ECLI:NL:RBAMS:2025:10413

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
1852566
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst en toekenning van billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever

In deze zaak heeft de kantonrechter op 10 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en Van Caem B.V. [verzoeker] heeft op 26 augustus 2025 een verzoek ingediend tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst, met nevenverzoeken, waaronder een billijke vergoeding van € 50.000,00 bruto. De werkgever, Van Caem, heeft verweer gevoerd en een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding ingediend. De procedure heeft plaatsgevonden op 17 november 2025, waarbij beide partijen hun standpunten hebben toegelicht.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat Van Caem ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door onredelijke werkuren op te leggen, eenzijdig bonusafspraken te wijzigen en de werknemer zonder overleg van zijn verantwoordelijkheden te ontheffen. Dit heeft geleid tot een onveilige werkomgeving voor [verzoeker], die zich genoodzaakt voelde om een ontbindingsverzoek in te dienen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 ontbonden wordt en heeft [verzoeker] een billijke vergoeding van € 25.000,00 bruto toegekend, evenals een transitievergoeding van € 23.081,47 bruto. Van Caem is verder veroordeeld tot betaling van het achterstallige salaris, nabetaling van bonus en juridische kosten. De rechter heeft geoordeeld dat Van Caem geen rechten kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding, gezien het ernstig verwijtbaar handelen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11852566 EA VERZ 25-977
beschikking van: 10 december 2025
func.: 25
beschikking van de kantonrechter
I n z a k e
[verzoeker]
wonende te [woonplaats]
verzoeker
nader te noemen: [verzoeker]
gemachtigde: mr. C.C. Zillinger Molenaar
t e g e n
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VCTS B.V.
gevestigd te Amsterdam
verweerster
nader te noemen: Van Caem
gemachtigde: mr. J.M. van der Woude
VERLOOP VAN DE PROCEDURE
[verzoeker] heeft op 26 augustus 2025 een verzoek ingediend dat primair strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:671c van het Burgerlijk Wetboek (BW), met nevenverzoeken.
Van Caem heeft een verweerschrift ingediend, tevens houdende een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en aanverwante voorwaardelijke verzoeken.
De verzoeken zijn ter terechtzitting behandeld op 17 november 2025. [verzoeker] is verschenen met zijn echtgenote en de gemachtigde. Namens Van Caem zijn verschenen [naam 1] ( [naam functie 1] ), [naam 2] ( HR ) en de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunt aan de hand van een pleitnota toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald.
GRONDEN VAN DE BESLISSING

1.Feiten

1.1.
Van Caem maakt deel uit van de Van Caem Klerks Group en is een internationaal opererende onderneming die zich bezig houdt met wereldwijde import en export van markwaren, waaronder internationale (parallel)handel in sterke drank.
1.2.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1992, is op 1 mei 2023 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij Van Caem als Trader. [verzoeker] werkte uitsluitend binnen de productcategorie “Liquor” en is verantwoordelijk voor in- en verkoop en had contact met klanten en leveranciers, voornamelijk in Japan in Dubai. Het salaris bedraagt € 5.500,00 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten, bij een werkweek van 40 uur. Op 1 mei 2024 is de arbeidsovereenkomst onder dezelfde voorwaarden voor onbepaalde tijd voortgezet.
1.3.
In de arbeidsovereenkomst staat onder meer:
“4.1 The working week shall consist of 40 hours.4.2 The parties are aware that the nature of the position and the industry in which the Group operates sometimes necessitate outside the fixed working hours.4.3 The nature of the Group’s business and the Employee’s duties sometimes necessitate overtime, so that work can proceed properly. The Employee herby declares him/herself to work overtime, if and to the extent that the Group can reasonably expect this of him/her. As a rule, overtime will remunerated “time against time”, if possible within the next two weeks.(…)5.3 The Group maintains adiscretionary bonus schemefor Traders who personally contribute to the Group’s margin. The employee will be informed in writing when Traders will be entitled to participate in the bonus scheme; until that time the manger will decide under whose supervision the Employee is to perform his/her work, and, on a fully discretionary basis and without being obliged to motivate his/her decisions in relation thereto, will decide whether a bonus is to be paid to the Emloyee, and, if so, what the amount involved will be, when the bonus will be payable and under what conditions it will be paid. The discretionary bonus scheme is updated and modified unilaterally by the Group at the Group’s discretion. The most recently released version shall apply.”
1.4.
De arbeidsovereenkomst bevat tevens een concurrentie- en relatiebeding.
1.5.
In 2023 heeft [verzoeker] de met zijn toenmalig manager overeengekomen omzetdoelstelling (target) behaald. Desondanks ontving hij aanvankelijk slechts een bonus ter grootte van een maandsalaris, terwijl bij het behalen van het target zes maanden in het vooruitzicht zou zijn gesteld. Na protest, waarbij [verzoeker] te kennen gaf dat hij het dienstverband zou beëindigen als de afspraak niet werd nagekomen, ontving hij alsnog een bonus van 2,5 maandsalaris.
1.6.
Eind 2023 is een nieuwe target bepaald, bij het bereiken waarvan opnieuw een bonus van zes maandsalarissen in het vooruitzicht werd gesteld. Begin januari 2024 werd de omzetdoelstelling verhoogd en de bonus verlaagd naar vier maandsalarissen.
1.7.
[verzoeker] heeft hierover op 30 januari 2024 een e-mail gestuurd aan zijn toenmalig direct leidinggevende [naam 3] , die inmiddels niet meer in dienst is. Hierop is niet gereageerd, maar wel is later toegezegd dat de oorspronkelijke toezegging van zes maandsalarissen gold.
1.8.
[verzoeker] heeft de voor 2024 bepaalde target behaald, maar ontving slechts een bonus van € 15.000,00 bruto (minder dan drie maandsalarissen). [verzoeker] heeft hiertegen geprotesteerd bij e-mail van 5 december 2024 bij [naam 3] en [naam 4] , de huidige [naam functie 2] .
1.9.
Op 31 januari 2025 heeft [verzoeker] een e-mail met als onderwerp “Formal Complaint” gestuurd aan mevrouw [naam 5] , destijds HR-functionaris, waarin hij diverse klachten heeft geuit over de arbeidsomstandigheden en het niet nakomen van beloningsafspraken.
1.10.
Op maandag 10 februari 2025 vond een gesprek plaats tussen [verzoeker] en [naam 5] , waarin [verzoeker] een toelichting heeft gegeven op zijn mail. [naam 5] heeft een verslag gemaakt van het gesprek. Daarin staat onder meer:
“He appoints 6 concerns explicitly:- unreasonable work expectations relating to working hours.- unilateral changes to bonus targets- unfulfilled salary and compensation agreements- workplace culture and communication- inconsistent bonus payments and favouritism- lack of transparency in financial decision-making.(…) [verzoeker] acknowledges that his job requires 24/7 attention even during holidays. He is always performing his duties with pride. The management however keeps whining about the obligation to be personally present in the office between 8 and 6. The [naam functie 1] calls all employees at Liquor lazy lads because they do not stick to this. (…).The [naam functie 1] is practicing management-by-fear since he states that employees who do not reach their target, will be fired. [verzoeker] has the strong impression that the [naam functie 1] wants to get rid of him. He reduced his bonus with 50% and meanwhile raised his target, all this without communicating this to [verzoeker] . (…)”.
1.11.
Op 11 februari 2025 had [verzoeker] een gesprek met [naam 4] . In dat gesprek werd hij aangesproken op zijn lage omzet in januari 2025.
1.12.
Op 13 februari 2025 werd [verzoeker] naar het kantoor van [naam 1] ( [naam functie 1] ) geroepen. In aanwezigheid van [naam 4] werd hem – onder meer – meegedeeld dat hij niet langer de Japanse markt zou bedienen, die tot dan toe aan hem was toebedeeld. Dit was bedoeld om de “work-life balance” van [verzoeker] te verbeteren.
1.13.
[verzoeker] heeft van voormeld gesprek buiten medeweten van Van Caem een geluidsopname gemaakt en het geluisfragment in de procedure overgelegd. Van Caem heeft een volledige transcriptie van het geluidsfragment overgelegd.
1.14.
Bij e-mail van 14 februari 2025 heeft [naam 4] namens Van Caem alsnog gereageerd op de klachtmail van [verzoeker] van 31 januari 2025. In de mail wordt ingegaan op de klachten betreffende de (niet ontvangen) bonus en wordt bevestigd dat de Japanse markt bij hem wordt weggehaald om zijn werkdruk te verlichten, waarbij hij onder meer Griekenland krijgt toebedeeld, wat betekent dat hij minder hoeft te reizen en niet meer te maken heeft met tijdsverschil.
1.15.
Bij e-mail van dezelfde dag heeft [verzoeker] aan [naam 1] , met c.c. aan [naam 5] en [naam 4] , onder meer laten weten dat hij volkomen verrast werd door het gesprek met [naam 1] en de mededeling dat hem zonder voorafgaand daarin te zijn gekend de Japanse markt werd afgenomen. Verder maakt [verzoeker] bezwaar tegen de manier waarop [naam 1] hem heeft aangesproken. [verzoeker] schrijft daarbij:
“Zoals ik in mijn brief heb aangegeven, voel ik mij niet veilig in deze werkomgeving – en dit gevoel is na ons gesprek alleen maar versterkt. Zonder HR erbij werd ik aangevallen en beschuldigd van leugens en onrealistische verklaringen. Als klap op de vuurpijl werd ik uitgescholden als “vlerk”, waarna je dit later in het gesprek ontkende. (…)”.
1.16.
Op 17 februari 2025 was er een gesprek met [naam 5] . Zij liet hem weten dat er bij Van Caem een heel andere beleving was van het gesprek op 13 februari 2025 en dat zijn overplaatsing van de Japanse markt mede was genomen omdat er onvoldoende resultaat was, maar ook om de werkdruk van [verzoeker] te verminderen.
