ECLI:NL:RBAMS:2025:10481
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging kinderbijslag wegens verblijf in het buitenland
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker een voorlopige voorziening vroeg tegen het besluit van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om zijn kinderbijslag te beëindigen vanaf het derde kwartaal van 2024. De Svb had dit besluit genomen omdat verzoeker sinds 24 juni 2024 niet meer in Nederland woont en daardoor niet meer verzekerd is. Tevens werkt verzoeker niet meer in Nederland, wat eveneens uitsluiting van verzekering tot gevolg heeft.
Verzoeker stelde dat er sprake was van een spoedeisend belang vanwege de terugvordering van kinderbijslag over het derde en vierde kwartaal, en dat zijn financiële situatie onvoldoende ruimte bood om deze terugvordering op te vangen. De voorzieningenrechter vroeg verzoeker om dit spoedeisend belang nader te onderbouwen met objectiveerbare stukken. Verzoeker gaf aan dat zijn banksaldo op dat moment niet tot betalingsonmacht leidde, maar dat er wel een direct financieel risico bestond.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van een acute financiële noodsituatie of een onomkeerbare situatie die het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigde. Omdat verzoeker geen voldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie en geen objectiveerbare stukken overlegde, werd het verzoek als kennelijk ongegrond afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het beëindigen van de kinderbijslag is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.