuige op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie te gebruiken voor een bewezenverklaring. Als uitgangspunt geldt dat in beginsel terughoudend moet worden omgegaan met de waardering van een herkenning op grond van een enkelvoudige fotoconfrontatie, maar dit betekent niet dat een herkenning op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie in zijn algemeenheid dusdanig onbetrouwbaar is dat het hanteren van die methode hoe dan ook moet leiden tot uitsluiting van het daarmee verkregen bewijs.
De rechtbank acht in dit geval de herkenningen betrouwbaar en zal deze gebruiken voor het bewijs. Dit oordeel zal de rechtbank hieronder toelichten.
Ten aanzien van de herkenning door getuige [getuige 2] geldt dat [getuige 2] en verdachte elkaar reeds twee à drie weken kenden en in dezelfde woning verbleven. Zij zullen elkaar in die periode dus ook (nagenoeg) dagelijks (meermaals) hebben gezien. De rechtbank oordeelt dat [getuige 2] daardoor in een positie was dat hij in beginsel op basis van één foto betrouwbaar kon zeggen of het de persoon op de foto al dan niet de persoon betreft met wie hij een woning deelt. De wijze waarop de foto aan hem werd voorgelegd maakt dit niet anders. Naar het oordeel is de herkenning van verdachte door [getuige 2] op basis van de enkelvoudige fotoconfrontatie betrouwbaar.
Anders dan bij [getuige 2] het geval was, hebben [slachtoffer] en [getuige 1] verdachte pas op de dag van het incident voor het eerst ontmoet, maar ten aanzien van hen geldt dat zij wel een langere periode met elkaar in dezelfde ruimte hebben doorgebracht. Er is dus geen sprake van een herkenning door [slachtoffer] en [getuige 1] naar aanleiding van een kortstondig contactmoment. Daar komt bij dat het signalement dat [slachtoffer] van de dader heeft gegeven voorafgaand aan de fotoherkenning, verdachte niet uitsluit. [slachtoffer] heeft – in het licht van de verdenking onder feit 2 – verder verklaard dat de man die in haar been heeft geschoten striae heeft aan weerzijden van zijn penis. Verdachte is aan zijn liezen onderzocht en een foto van zijn liezen is in het dossier gevoegd. Hierop is te zien dat verdachte striae heeft op zijn liezen. De rechtbank acht ook de herkenningen van [slachtoffer] en [getuige 1] betrouwbaar en ziet in de wijze waarop de foto’s aan hen zijn voorgelegd geen reden voor een ander oordeel.
De rechtbank concludeert op basis van deze drie herkenningen, het aantreffen van de striae op de liezen van verdachte en de inhoud van de verklaringen van [slachtoffer] , [getuige 2] en [getuige 1] dat verdachte degene is die op 24 mei 2025 in de woning heeft geschoten.
De raadsman heeft in dit verband nog gewezen op de verklaring van getuige [getuige 3] , die bij de politie heeft verklaard dat hij de jongen die met hem, [getuige 1] en [slachtoffer] in de woning aanwezig was niet kent. Toen hem een foto van verdachte werd getoond heeft hij verklaard dat hij verdachte kent, maar dat verdachte die dag niet in de woning aanwezig was. De rechtbank ziet in deze verklaring echter geen reden voor een ander oordeel, nu de rechtbank deze niet betrouwbaar acht. [getuige 3] heeft bij de rechter-commissaris laten weten dat het kan dat hij tijdens het politieverhoor op bepaalde vragen niet altijd naar waarheid heeft verklaard en zijn verklaring strookt ook niet met de overige bevindingen in het dossier. Zo verklaart [getuige 3] onder meer dat hij de jongen die met hem, [slachtoffer] en [getuige 1] in de woning was niet kende voor 24 mei 2025, terwijl [slachtoffer] verklaart dat hij bevriend was met verdachte.
Gelet op al het voorgaande oordeelt de rechtbank dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte degene is geweest die op 24 mei 2025 [slachtoffer] in haar been heeft geschoten. Het gegeven dat verdachte op geen enkel moment een verifieerbare verklaring heeft afgelegd over waar hij op dat moment dan wel verbleef, sterkt de rechtbank in die overtuiging.
Vrijspraak poging moord dan wel doodslag
Nu vaststaat dat verdachte [slachtoffer] in het been heeft geschoten, dient de rechtbank te beoordelen of hij met dit handelen gepoogd heeft om [slachtoffer] (met voorbedachte raad) te doden. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken van een vooropgezet plan. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van de voorbedachte raad.
Anders dan de officier van justitie oordeelt de rechtbank dat ook de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging tot doodslag niet kan worden bewezen. Niet alleen acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte vol opzet had op de dood van [slachtoffer] , maar ook kan de rechtbank niet vaststellen dat hij daarop het voorwaardelijk opzet heeft gehad. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. De rechtbank kan op basis van het dossier niet precies vaststellen onder welke omstandigheden in dit geval is geschoten. [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte het wapen op haar richtte en dat de afstand tussen hen op dat moment ongeveer twee meter was. Uit deze verklaring blijkt niet op welk deel van het lichaam van [slachtoffer] verdachte het wapen heeft gericht. Niet uitgesloten kan worden dat verdachte gericht laag heeft geschoten. De rechtbank kan daarom ook niet vaststellen dat er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer] door het handelen van verdachte zou komen te overlijden, en ook niet dat verdachte die aanmerkelijke kans heeft aanvaard.
De rechtbank komt tot een vrijspraak van de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot moord dan wel doodslag.
Zware mishandeling
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of verdachte met het schieten [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld. De rechtbank kan opnieuw niet vaststellen dat er sprake was van vol opzet van verdachte op de zware mishandeling van [slachtoffer] . De vraag is dus of verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen door het handelen van verdachte. Het is een feit van algemene bekendheid dat een schot op een been de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel met zich meebrengt. Verdachte wist dit dus ook op het moment dat hij besloot te schieten. Door desondanks op het been van [slachtoffer] te schieten heeft verdachte die aanmerkelijke kans bewust aanvaard. Naderhand is gebleken dat [slachtoffer] ook daadwerkelijk zwaar lichamelijk letsel door het feit heeft opgelopen. Zij heeft twee breuken in haar knie opgelopen, moest hieraan geopereerd worden, ondergaat fysiotherapie en ondervindt tot op de dag van vandaag last van het letsel. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld door in haar knie te schieten.
3.3.2.Feit 2: poging opzetverkrachting
Onder feit 2 is aan verdachte ten laste gelegd dat hij opzettelijk heeft gepoogd [slachtoffer] te verkrachten. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster [slachtoffer] betrouwbaar. Zij heeft concreet, gedetailleerd en consistent verklaard. Die verklaring wordt op belangrijke punten ondersteund door andere bewijsmiddelen. Om te beginnen heeft getuige [getuige 2] verklaard dat verdachte aan het flirten was met ‘het meisje’. Verdachte heeft tegen [getuige 2] gezegd dat hij even naar buiten moest en liet daarbij zijn revolver zien. [getuige 2] kreeg de indruk dat de jongens seks wilden hebben met het meisje. [getuige 1] heeft verklaard dat hij het geen fijne situatie vond, dat hij zich om die reden een beetje heeft teruggetrokken, maar dat hij op enig moment wel heeft gezien dat [slachtoffer] en verdachte zich een tijdje hebben afgezonderd. Dit past bij de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte haar heeft meegenomen naar de badkamer. Verder heeft [slachtoffer] verklaard over het uiterlijk van de schaamstreek van verdachte, waaronder dat verdachte op zijn liezen striae heeft. Hier is door de politie onderzoek naar gedaan en er is gebleken dat verdachte ook op zijn liezen striae heeft. De rechtbank leidt hieruit af dat [slachtoffer] de schaamstreek van verdachte heeft gezien Daarnaast zijn er twee onafhankelijke getuigen die [slachtoffer] in haar ondergoed de woning uit hebben zien vluchten nadat zij in haar been was geschoten. Zij had de jurk die zij droeg toen zij de woning binnen ging niet meer aan, wat klopt met de verklaring van [slachtoffer] . Verder ziet de rechtbank steun voor de verklaring van [slachtoffer] in het feit dat zij door verdachte is beschoten. De verklaring van [slachtoffer] heeft uitleg over wat aan dit schietincident vooraf ging en in het dossier kunnen geen andere mogelijke verklaringen worden gevonden voor wat de aanleiding daarvoor kan zijn geweest.
De rechtbank concludeert dat verdachte heeft gepoogd verschillende seksuele handelingen bij [slachtoffer] te verrichten, terwijl zij tegenstribbelde en zei dat zij dat niet wilde. Hij heeft hierbij voorafgaand aan en gedurende het feit gebruik gemaakt van dwang en geweld, onder meer door haar mee te nemen naar de badkamer en haar bij haar nek en haren vast te pakken om haar hoofd naar zijn penis te brengen. De rechtbank acht de ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde opzetverkrachting dan ook wettig en overtuigend bewezen.