1.17.
Vervolgens hebben partijen verder met elkaar gecorrepsondeerd, waarbij zij met name van mening verschillen over de vraag of Van Caem [verzoeker] weg wil hebben, wat Van Caem ontkent. Volgens [verzoeker] wordt er niet helder gecommuniceerd door Van Caem.
1.18.
Bij e-mail van 21 februari 2025 heeft [verzoeker] voorgesteld om een mediator in te schakelen, maar volgens Van Caem was dat op dat moment niet aan de orde.
1.19.
Op 24 februari 2025 heeft [verzoeker] zich ziekgemeld met spanningsklachten.
1.20.
Op 26 maart 2025 heeft [verzoeker] de bedrijfsarts bezocht. Deze heeft geconcludeerd dat sprake was van “realistische klachten” als gevolg van de ontstane conflictueuze situatie op het werk. Zij adviseert :
“Ga in gesprek over hoe nu verder, samen verder of uit elkaar. Werk dit uit met HR/onafhankelijk 3e persoon”.
1.21.
Aansluitend is [naam 4] aangeschoven om vervolgstappen te bespreken. Afgesproken werd dat Van Caem een voorstel zou doen voor een beëindigingsovereenkomst.
1.22.
Op 3 april 2025 heeft Van Caem [verzoeker] een beëindigingsvoorstel gedaan. [verzoeker] heeft dit niet geaccepteerd.
1.23.
Op 8 april 2025 heeft de inmiddels door [verzoeker] ingeschakelde gemachtigde een tegenvoorstel gedaan.
1.24.
Nadat het tegenvoorstel door Van Caem was afgewezen, heeft zij alsnog mediation voorgesteld.
1.25.
De mediation heeft plaatsgevonden, maar is zonder resultaat op 14 juli 2025 beëindigd.
1.26.
Bij e-mail van 31 juli 2025 heeft de nieuwe HR medewerker [naam 2] namens Van Caem onder meer laten weten dat nu partijen het niet eens kunnen worden over een beëindigingsregeling, Van Caem van mening is dat [verzoeker] – kort gezegd – weer aan het werk moet. Van Caem laat tevens weten dat zij het gebruik van [verzoeker] van de geluidsopname van het gesprek van 13 februari 2025, waarvan hij haar recent op de hoogte heeft gesteld “echt ongepast en een vorm van chantage” vindt.
1.27.
Op 7 augustus 2025 vond een gesprek plaats tussen [verzoeker] en [naam 1] , waarbij ook de bedrijfsarts aanwezig was, over een minnelijke beëindigingsregeling tussen partijen. Van Caem heeft [verzoeker] een voorstel gedaan, waarna [verzoeker] op 8 augustus 2025 een tegenvoorstel deed.
1.28.
Vervolgens heeft [naam 1] bij e-mail van dezelfde dag onder meer laten weten:
“(…) gisteren in ons gesprek is gebleken dat onze relatie ook in het geheel niet verstoord is. Jij bent degene geweest die aldoor de wens heeft gehad om een regeling te treffen en niet de onderneming. (…) Nu een regeling – die jij als enige wenst niet mogelijk is komt de andere optie, zoals ook door de bedrijfsarts geschetst, weer in beeld. In dat geval willen (…) volgende week met jou in gesprek om over de hervatting van jouw werkzaamheden te spreken.”Daarop heeft [naam 1] [verzoeker] nog een laatste beëindigingsvoorstel gedaan. Indien [verzoeker] daarmee niet akkoord zou gaan wilde Van Caem graag in gesprek over werkhervatting na zijn huwelijksreis.
1.29.
[verzoeker] was inmiddels op huwelijksreis, wat Van Caem bekend was.
1.30.
Bij e-mail van 12 augustus 2025 heeft [naam 1] het laatste aanbod verlengd tot 15 augustus 2025.
1.31.
Bij e-mail van zijn gemachtigde van 15 augustus 2025 heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt tegen de gang van zaken en laten weten dat hij zelf een ontbindingsverzoek zal indienen.
1.32.
Bij e-mail van 19 augustus 2025 van haar toenmalige gemachtigde heeft Van Caem laten weten dat zij verwachtte dat [verzoeker] zijn werkzaamheden zou uitvoeren en dat zij zich op het standpunt stelde dat als hij dat niet zou doen zij gelet op het advies van de bedrijfsarts voornemens is om de loonbetaling per 1 september 2025 te staken zolang [verzoeker] niet bereid is om weer te komen werken.
1.33.
Vanaf 1 september 2025 heeft zij het loon voor 50% opgeschort.
