ECLI:NL:RBAMS:2025:10442

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
23 december 2025
Zaaknummer
13/293166-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om aanvullende toestemming voor executie van vrijheidsstraf in verband met overlevering

Op 2 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenbeslissing genomen in een zaak betreffende een verzoek om aanvullende toestemming voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 24 maanden. Dit verzoek is ingediend door de officier van justitie op 26 mei 2025 en betreft een persoon die in België is gedetineerd. De rechtbank heeft aanvullende informatie nodig om een eindbeslissing te kunnen nemen. De overgeleverde persoon is eerder veroordeeld tot een vrijheidsstraf, maar er zijn vragen gerezen over zijn verdedigingsrechten in de procedure die heeft geleid tot de oorspronkelijke veroordeling. De rechtbank heeft de officier van justitie verzocht om aanvullende vragen voor te leggen aan de Belgische autoriteiten, waaronder of de overgeleverde persoon op de hoogte was van de procedure en of hij zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Daarnaast is er een relatie gelegd met eerdere overleveringszaken en de terugkeergarantie die is verstrekt door de Belgische autoriteiten. De rechtbank houdt de beslissing op het verzoek aan in afwachting van de beantwoording van de gestelde vragen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/293166-24
Datum beslissing: 2 december 2025
TUSSEN-BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 26 mei 2025, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is uitgevaardigd door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, België, op 4 april 2025 en betreft:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] (Marokko),
thans gedetineerd in België,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

