Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
[gedaagde 1] B.V.,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak, tevens in het voorwaardelijk incident, met producties 1 tot en met 22,
2.De feiten
family officeren [naam 3] was bestuursvoorzitter.
“Niet is gebleken dat [eiser] te veel heeft betaald nu haar geen beroep op verrekening op grond van artikel 8.3 van de raamovereenkomst toekomt. [eiser] was immers gehouden om de betalingen te verrichten (…). [eiser] heeft (…) naar voren gebracht dat op basis van de raamovereenkomst ook na aflossing van de termijnen nog kan worden verrekend. Anders dan [eiser] stelt, is in de raamovereenkomst niet opgenomen dat verrekening kan plaatsvinden, maar staat weergegeven dat het betreffende bedrag of bedragen zal worden kwijtgescholden onder de Geldlening [bedrijf 2] en dat deze kwijtschelding de laatste nog openstaande aflostermijn(en) van de Geldlening [bedrijf 2] betreft. Er is in de raamovereenkomst niets opgenomen over de situatie dat het fiscaal voordeel later wordt gerealiseerd dan het moment waarop de resterende aflostermijnen onder de Geldlening [bedrijf 2] zijn verstreken. Dit is door [eiser] in conventie ook onderschreven. Zij stelt immers dat uit de bewoording van artikel 8.3 van de raamovereenkomst blijkt dat partijen alleen gesproken hebben over kwijtschelding van bedragen onder de Geldlening [bedrijf 2] en dat de opeising tot gevolg heeft dat [gedaagde 2] na liquidatie van [bedrijf 2] het fiscaal voordeel geniet zonder dat dit tot kwijtschelding van de verplichtingen onder de Geldlening [bedrijf 2] zal leiden waardoor [gedaagde 2] volgens haar in een voordeligere positie wordt gebracht. Nu er geen sprake meer is van openstaande aflostermijnen heeft [eiser] geen verrekeningsbevoegdheid meer.”
“Voor de gevorderde verklaringen voor recht geldt het volgende. Nu de Geldlening [bedrijf 2] volledig is opgeëist, heeft [eiser] geen rechtens te respecteren belang meer bij toewijzing van haar vorderingen die verband houden met de Geldlening [bedrijf 2] en de verrekeningsbevoegdheid onder artikel 8.3 van de raamovereenkomst. Dit betekent dat de vorderingen reeds hierom dienen te worden afgewezen.”
3.Het geschil in de hoofdzaak en het voorwaardelijk incident
primair:
subsidiair:
meer subsidiair:
voor recht verklaart dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] :
zowel primair, subsidiair als meer subsidiair:
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, inclusief nakosten.
earn outvoor [eiser] in de vorm van de kwijtschelding. Hierin zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toerekenbaar tekortgeschoten. Bovendien zijn zij ongerechtvaardigd verrijkt met het fiscaal voordeel. [gedaagde 1] is ook toerekenbaar tekortgeschoten in de afspraak om zonder uitdrukkelijke toestemming van [eiser] geen rechten en verplichtingen uit de raamovereenkomst over te dragen aan derden, in dit geval [gedaagde 2] . Ook is al dit handelen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is en levert dit een onrechtmatige daad op. [eiser] houdt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarom aansprakelijk voor haar schade die wordt begroot op het fiscaal voordeel. Het fiscaal voordeel bestaat volgens [eiser] uit de potentiële vermindering van de belastbare winst door toename van de verliesverrekeningsmogelijkheid, oftewel het maximale voordeel dat partijen nu of in de toekomst (potentieel) kunnen genieten. De voorwaardelijk incidentele vordering is ingesteld voor het geval de rechtbank, net als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , zou oordelen dat het fiscaal voordeel moet worden uitgelegd als daadwerkelijke besparing aan af te dragen Vpb wegens liquidatieverlies.
entire agreement-clausule. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot afwijzing van alle vorderingen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
4.De beoordeling
entire agreement-clausule. [3] De rechtbank hecht bij de uitleg van artikel 8.3 dan ook veel waarde aan de in de overeenkomst gebruikte bewoordingen.
board-meetingvan [bedrijf 1] op 2 maart 2018, waarbij [naam 1] en [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] aanwezig waren. In die notulen staat dat de board akkoord is gegaan met
“de verwerkingswijze zoals is voorgesteld voor [bedrijf 2] B.V.”Deze verwerkingswijze blijkt uit een notitie van [naam 4] aan [bedrijf 1] , die is als bijlage is opgenomen bij de agenda van die
board-meeting. In die notitie staat onder meer: ‘
De fiscale voordelen vanuit de vennootschapsbelasting zullen toekomen aan [eiser] B.V.’In dit verband heeft [eiser] ook gewezen op schriftelijke verklaringen van [naam 3] en [naam 4] , die beiden hebben verklaard dat onderdeel van de afspraken omtrent de beëindiging van de samenwerking door de broers was dat in alle gevallen het fiscaal voordeel zou toekomen aan [eiser] . Deze documenten van 2 maart 2018 en verklaringen van [naam 3] en [naam 4] beschrijven echter niet waaruit kan worden opgemaakt dat (ook) [naam 2] ten tijde van het aangaan van de raamovereenkomst op 3 januari 2018 de gestelde bedoeling had. Er is geen enkele concrete verklaring of gedraging van [naam 2] of zijn advocaat gebleken, waaruit kan worden afgeleid dat de tekst van artikel 8.3 incorrect of onvolledig is en dat (ook) hij heeft bedoeld dat het fiscaal voordeel in alle gevallen zou toekomen aan [eiser] . Van een ten onrechte niet geregelde situatie die om aanvulling vraagt, is ook niet gebleken. Dat een fiscaal voordeel zich mogelijk pas na de laatste termijn van de Geldlening [bedrijf 2] zou voordoen, was een vooraf voorziene omstandigheid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat partijen
nietzijn overeengekomen dat het fiscaal voordeel in alle gevallen aan [eiser] ten goede komt. Voor zover de vordering op [gedaagde 2] (als rechtsopvolger van [gedaagde 1] ) is gegrond op nakoming van de raamovereenkomst, wordt deze dus afgewezen.