2. Geschil
2.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden en hem een billijke vergoeding van € 50.000,00 bruto ten laste van Van Caem toe te kennen alsmede € 10.000,00 netto wegens immateriële schade. Daarnaast verzoekt [verzoeker] veroordeling van Van Caem tot betaling van de transitievergoeding, het achterstallige salaris van [verzoeker] van € 5.500,00 bruto per maand vanaf 1 september 2025 tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, met de wettelijke verhoging van 50% en de wettelijke rente. Ook verzoekt [verzoeker] veroordeling van Van Caem tot betaling van € 18.000,00 bruto terzake nabetaling bonus over 2024, met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente en [verzoeker] inzage te verschaffen in, althans afschrift te verstrekken van, de toekenning van alle bonussen die binnen Van Caem in 2025 zijn uitgekeerd over het jaar 2025, op straffe van een dwangsom. [verzoeker] verzoekt tevens te verklaren voor recht dat Van Caem primair geen rechten kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding danwel dit geheel of gedeeltelijk te vernietigen en subsidiair Van Caem te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding per maand voor de duur van het concurrentie- en relatiebeding. [verzoeker] verzoekt ten slotte Van Caem te veroordelen om hem inzage te verschaffen in zijn personeelsdossier en hem een (digitale) kopie daarvan te verstrekken, op straffe van een dwangsom, tot het verstrekken van een deugdelijke wettelijke eindafrekening, onder uitbetaling van het opgebouwde vakantiegeld en de niet-genoten vakantiedagen en tot betaling van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de genoemde bedragen en de volledige proceskosten, tot op het moment van het verzoekschrift begroot op € 15.000,00.
2.2.
[verzoeker] verzoekt tevens bij wijze van incident ex artikel 223 Wetboek van Burgelijke Rechtsvordering (Rv) om tenminste voor de duur van deze procedure Van Caem te veroordelen het loon met emolumenten door te betalen, eventueel verhoogd met de maximale wettelijke verhoging.
2.3.
[verzoeker] heeft hiertoe gesteld – kort samengevat – dat Van Caem een onveilige werkomgeving heeft gecreëerd door buitensporige werktijden op te leggen en bezwaren van hem daartegen te bagatelliseren, terwijl Van Caem zich niet hield aan gemaakte (bonus)afspraken, zonder overleg hem van de Japanse markt heeft afgehaald en hem onder druk heeft gezet om een beëindigingsvoorstel te accepteren, nota bene zelfs tijdens zijn huwelijksreis. Deze omstandigheden rechtvaardigen volgens [verzoeker] ontbinding van de arbeidsovereenkomst en leveren tevens ernstige verwijtbaarheid op van Van Caem als werkgever, waardoor onder meer een billijke vergoeding op zijn plaats is.
2.4.
Van Caem voert gemotiveerd verweer, waarop hierna – voorzover voor deze beslissing van belang – zal worden ingegaan.
2.5.
Van Caem verzoekt verder op haar beurt voorwaardelijk, voor het geval het ontbindingsverzoek van [verzoeker] wordt afgewezen danwel door [verzoeker] ingetrokken, ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verwijtbaar handelen (e-grond), een verstoorde relatie (g-grond) danwel omdat er sprake is van een dringende reden op grond waarvan van Van Caem niet kan worden verwacht de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij verzoekt zij te bepalen dat [verzoeker] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, dat Van Caem geen transitievergoeding is verschuldigd danwel te bepalen dat deze maximaal € 6.101,56 bruto bedraagt (bij ontbinding per 1 december 2025), [verzoeker] te veroordelen tot terugbetaling aan Van Caem van het salaris vanaf 12 augustus 2025, dan wel 1 september 2025, te bepalen dat [verzoeker] geen vakantierechten meer opbouwt na 1 september 2025 en dat Van Caem niet gehouden is de resterende 40,66 vakantieuren per 1 september 2025 uit te betalen bij het einde van het dienstverband aangezien [verzoeker] ook de laatste twee weken van augustus 2025 niet heeft gewerkt en vanaf die datum werk heeft geweigerd. Voort verzoekt Van Caem [verzoeker] te veroordelen tot terugbetaling van de onterecht door hem ingediende onkostenvergoeding tot een bedrag van € 398,28 netto, in de daadwerkelijk door Van Caem gemaakte proceskosten en de kosten van mediation.

3.Beoordeling

Verzoeken [verzoeker]

3.1.
De kantonrechter kan op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
3.2.
[verzoeker] heeft zich op 31 januari 2025 formeel bij Van Caem beklaagd over een aantal zaken, waaronder onredelijke werkuren, eenzijdige wijziging bonusafspraken/targets en het nakomen van toezeggingen en de wijze van bejegening. Op deze klachten wordt hierna ingegaan.
Onredelijke werkuren3.3. Van Caem erkent dat zij begin 2025 aan alle medewerkers heeft gevraagd om van 08.00 tot 18.00 uur op kantoor aanwezig te zijn. Zij geeft daarvoor als reden dat sprake was van aanhoudende zeer slechte resultaten en aanzienlijke verliezen, dus het was alle hens aan dek. De aanwezigheid van [verzoeker] als internationale Trader van 8.00 tot 18.00 uur op kantoor is volgens haar van groot belang voor de wereldwijde handel. Van Caem verwijst naar de relevante bepalingen in de arbeidsovereenkomst en het Handboek die dit mogelijk maken en stelt dat dit een redelijk verzoek is van haar als werkgever. Daarnaast verlangt Van Caem dat dienstreizen (ook) in het weekend worden gemaakt en dat medewerkers bij terugkeer zo veel mogelijk direct naar kantoor komen om verslag uit te brengen.
3.4.
Door deze opstelling verlangt Van Caem van [verzoeker] dat hij in plaats van de overeengekomen 40 uur per week structureel 50 uur per week werkt (en bij dienstreizen nog meer). [verzoeker] heeft daarover terecht geklaagd. De door Van Caem aangevoerde redenen rechtvaardigen deze structurele situatie niet. Van Caem kan haar tegenvallende financiële resultaten niet afwentelen op haar medewerkers door van ze te eisen dat ze voortdurend structureel overwerken. Dat medewerkers gedurende de dag allerlei pauzes nemen waardoor ze op dat moment niet productief zijn (om te roken of anderszins), maakt dit niet anders. Medewerkers zijn zelden 100% van de tijd productief. Het staat Van Caem als werkgever vrij om daar iets aan te willen doen, maar de algemene eis om structureel over te werken zonder compensatie zoals hier door Van Caem wordt opgelegd is in strijd met de eisen van goed werkgeverschap. In de arbeidsovereenkomst staat bovendien een duidelijke overwerkregeling, waarbij de meer gewerkte uren worden gecompenseerd (tijd voor tijd). Er is niet bepaald dat structureel overwerk van de werknemer mag worden verwacht, maar slechts dat dit is toegestaan als dit redelijkerwijs mag worden verwacht van de medewerker. Overigens was [verzoeker] wel bereid om over te werken, bijvoorbeeld tijdens reizen, maar de eis om structureel dan ook nog eens iedere dag 10 uur op kantoor aanwezig te zijn en dus 10 uur per week over te werken, ging hem – terecht – te ver.
Eenzijdige wijziging bonusafspraken en het niet nakomen van toezeggingen
3.5.
[verzoeker] is in dienst getreden op basis van een vast salaris met uitzicht op een bonus. In het eerste jaar wordt die afspraak al niet nagekomen. Als [verzoeker] zijn leidinggevende daarop aanspreekt, ontvangt hij een deel van de bonus alsnog, maar niet alles. Van een slechte financiële situatie is op dat moment nog geen sprake.
3.6.
Van Caem wijst op de haar toekomende discretionaire bevoegdheid in de bonusregeling, waarmee volgens haar geen enkele afspraak of toezegging bij het behalen van targets absoluut kan zijn. Van Caem betwist dat in 2023 aan [verzoeker] een bonus van zes maanden zou zijn toegezegd. Vervolgens heeft [verzoeker] haar onder druk gezet door met vertrek te dreigen, waardoor zij alsnog akkoord is gegaan met 2,5 maandsalaris, aldus Van Caem. Ten aanzien van 2024 wijst Van Caem op haar slechte financiële situatie, die beperking van de uit te keren bonussen rechtvaardigt, ook in het geval van [verzoeker] . Juist de verdiensten van de Liquor sectie blijven sterk achter, wat het besluit om de bonus van de medewerkers daar te halveren volgens Van Caem rechtvaardigt.
3.7.
[verzoeker] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij tot twee keer toe, zowel over het jaar 2023 als 2024, ondanks het bepalen van zijn target, de hem voorgespiegelde bonus niet ontving. Van Caem heeft niet betwist dat [verzoeker] zijn target over 2024 heeft behaald. Niettemin heeft [verzoeker] de in het vooruitzicht gestelde 6 bruto maandsalarissen als bonus niet ontvangen, maar, na aandringen, slechts € 15.000,00 bruto. Van Caem houdt vast aan de discretionaire bevoegdheid om naar eigen inzicht het bedrag van de bonus vast te stellen op grond van artikel 5.3 van de arbeidsovereenkomst.
3.8.
Dat voor 2024 het voorbehoud is gemaakt dat alleen tot uitkering zou worden overgegaan als de omzet op peil zou blijven, is niet gebleken. Verder heeft Van Caem erkend dat zij gedurende het jaar de targets naar boven heeft bijgesteld. Door te handelen zoals zij heeft gedaan, heeft Van Caem zich niet gedragen als goed werkgever. Een werknemer moet ervan op aan kunnen dat de werkgever zich houdt aan de afspraak om bij het behalen van de target de overeengekomen beloning uit te keren, zonder dat gedurende de looptijd de eisen eenzijdig naar boven worden bijgesteld. Het beroep van Van Caem op de volgens haar penibele financiële situatie rechtvaardigt haar ingreep onder gegeven omstandigheden onvoldoende. Daarbij is het de vraag of het gestelde achterblijvende resultaat bij Liquor alleen op de op die afdeling werkzame Traders kan worden afgewenteld, zeker nu dat tevoren – namelijk vóór het behalen van de targets – niet duidelijk en aantoonbaar is gecommuniceerd. Verder heeft Van Caem onvoldoende aangevoerd dat het gelet op haar jaarcijfers van de gehele onderneming onmogelijk was om de afspraken met [verzoeker] na te komen, noch dat zij, hoewel daarom door [verzoeker] gevraagd, ten aanzien van alle medewerkers de korting eerlijk heeft toegepast.