1.1
Inleiding
Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De overgeleverde persoon is, in aanwezigheid van zijn advocaat, op 9 december 2024 door de substituut-procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Turnhout gehoord en heeft in dat verhoor de mogelijkheid gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken.
Het verzoek betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 24 maanden, volgens het verzoek opgelegd aan de overgeleverde persoon bij vonnis bij verstek van de correctionele rechtbank Antwerpen – Afdeling Antwerpen van 1 februari 2021, met kenmerk 2021/607 – dossiernummer 20RE200 – AN60.LLB.83509/2019. Uit het proces verbaal van verhoor dat aan het verzoek is toegevoegd, blijkt echter dat de straf als voorwaardelijke straf is opgelegd bij vonnis van 12 december 2019 van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het probatie-uitstel werd herroepen (waardoor de straf onvoorwaardelijk werd) door het vonnis van 1 februari 2021, vanwege het niet naleven door de overgeleverde persoon van opgelegde voorwaarden.
Het verzoek ziet op een feit ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
De rechtbank heeft aanvullende informatie nodig om een eindbeslissing te kunnen nemen op het verzoek om aanvullende toestemming.
1.2
Artikel 12 OLW
Het verzoek vermeldt onder d) dat de overgeleverde persoon niet in persoon is verschenen op het proces dat geleid heeft tot de beslissing. Ook is aangegeven:
“De beslissing is op 09-12-2024 aan de betrokkene betekend, en hij is uitdrukkelijk geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarbij de zaak opnieuw ten grond wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, en die kan leiden tot herziening van de oorspronkelijke beslissing. (…) De betrokkene heeft niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep aangetekend.”
Verder heeft het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout, op 15 juli 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“Betrokkene werd veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf met probatie-uitstel bij vonnis dd. 12.12.2019. Vermits [opgeëiste persoon] zijn probatievoorwaarden niet naleefde, werd hij gedagvaard voor herroeping probatie, hetgeen resulteerde in het vonnis van de correctionele rechtbank Antwerpen dd. 01.02.2021, bij verstek gewezen. Tegen dit vonnis herroeping tekende betrokkene verzet aan, hetgeen dan weer resulteerde in het vonnis dd. 08.01.2024 waarin het eerder vonnis tot herroeping dd. 01.02.2021 bevestigd werd en het probatie-uitstel dus ook herroepen werd, waardoor de gevangenisstraf uitvoerbaar werd.
De herroeping van dit probatie-uitstel gebeurde niet op basis van een nieuwe veroordeling, doch op basis van het niet naleven van de opgelegde probatie-voorwaarden. (…)”
Op basis van deze informatie concludeert de rechtbank dat de overgeleverde persoon een verzetprocedure heeft gevoerd met betrekking tot het vonnis van 1 februari 2021, hetgeen geleid heeft tot een vonnis van 8 januari 2024. Onduidelijk is echter of hij zijn verdedigingsrechten in de procedure die geleid heeft tot het vonnis van 12 december 2019 (waarbij de veroordeling is uitgesproken) heeft kunnen uitoefenen. Uit het verzoek zelf blijkt niet onomwonden dat hetgeen ingevuld is onder d) op deze procedure ziet. De rechtbank ziet daarom aanleiding de volgende vraag ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
Heeft hetgeen in het verzoek onder d) is opgenomen betrekking op de oorspronkelijke procedure die heeft geleid tot het vonnis van 12 december 2019 van de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen? Zo nee, kan dan informatie als bedoeld onder d) in het EAB worden verstrekt over de procedure die heeft geleid tot dat vonnis?
Indien de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces en er – kort gezegd – geen sprake is van één van de in artikel 4 bis, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ genoemde omstandigheden, kunnen dan de volgende vragen worden beantwoord:
a) Was de opgeëiste persoon op de hoogte van het proces dat heeft geleid tot de beslissing?
b) Heeft de opgeëiste persoon in de strafrechtelijke procedure een adres verstrekt waarop hij gedurende de strafrechtelijke procedure bereikbaar zou zijn voor de Belgische autoriteiten? En, zo ja: is hem meegedeeld dat hij iedere adreswijziging aan de autoriteiten moest doorgeven?
1.3
Verhouding tot verstrekte terugkeergarantie in eerdere overleveringszaak
De overlevering van de overgeleverde persoon is eerder bij uitspraken van 22 augustus 2023 [1] en 13 november 2024 [2] door deze rechtbank toegestaan. Het ging hierbij in beide gevallen om een zogenaamd vervolgings-EAB, waarbij de overlevering afhankelijk is gemaakt van de door de Belgische autoriteiten verstrekte terugkeergarantie, inhoudende dat “eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan”.
Het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, afdeling Turnhout, heeft op 15 juli 2025 de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“In het dossier waarin [opgeëiste persoon] initieel werd overgeleverd, werd hij intussen bij vonnis dd. 02.04.2025 veroordeeld tot 7 jaar gevangenisstraf. Er werd echter hoger beroep aangetekend tegen dit vonnis zodat er nog geen definitieve uitspraak is. Van zodra er sprake is van een definitieve uitspraak, kan de terugkeergarantie toepassing vinden en is mijn ambt inderdaad zinnens een certificaat 909 op te stellen. (…)”
Uit deze informatie blijkt dat de procedure(s) waarvoor de overgeleverde persoon eerder werd overgeleverd nog niet heeft (hebben) geresulteerd in een definitieve uitspraak. Gelet hierop heeft de rechtbank vragen over de verhouding tussen de eerdere, van een terugkeergarantie afhankelijk gemaakte, overleveringen en het nu ter beoordeling voorliggende aanvullende verzoek tot executie van een opgelegde gevangenisstraf van 24 maanden. Deze situatie zou er namelijk toe kunnen leiden dat de overgeleverde persoon eerst, op basis van de eventuele aanvullende toestemming in de onderhavige procedure, een gevangenisstraf van 24 maanden moet uitzitten in België en hij vervolgens terug moet worden gestuurd naar Nederland voor de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf(fen) die (eventueel) worden opgelegd in de procedures waarvoor de overlevering eerder is toegestaan. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om de volgende vragen ter beantwoording aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
Hoe verhoudt het verzoek om aanvullende toestemming ter executie van een vrijheidsstraf van 24 maanden zich tot de verleende terugkeergarantie in de overleveringsza(a)k(en); en
Is overwogen om via het Kaderbesluit wederzijdse erkenning vrijheidsbenemende sancties (2008/909/JBZ) te bezien of de eventueel in de overleveringszaak op te leggen/opgelegde vrijheidsstraf samen met de straf waarop het onderhavige verzoek om aanvullende toestemming ziet, in Nederland ten uitvoer kan worden gelegd?

2.Beslissing

De rechtbank:
verzoekt de officier van justitie de onder 1.2 en 1.3 geformuleerde vragen voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit en houdt de beslissing op het verzoek aan in afwachting van de beantwoording daarvan.
Deze beslissing is genomen op 2 december 2025 door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier.