Uitspraak
1.De procedure
- de verzetsdagvaarding van 13 maart 2025;
- de akte houdende aanvullende productie van [geopposeerde] , ingekomen op 8 juli 2024; en
- de mondelinge behandeling van 2 oktober 2025, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt die zich in het dossier bevinden.
2.De feiten
3.Het geschil
nietdoor [opposant] uitgevoerde werkzaamheden en geleverde materialen. [geopposeerde] legt aan vordering 3 ten grondslag dat de kwaliteit van de
weldoor [opposant] verrichte werkzaamheden ondeugdelijk is en hij daardoor € 3.000,- aan schade heeft geleden.
4.De beoordeling
due date’11 november 2023 is opgenomen. Hieruit blijkt volgens hem dat [geopposeerde] de volledige aanneemsom reeds op 11 november 2023 zou voldoen. [geopposeerde] betwist dit en zegt dat op dat moment nog geen sprake was van een overeenkomst, boven het document staat dan ook offerte (
quote). Volgens hem hebben partijen omstreeks 3 december 2023 pas overeenstemming bereikt en hebben zij toen afgesproken dat [geopposeerde] de helft van de aanneemsom vóór aanvang van de werkzaamheden zou voldoen en de andere helft van de aanneemsom bij de oplevering zou voldoen.
‘due date’die één dag na de offertedatum ligt, is daarvoor onvoldoende. Hierbij is van belang dat partijen het erover eens zijn dat dit document pas in december 2023 door [geopposeerde] is ondertekend en [opposant] hierna met zijn werkzaamheden is begonnen. [geopposeerde] had op dat moment de aanneemsom nog niet voldaan. Dat [opposant] op dat moment aanspraak heeft gemaakt op betaling van de volledige aanneemsom is niet gebleken. Vast staat dat [geopposeerde] de helft van de aanneemsom vooruit heeft betaald, hetgeen overeenstemt met zijn stelling over de partij-afspraken op dit punt. Kijkend naar hoe partijen in praktijk uitvoering hebben gegeven aan de aannemingsovereenkomst, kan de kantonrechter dan ook niet vaststellen dat [opposant] erop mocht vertrouwen dat de volledige aanneemsom vooruit betaald moest worden. Tijdens de zitting heeft [opposant] een aanvullend bewijsaanbod gedaan, dat op camera zou zijn vastgelegd dat [geopposeerde] heeft toegezegd dat hij de volledige aanneemsom vooruit zou betalen. Dit bewijsaanbod wordt gepasseerd, omdat het in strijd met een goede procesorde zou zijn om [opposant] hiertoe nog in gelegenheid te stellen. Het partijdebat heeft zich in de processtukken namelijk al toegespitst op de vraag of partijen hebben afgesproken dat de volledige aanneemsom vooruitbetaald moest worden, zodat het op weg van [opposant] had gelegen om deze videobeelden uiterlijk voorafgaand aan de zitting in het geding te brengen. [opposant] had daar immers al de beschikking over.
welheeft uitgevoerd en [geopposeerde] daardoor € 3.000,- aan schade heeft geleden. Bouwinspecteurs Nederland heeft in haar rapport geconcludeerd dat het verrichte werk op alle onderdelen technisch ondeugdelijk en amateuristisch is uitgevoerd en de herstelkosten € 3.000,- bedragen. [opposant] heeft hiertegen geen inhoudelijk verweer gevoerd. Hij heeft weliswaar gesteld dat [geopposeerde] geen recht heeft op een schadevergoeding, maar daaraan geen andere argumenten ten grondslag gelegd dan dat er sprake is van schuldeisersverzuim en hij zich op opschorting beroept. De kantonrechter heeft hiervoor al uitgelegd dat deze verweren van [opposant] niet slagen. Dit betekent dat de door [geopposeerde] gevorderde schadevergoeding van € 3.000,- zal worden toegewezen.
€ 1.132,88. De toewijsbaarheid van deze vordering zal worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [geopposeerde] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag daarom toewijzen tot het wettelijke tarief. Dat is € 936,27.