Bejegening
3.9.
[verzoeker] heeft zich tevens beklaagd over de manier waarop hij door Van Caem en dan met name [naam 1] is behandeld. Dit heeft bij hem geleid tot gevoelens van onveiligheid en uiteindelijk (mede) geleid tot zijn ziekmelding op 24 februari 2025. Uit het geluidsfragment en de transcriptie van het gesprek van 13 februari 2025 volgt, maar ook uit de correspondentie vanuit het bedrijf, dat de toon van met name [naam 1] stevig is. Dat past wellicht bij de handelsmentaliteit die van de medewerkers wordt verlangd, maar ook daar is een grens aan. Sommige uitdrukkingen die [naam 1] zich permitteert gaan over die grens. Dat geldt ook voor de ruwe wijze waarop [verzoeker] zonder enig overleg van Japan werd afgehaald.
Ontbinding
3.10.
De conclusie is dat [verzoeker] zich terecht heeft beklaagd en dat Van Caem daar niet passend op heeft gereageerd. Het verwijt van [naam 1] dat [verzoeker] hem rechtstreeks had kunnen aanspreken in plaats van een formele klacht indienen is niet terecht. Bovendien geeft [verzoeker] op redelijke wijze aan waar het volgens hem aan schort; Van Caem stelt zich niet redelijk op door zich niet te houden aan de bonusafspraken en maar te eisen dat er voortdurend wordt overgewerkt.
3.11.
Ook de opstelling van Van Caem na de ziekmelding van [verzoeker] dat hij toch ook zelf ontslag kan nemen, is niet redelijk. De parallelhandel in Liquor is immers een niche branche. [verzoeker] wil hierin graag verder, maar is gebonden aan een buitengewoon ruim geformuleerd concurrentie- en relatiebeding, waardoor hij niet eenvoudig op eigen initiatief elders in deze bedrijfstak aan de slag kan. [verzoeker] kan in zekere zin geen kant op. Door het eenzijdig afnemen van Japan – zijn grootste markt – was de kans om zijn target over 2025 te behalen gering. Het werken werd feitelijk zo onaantrekkelijk mogelijk gemaakt. Van Caem had zich dienen te realiseren dat zij door [verzoeker] zonder overleg Japan te ontnemen, helemaal niet aan de wensen van [verzoeker] terzake de werkdruk tegemoet kwam. [verzoeker] wilde wel hard werken, maar wenste van Van Caem een redelijke opstelling, die zoals uit het voorgaande blijkt, ontbrak.
3.12.
De conclusie is dat er voldoende reden is om de arbeidsovereenkomst te ontbinden zoals [verzoeker] heeft verzocht en wel per 1 januari 2026.
Ernstige verwijtbaarheid en vergoedingen
3.13.
Nu het verzoek tot ontbinding wordt toegewezen is de vraag vervolgens of [verzoeker] een billijke vergoeding toekomt, zoals door hem is verzocht. Een billijke vergoeding kan op grond van artikel 7:671c lid 2 sub b BW worden toegekend indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbare handelen of nalaten van een werkgever zich slechts in uitzonderlijke gevallen zal voordoen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat.
3.14.
Onder verwijzing naar het voorgaande wordt geoordeeld dat Van Caem een ernstig verwijt kan worden gemaakt van de ontstane situatie. Van Caem heeft [verzoeker] door haar onredelijke opstelling klem gezet. [verzoeker] heeft terecht geklaagd over de arbeidsomstandigheden, maar in plaats van daar iets aan te doen werd hij aan de kant gezet, terwijl hij niet ergens anders in de branche in dienst kon treden vanwege het ruime concurrentie- en relatiebeding, waarvan Van Caem geen afstand wilde doen. Van Caem is onder deze omstandigheden een billijke vergoeding verschuldigd.
3.15.
De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De billijke vergoeding heeft in beginsel geen bestraffend doel, maar met de toekenning van een billijke vergoeding kan wel worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
3.16.
Nu is geoordeeld dat Van Caem ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, kan zij op grond van artikel 7:653 lid 4 BW geen rechten ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding. Daarmee komt de weg vrij voor [verzoeker] om zijn carrière voort te zetten op de door hem gewenste wijze. Naar verwachting zal hij, nu hij onderhavige geschiedenis achter zich kan laten, mede gelet op zijn leeftijd en ambities, op afzienbare termijn elders een passende functie verwerven. In die zin wordt de schade die [verzoeker] lijdt door het einde van de arbeidsovereenkomst beperkt geacht. Daar staat tegenover het belang om te signaleren dat Van Caem als werkgever verantwoordelijk wordt gehouden voor de ontstane situatie die leidt tot de ontbinding. Een en ander afwegend wordt een vergoeding van € 25.000,00 bruto billijk geacht. Er is daarnaast onvoldoende reden tot toekenning van een vergoeding wegens immateriële schade. De wettelijke rente wordt toegewezen als na te melden.
3.17.
Nu hiervoor is overwogen dat Van Caem ernstig verwijtbaar heeft gehandeld komt werknemer tevens de transitievergoeding toe. Deze wordt berekend op € 23.081,47 bruto. Hierbij is uitgegaan van een gemiddelde bonus van € 20.000,00 per jaar. Van Caem zal worden veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Overige verzoeken
3.18.
Voor zover Van Caem heeft nagelaten het (volledige) loon van € 5.500,00 bruto per maand door te betalen vanaf 1 september 2025, zal zij hiertoe worden veroordeeld, te vermeerderen met de wettelijke verhoging, welke wordt beperkt tot 25%, en de wettelijke rente, beide vanaf de datum van verschuldigdheid tot de voldoening.
3.19.
Ten aanzien van de gevorderde bonus wordt geoordeeld dat op geen enkele manier is gebleken dat [verzoeker] zijn target over 2024 niet heeft behaald. [verzoeker] heeft dan ook recht op het overeengekomen bedrag, zodat de gevorderde nabetaling van
€ 18.000,00 bruto terzake toewijsbaar is. Daarover is de wettelijke verhoging verschuldigd, welke gezien het tijdsverloop en de aanvankelijke afspraak tussen partijen waarbij [verzoeker] akkoord ging met een lager bedrag, zal worden beperkt op 25%. De wettelijke verhoging en de wettelijke rente woren toegewezen vanaf de datum van verschuldigdheid, te weten vanaf de dag dat de (lagere) bonus is uitgekeerd, tot de voldoening.
3.20.
Er is onder deze omstandigheden geen reden meer voor [verzoeker] om afschrift te krijgen van bewijsstukken met betrekking tot de bonusberekening of een overzicht van de aan de andere werknemers toegekende bonussen, zodat dit verzoek wordt afgewezen bij gebrek aan belang.
3.21.
Ook bij het verzoek met betrekking tot het concurrentie- en relatiebeding heeft [verzoeker] geen belang meer, aangezien Van Caem hieraan geen rechten meer kan ontlenen zoals hierboven al is overwogen. Ook dit verzoek wordt afgewezen.
3.22.
Het verzoek om inzage in het personeelsdossier en verstrekking van een (digitale) kopie wordt bij deze uitkomst eveneens afgewezen.
3.23.
[verzoeker] heeft recht om een deugdelijke eindafrekening binnen 30 dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst, onder uitbetaling van het opgebouwde vakantiegeld en de niet-genoten vakantiedagen. Voorzover Van Caem meent dat [verzoeker] geacht moet worden vanaf september 2025 vakantiedagen te hebben opgenomen omdat hij niet daadwerkelijk arbeidsongeschikt was, is dat ten onrechte.
3.24.
De onredelijke opstelling van Van Caem heeft in belangrijke mate bijgedragen tot de noodzaak voor [verzoeker] om zelf een ontbindingsverzoek in te dienen. Om die reden is de gevraagde vergoeding van de op € 15.000,00 begrote juridische kosten toewijsbaar. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, nu onvoldoende is gebleken dat deze daarnaast daadwerkelijk zijn gemaakt.
Voorlopige voorziening3.25. Nu thans wordt beslist in de hoofdzaak, heeft [verzoeker] geen belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening. Deze wordt daarom afgewezen.
Intrekkingstermijn3.26. Nu een lagere billijke vergoeding wordt toegekend dan verzocht, wordt [verzoeker] conform de wet in de gelegenheid gesteld zijn verzoek in te trekken.
Voorwaardelijk tegenverzoeken van Caem:
3.27.
Voor het geval [verzoeker] gebruik maakt van zijn bevoegdheid het verzoek in te trekken, zal worden beslist op het voorwaardelijke ontbindingsverzoek van Van Caem. Dat verzoek is gegrond op verwijtbaar handelen (e-grond) danwel verstoorde relatie (g-grond). Naar de kantonrechter begrijpt is er volgens Van Caem ook sprake van ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] , omdat deze zich schuldig zou hebben gemaakt aan het op onjuiste wijze declareren van hotelkosten omdat hij niet had gemeld dat zijn partner ook een paar nachten gebruik maakte van de tijdens een dienstreis al op kosten van Van Caem geboekte kamer. Verder heeft [verzoeker] zich niet constructief opgesteld en niet meegewerkt aan werkhervatting. Wat dit laatste betreft: uit wat is overwogen met betrekking tot het door [verzoeker] ingediende ontbindingsverzoek blijkt dat de visie van Van Caem niet wordt gevolgd. Ten aanzien van het gestelde verwijt dat [verzoeker] zich schuldig zou hebben gemaakt aan frauduleus declaratiegedrag ten bedrage van € 398,26 in verband met de hotelkamer, is dat onder de gegeven omstandigheden onvoldoende om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te rechtvaardigen.
3.28.
Van verwijtbaar handelen laat staat ernstig verwijtbaar handelen van [verzoeker] is geen sprake. Dat de arbeidsverhouding tussen partijen duurzaam is verstoord is wel gebleken, zoals [verzoeker] ook erkent. Om die reden is ook het voorwaardelijke ontbindingsverzoek op deze grond toewijsbaar tegen 1 januari 2026.
3.29.
[verzoeker] heeft in dit geval eveneens aanspraak gemaakt op de transitievergoeding, billijke vergoeding, volledige advocaatkosten en de eindafrekening. Wat hierboven is overwogen ten aanzien van de ernstige verwijtbaarheid van Van Caem moet als hier ingelast worden beschouwd. Er is aanleiding tot toekenning van dezelfde vergoedingen zoals hierna te melden
Intrekkingstermijn
3.30.
Ook Van Caem zal in de gelegenheid worden gesteld haar (voorwaardelijke) verzoek in te trekken, nu een billijke vergoeding wordt toegekend.
Overige verzoeken van Van Caem
3.31.
De vordering tot terugbetaling van salaris vanaf 12 augustus 2025 danwel 1 september 2025 tot het einde van het dienstverband wordt afgewezen. Zoals is overwogen is daarvoor geen grond. Dat geldt ook voor het verzoek om te bepalen dat [verzoeker] geen vakantieuren meer heeft opgebouwd. Ten slotte is ook de terugvordering van de onkostenvergoeding van € 398,26 netto niet toewijsbaar. Van Caem heeft onvoldoende onderbouwd dat [verzoeker] deze onterecht heeft ontvangen. Het enkele feit dat zijn partner ook gebruik maakte van de hotelkamer, is onvoldoende.
3.32.
Van Caem wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het tegenverzoek, aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 814,00 incl. btw aan salaris gemachtigde.
BESLISSING
De kantonrechter:
Op het verzoek van [verzoeker]:
I. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2026;
II. kent [verzoeker] ten laste Van Caem een billijke vergoeding toe van € 25.000,00 bruto en veroordeelt Van Caem tot betaling hiervan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2026 tot de voldoening;
III. veroordeelt Van Caem tot betaling van de transitievergoeding van € 6.671,35 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maand na het einde van de arbeidsovereenkomst tot de voldoening;
IV. bepaalt dat het onder I t/m III gestelde rechtskracht ontbeert, indien het verzoek uiterlijk op 17 december 2025 door Van Caem wordt ingetrokken;
V. veroordeelt Van Caem tot:
a. betaling van het (volledige) loon van € 5.500,00 per maand vanaf 1 september 2025 tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging beperkt tot 25% en de wettelijke rente, beide te berekenen vanaf de datum van verschuldigdheid tot de voldoening, voorzover dit niet tijdig is betaald;
b. betaling van de nabetaling bonus van € 18.000,00 bruto, vermeerderd met de wettelijke verhoging beperkt tot 25% en de wettelijke rente vanaf de datum van verschuldigdheid tot de voldoening;
c. afgifte van een deugdelijke eindafrekening binnen 30 dagen na het einde van de arbeidsovereenkomst, onder uitbetaling van het opgebouwde vakantiegeld en de niet-genoten vakantiedagen;
d. betaling van € 15.000,00 aan juridische kosten.
VI. veroordeelt Van Caem in de kosten van het geding, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 732,00 aan griffierecht;
VII. veroordeelt Van Caem in de na deze beschikking ontstane kosten, begroot op € 67,50 aan salaris gemachtigde, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;
Op het voorwaardelijk tegenverzoek van Van Caem:
VIII. ontbindt de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2026;
IX. kent [verzoeker] ten laste Van Caem een billijke vergoeding toe van € 25.000,00 bruto en veroordeelt Van Caem tot betaling hiervan, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 januari 2026 tot de voldoening;
X. veroordeelt Van Caem tot betaling van de transitievergoeding van € 23.081,47 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 maand na het einde van de arbeidsovereenkomst tot de voldoening;
XI. bepaalt dat het onder VIII t/m X gestelde rechtskracht ontbeert, indien het verzoek uiterlijk op 24 december 2025 door Van Caem wordt ingetrokken;
XII. veroordeelt Van Caem in alle gevallen in de kosten van het tegenverzoek, aan de zijde van [verzoeker] tot op heden begroot op € 814,00 incl. btw aan salaris gemachtigde;
Op beide verzoeken:
XIII. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
XIV. wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. van Berkum, kantonrechter en op 10 december 2025 het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter