ECLI:NL:RBAMS:2025:10335

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
C/13/767885 HA ZA 25-959
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging bindend advies over toepassing woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet

In deze zaak vordert de gemeente Haarlemmermeer de vernietiging van een bindend advies van de Geschillencommissie Sociaal Domein, dat oordeelde dat de gemeente Haarlemmermeer verantwoordelijk was voor de kosten van zorg voor twee jeugdigen, terwijl de gemeente Amsterdam volgens het nieuwe woonplaatsbeginsel verantwoordelijk zou zijn. De procedure begon met een dagvaarding op 27 maart 2025, gevolgd door een conclusie van antwoord en een tussenvonnis. De kern van het geschil draait om de toepassing van het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet, dat sinds 1 januari 2022 is gewijzigd. De gemeente Haarlemmermeer ontdekte in februari 2024 dat twee jeugdigen niet tijdig waren overgedragen aan de gemeente Amsterdam, wat leidde tot een geschil over de financiële verantwoordelijkheid. De Geschillencommissie oordeelde dat de gemeente Haarlemmermeer nalatig was in het controleren van declaraties, maar de rechtbank oordeelde dat deze conclusie onbegrijpelijk was en dat de gemeente Haarlemmermeer zich voldoende had ingespannen voor een tijdige overdracht. De rechtbank vernietigde het bindend advies en stelde de gemeente Amsterdam verantwoordelijk voor de zorgkosten met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022. De gemeente Amsterdam werd ook veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/767885 / HA ZA 25-959
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
GEMEENTE HAARLEMMERMEER,
te Hoofddorp,
eisende partij,
hierna te noemen: gemeente Haarlemmermeer,
advocaat: mr. M.F.A. Dankbaar,
tegen
GEMEENTE AMSTERDAM,
te Amsterdam
gedaagde partij,
hierna te noemen: gemeente Amsterdam,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer en mr. D.L. Sinaij

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 maart 2025, met producties
- de conclusie van antwoord, met producties
- het tussenvonnis van 30 juli 2025
- de akte van 25 september 2025 met producties van de gemeente Haarlemmermeer
- de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en een verkort proces-verbaal is opgesteld.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet strekt ertoe te bepalen welke gemeente verantwoordelijk is voor hulp en ondersteuning aan een jeugdige, en dus de benodigde hulp en ondersteuning moet regelen en facturen en declaraties daarvoor moet voldoen. Voorheen werd voor de invulling van het begrip ‘woonplaats’ in art. 1.1 van de Jeugdwet in beginsel aangesloten bij de woonplaats van degene die gezag over de jeugdige uitoefende. Met ingang van 1 januari 2022 is in de Jeugdwet het nieuwe woonplaatsbeginsel van kracht geworden. Sindsdien wordt voor de invulling van het begrip ‘woonplaats’ in beginsel aangesloten bij de gemeente waar de jeugdige voorafgaand aan de zorg met verblijf zijn woonadres heeft, zoals bedoeld in art. 1.1 onder o van de Wet basisregistratie personen.
2.2.
Vanwege deze wetswijziging moest het woonplaatsbeginsel van jeugdigen die op het moment van inwerkingtreding van het nieuwe woonplaatsbeginsel jeugdhulp ontvingen opnieuw worden getoetst. Dat heeft in sommige gevallen geleid tot een administratieve overdracht van de jeugdige van de ene gemeente naar de andere. Het was de bedoeling dat de administratie van gemeenten per 1 januari 2022 aansloot op het nieuwe woonplaatsbeginsel. Dat is niet in alle gevallen gelukt. In februari 2024 heeft de gemeente Haarlemmermeer ontdekt dat twee jeugdigen die in verblijf waren geplaatst in de gemeente Haarlemmermeer niet waren overgedragen aan de gemeente Amsterdam, terwijl dit volgens het nieuwe woonplaatsbeginsel wel had gemoeten. De gemeente Haarlemmermeer heeft dit aan de gemeente Amsterdam gemeld.
2.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat de twee jeugdigen volgens het nieuwe woonplaatsbeginsel onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Amsterdam vallen. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de gemeente Haarlemmermeer de twee jeugdigen te laat heeft overgedragen, nu de overdrachten per 1 januari 2022 voltooid hadden moeten zijn. Partijen verschillen echter van mening over het tijdstip waarop de financiële overdracht moet plaatsvinden.
2.4.
Partijen hebben geprobeerd om in gezamenlijk overleg tot een oplossing te komen, echter tevergeefs. Hierop heeft de gemeente Amsterdam, in overleg met de gemeente Haarlemmermeer, de kwestie voorgelegd aan de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang (hierna: de Geschillencommissie).
2.5.
De mondelinge behandeling heeft (digitaal) plaatsgevonden op 12 december 2024. Bij bindend advies van diezelfde datum heeft de Geschillencommissie de gemeente Amsterdam in het gelijk gesteld en geoordeeld dat de gemeente Haarlemmermeer de kosten vanaf 1 januari 2022 tot het moment van de feitelijke overdracht in 2024 voor haar rekening dient te nemen. Daartoe heeft de Geschillencommissie, voor zover in deze procedure relevant, het volgende overwogen:
Eerdere jurisprudentie
De commissie heeft reeds uitspraak gedaan in gelijkluidende geschillen. In deze uitspraken (zie onder andere de uitspraak met referentienummer 241126/357666) was de commissie van oordeel dat de Jeugdwet geen expliciete wettelijke kaders biedt voor situaties waarin de overdracht van een jeugdige niet tijdig heeft plaatsgevonden.
De commissie verwees hierbij naar hoofdstuk 10 van de Jeugdwet, waarin het overgangsrecht staat beschreven. Dit overgangsrecht ziet uitsluitend op het waarborgen van de continuïteit van zorg en niet op de verdeling van de financiële verantwoordelijkheid. De voornoemde wetsartikelen zijn erop gericht de continuïteit van zorg te waarborgen ter voorkoming van een vacuüm in de hulpverlening.
In beginsel dienen partijen dan ook onderling afspraken te maken over de overdracht datum van een verlaat dossier. Indien partijen niet onderling tot overeenstemming zijn gekomen over een datum tot overdracht van de jeugdige, was de commissie van oordeel dat moet worden teruggevallen op de datum dat het (gewijzigde) woonplaatsbeginsel van de Jeugdwet is ingetreden, te weten op 1 januari 2022. Vanaf die datum is verweerder immers op grond van de Jeugdwet formeel verantwoordelijk voor de jeugdige.
Toets woonplaatsbeginsel
In afwijking van het bovenstaande merkt de commissie het volgende op.
Ter zitting is gebleken dat de verweerder nalatig is geweest in het controleren van de door de zorgaanbieder ingediende declaraties. De verweerder heeft bevestigd dat de toets op het woonplaatsbeginsel slechts bij toewijzing van zorg of een verhuizing wordt uitgevoerd. In het geval van de betreffende jeugdigen is de verweerder pas nadat een verlengingsverzoek voor de zorgverlening werd aangevraagd gaan toetsen aan het woonplaatsbeginsel. Zonder dat verlengingsverzoek had de toets op het woonplaatsbeginsel volgens de verweerder pas in 2026 plaatsgevonden, gezien de duur van de onderhavige toewijzing.
Naar het oordeel van de commissie dient deze nalatigheid niet voor rekening en risico van de indiener te komen. Indien de verweerder de facturen eerder gecontroleerd had, hadden de jeugdigen veel eerder overgedragen kunnen worden en was de indiener niet pas ruim twee jaar later met de kosten geconfronteerd.
Nu dit tijdsverloop aan de verweerder te wijten is, verklaart de commissie de klacht van de indiener gegrond. De verweerder dient de kosten vanaf 1 januari 2022 tot het moment van feitelijke overdracht van de jeugdigen voor zijn rekening te nemen.
Doorontwikkeling jurisprudentie
De commissie is van oordeel dat de eerdergenoemde jurisprudentiële lijn aan doorontwikkeling onderhevig is. Met de indiener is de commissie van mening dat het onbeperkt overdragen van jeugdigen niet wenselijk is. Niet voor niets was immers vereist dat gemeenten vóór 1 januari 2022 de overdracht van dossiers hadden afgerond. De onder het woonplaatsbeginsel verantwoordelijke gemeente kan anders jaren later geconfronteerd worden met aanzienlijke financiële lasten, terwijl deze gemeente geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de kwaliteit of inhoud van de verleende zorg.
Het was reeds vereist dat gemeenten de overdracht van dossiers vóór 1 januari 2022 hadden afgerond. De commissie is van mening dat gemeenten inmiddels ruim voldoende gelegenheid hebben gehad hun administratie op orde te brengen. Derhalve gaat de commissie ervan uit dat gemeenten uiterlijk per 1 januari 2025 hun administratie met betrekking tot de overdracht van jeugdigen definitief hebben voltooid.”
2.6.
Het bindend advies is op 29 januari 2025 aan partijen toegestuurd.
2.7.
Het Reglement Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang bepaalt in art. 21 dat vernietiging van het bindend advies van de Geschillencommissie uitsluitend kan plaatsvinden door het ter marginale toetsing voor te leggen aan de rechter, binnen twee maanden na de verzending van de uitspraak aan partijen.
2.8.
De gemeente Haarlemmermeer heeft zich tijdig tot de burgerlijke rechter gewend.

3.Het geschil

3.1.
De gemeente Haarlemmermeer vordert – samengevat – vernietiging van het bindend advies van de Geschillencommissie d.d. 12 december 2024, een oordeel dat de gemeente Amsterdam verantwoordelijk is voor de kosten van de zorg van de twee jeugdigen, en veroordeling van de gemeente Amsterdam tot betaling van € 283.467,00.
3.2.
De gemeente Haarlemmermeer legt aan deze vordering ten grondslag dat de Geschillencommissie (i) ten onrechte heeft geoordeeld dat de gemeente Haarlemmermeer nalatig zou zijn geweest in het controleren van de door de zorgaanbieder ingediende declaraties, waardoor de toets aan het woonplaatsbeginsel niet eerder heeft plaatsgevonden (ii) ten onrechte is afgeweken van haar vaste lijn in eerdere bindende adviezen in vergelijkbare geschillen en aldus een inconsistent oordeel heeft gegeven, en (iii) ten onrechte de wenselijkheid van een spoedige overdracht na de wetswijziging heeft gekoppeld aan de invloed die een gemeente kan uitoefenen op de kwaliteit of inhoud van de verleende zorg.
3.3.
De gemeente Amsterdam voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente Haarlemmermeer, met voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de gemeente Haarlemmermeer in de kosten van deze procedure.
3.4.
De gemeente Amsterdam voert aan dat aan het bindend advies geen gebreken kleven, en zeker geen ernstige gebreken die tot vernietiging van het advies zouden moeten leiden. Volgens de gemeente Amsterdam had iedere redelijk handelende bindend adviseur tot een dergelijke beslissing kunnen komen, en bestaat er geen aanleiding te oordelen dat gehoudenheid aan het bindend advies in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Kern van het geschil is de vraag of het bindend advies van de Geschillencommissie van 12 december 2024 vernietigd moet worden.
4.2.
Art. 7:904 lid 1 BW bepaalt dat een beslissing van een partij of van een derde vernietigbaar is indien gebondenheid daaraan in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De toetsing van een bindend advies op grond van deze bepaling is een marginale toetsing. Uitgangspunt is de bindende kracht van de beslissing en dat slechts ernstige gebreken kunnen leiden tot vernietiging van een bindend advies. Dit toetsingskader is ook vastgelegd in het reglement van de Geschillencommissie, waarin is bepaald dat vernietiging van het bindend advies uitsluitend kan plaatsvinden door het ter marginale toetsing voor te leggen aan de rechter.
4.3.
Volgens de gemeente Haarlemmermeer is het bindend advies vernietigbaar zowel vanwege een inhoudelijk als een procedureel gebrek. Bij de beoordeling daarvan is van belang dat de Jeugdwet geen wettelijke kaders biedt voor de situatie waarin de overdracht van een jeugdige niet tijdig heeft plaatsgevonden. Daarom heeft de Geschillencommissie zelf een beoordelingskader opgezet en gehanteerd in haar beslissingen in gevallen van verlate overdracht. In de beslissingen van de Geschillencommissie zijn twee beoordelingslijnen zichtbaar, de ‘oude lijn’ voor gevallen van verlate overdracht vóór 1 januari 2025 en de ‘nieuwe lijn’ voor gevallen van verlate overdracht vanaf 1 januari 2025. Dit blijkt uit de onderhavige zaak en ook uit de door partijen aangehaalde (vergelijkbare) zaak die op dezelfde dag door de Geschillencommissie is beoordeeld.
4.4.
Onder de oude lijn gold dat partijen in beginsel onderlinge afspraken dienden te maken over de datum van financiële overdracht van een te laat overgedragen dossier, en dat bij gebrek aan onderlinge afspraken verrekening plaatsvond tot 1 januari 2022 (de datum van inwerkingtreding van het nieuwe woonplaatsbeginsel), zodat de verantwoordelijke gemeente vanaf die datum ook financieel verantwoordelijk was voor de betreffende jeugdige(n). In de onderhavige zaak betrekt de Geschillencommissie (voor zover bekend voor het eerst) een nieuw element in de beoordeling. De Geschillencommissie toetst “
In afwijking van het bovenstaande” of er sprake van is dat de overdragende gemeente zich voldoende had ingespannen om een tijdige overdracht te bewerkstelligen en – zo begrijpt de rechtbank – of de verlate overdracht dus te wijten was aan nalatigheid van de overdragende gemeente. De Geschillencommissie heeft deze overweging ook opgenomen in de (vergelijkbare) zaak die op dezelfde dag door haar is beoordeeld.
4.5.
Daarnaast introduceert de Geschillencommissie in de onderhavige zaak een ‘nieuwe lijn’ ten aanzien van gevallen van verlate overdracht vanaf 1 januari 2025. In beide beslissingen van 12 december 2024 stelt de Geschillencommissie bij de doorontwikkeling van de jurisprudentiële lijn voorop dat gemeenten de overdracht vóór 1 januari 2022 hadden moeten afronden en dat het onwenselijk wordt geacht dat jeugdigen na die datum nog onbeperkt worden overgedragen. Verantwoordelijke gemeenten kunnen daardoor immers jaren later geconfronteerd worden met aanzienlijke financiële lasten, terwijl zij geen invloed hebben kunnen uitoefenen op de kwaliteit of inhoud van de verleende zorg. De Geschillencommissie is van oordeel dat gemeenten inmiddels ruim voldoende gelegenheid hebben gehad om hun administratie op orde te brengen, en gaat er derhalve van uit dat gemeenten uiterlijk per 1 januari 2025 hun administratie met betrekking tot de overdracht van jeugdigen definitief hebben voltooid. Dit betekent dat in gevallen van overdracht vanaf 1 januari 2025, onder de ‘nieuwe lijn’ geldt dat de overdragende gemeente financieel verantwoordelijk blijft tot de datum van de feitelijke overdracht.
4.6.
In de voorliggende zaak heeft de feitelijke overdracht plaatsgevonden vóór 1 januari 2025, zodat hier de oude jurisprudentiële lijn van de Geschillencommissie van toepassing is. Dit betekent dat in beginsel de gemeente Amsterdam als verantwoordelijke gemeente ook financieel verantwoordelijk is voor de jeugdigen in kwestie, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022. Waaraan de Geschillencommissie dus, als nieuw te toetsen element, heeft toegevoegd dat gebleken moet zijn dat de overdragende gemeente zich voldoende heeft ingespannen voor een tijdige overdracht en aldus niet nalatig is geweest.
4.7.
In het bindend advies waarvan in deze procedure vernietiging wordt gevorderd, koppelt de Geschillencommissie het oordeel dat sprake is van nalatigheid aan het gebrek aan controle van de door de zorgaanbieder ingediende declaraties:
“Ter zitting is gebleken dat de verweerder nalatig is geweest in het controleren van de door de zorgaanbieder ingediende declaraties. De verweerder heeft bevestigd dat de toets op het woonplaatsbeginsel slechts bij toewijzing van zorg of een verhuizing wordt uitgevoerd. In het geval van de betreffende jeugdigen is de verweerder pas nadat een verlengingsverzoek voor de zorgverlening werd aangevraagd gaan toetsen aan het woonplaatsbeginsel. Zonder dat verlengingsverzoek had de toets op het woonplaatsbeginsel volgens de verweerder pas in 2026 plaatsgevonden, gezien de duur van de onderhavige toewijzing. Naar het oordeel van de commissie dient deze nalatigheid niet voor rekening en risico van de indiener te komen. Indien de verweerder de facturen eerder gecontroleerd had, hadden de jeugdigen veel eerder overgedragen kunnen worden en was de indiener niet pas ruim twee jaar later met de kosten geconfronteerd.”
4.8.
Daarmee hangt de Geschillencommissie het oordeel omtrent nalatigheid volledig op aan de controle van declaraties. Tijdens de mondelinge behandeling die bij de rechtbank heeft plaatsgevonden, is duidelijk geworden dat het, anders dan uit het advies lijkt te volgen, helemaal niet mogelijk is om uitsluitend op basis van declaratieregels te controleren of het woonplaatsbeginsel juist is toegepast. Dit zou enkel kunnen met behulp van de BSN-gegevens die in deze declaratieregels zijn opgenomen aan de hand waarvan de BRP van de jeugdige en de ouders kunnen worden geraadpleegd, waarmee vervolgens kan worden getoetst of het woonplaatsbeginsel juist is toegepast. Ter zitting is besproken dat dit in de praktijk echter geen reële werkwijze is: als voorbeeld is genoemd dat aan één zorgaanbieder wel 7.000 declaratieregels gekoppeld kunnen zijn. Desgevraagd hebben beide gemeenten verklaard dat de controle van het woonplaatsbeginsel noch in de gemeente Haarlemmermeer noch in de gemeente Amsterdam plaatsvindt aan de hand van (uitsluitend) de controle van declaraties. Het is voor beide partijen dan ook onduidelijk hoe de Geschillencommissie tot het oordeel is gekomen dat de gemeente Haarlemmermeer door toetsing van de declaraties eerder had kunnen ontdekken dat in dit geval het woonplaatsbeginsel onjuist was toegepast.
4.9.
Verder acht de rechtbank hier van belang dat, juist vanwege de hier geschetste uitvoeringstechnische complicaties, het Landelijk Administratieprotocol in het leven is geroepen. Dit Landelijk Administratieprotocol noemt als doel
“het verlagen van vermijdbare administratieve lasten in het proces van de administratieve en financiële verwerking van zorg voor de inspanningsgerichte uitvoeringsvariant.”Uit het Landelijk Administratieprotocol volgt niet dat de controle van het woonplaatsbeginsel plaatsvindt aan de hand van controle van declaraties. Dit volgt evenmin uit de door de gemeente Haarlemmermeer overgelegde stroomschema’s getiteld
“Uitzoeken jeugdigen waarvoor per 1 januari 2022 een andere gemeente verantwoordelijk wordt”en
“Overdracht jeugdigen over de jaargrens heen. Wet wijziging woonplaatsbeginsel jeugd per 1 januari 2022”.De gemeente Haarlemmermeer heeft ter zitting bij de rechtbank onweersproken verklaard dat zij volgens het protocol heeft gehandeld en dat de twee jeugdigen in kwestie desondanks niet zijn gesignaleerd.
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat partijen het erover eens zijn dat de gemeente Haarlemmermeer niet nalatig is geweest in het controleren van declaraties. Ook zijn partijen het erover eens dat aan de hand van – enkel – de declaraties niet vastgesteld had kunnen worden dat het woonplaatsbeginsel onjuist was toegepast. Tot slot staat als onbetwist vast dat de gemeente Haarlemmermeer volgens de geldende protocollen heeft gehandeld. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat de beoordeling door de Geschillencommissie onbegrijpelijk is gemotiveerd. Voor zover de Geschillencommissie van oordeel is dat anderszins sprake is van nalatigheid aan de zijde van de gemeente Haarlemmermeer, dan geldt dat deze beslissing evenzeer onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, nu uit de beslissing in het geheel niet blijkt waar de bedoelde nalatigheid anders in zou zijn gelegen.
4.11.
Tevens geldt dat de Geschillencommissie, door te toetsen aan nalatigheid, is afgeweken van haar vaste lijn in eerdere bindende adviezen in vergelijkbare geschillen. Dat de Geschillencommissie een nieuw element aan de toets toevoegt valt binnen de marge van hetgeen een redelijk handelende geschillencommissie kan oordelen. Wel dient de procedurele zorgvuldigheid in acht te worden genomen. In dat verband is relevant dat de gemeente Haarlemmermeer heeft aangevoerd dat zij tijdens de mondelinge behandeling bij de Geschillencommissie werd overvallen door de vraag over toetsing van declaraties en niet de kans heeft gekregen om uit te leggen welke inspanningen wél zijn geleverd om een tijdige overdracht van jeugdigen te bewerkstelligen. Uit hetgeen ter zitting bij de rechtbank is verklaard door zowel de gemeente Haarlemmermeer als de gemeente Amsterdam, maakt de rechtbank op dat naar de overige inspanningen door de Geschillencommissie niet (uitdrukkelijk) is gevraagd en dat de gemeente Haarlemmermeer ook anderszins niet in de gelegenheid is gesteld om haar inspanningen toe te lichten. Dat terwijl de gemeente Haarlemmermeer niet was voorbereid op de toets aan nalatigheid. Daarmee kleeft er ook een procedureel gebrek aan het bindend advies.
4.12.
Het bindend advies vertoont dus zowel vanwege de inhoud als vanwege de wijze van totstandkoming daarvan gebreken. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze gebreken zo fundamenteel dat de Geschillencommissie in redelijkheid niet tot haar oordeel had kunnen komen. Deze gebreken brengen mee dat instandhouding van het bindend advies naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Zoals op de zitting aan de orde is gekomen, is in de uitvoeringspraktijk een complexe situatie ontstaan omdat het voor gemeenten niet duidelijk is wanneer de ene of de andere gemeente financieel verantwoordelijk is in geval van een verlate overdracht. De gemeente Haarlemmermeer krijgt op haar beurt ook verzoeken van overdragende gemeenten om financiële verantwoordelijkheid te accepteren voor jeugdigen die ten onrechte niet eerder aan haar gemeente zijn overgedragen. In redelijkheid kan niet van een gemeente gevergd worden dat zij, zonder gegronde reden, enerzijds de financiële verantwoordelijkheid van overdragende gemeenten wél accepteert, terwijl zij er anderzijds mee wordt geconfronteerd dat zij bij een verlate overdracht de kosten niét op de verantwoordelijke gemeente kan verhalen. De vordering van de gemeente Haarlemmermeer tot vernietiging van het bindend advies van de Geschillencommissie wordt dan ook toegewezen.
4.13.
De vernietiging van het bindend advies heeft tot gevolg dat een geldige beslissing ontbreekt. In dat geval kan de rechter zelf een beslissing geven, of de zaak terugverwijzen naar – in dit geval – de Geschillencommissie. Met inachtneming van de vaste lijn van de Geschillencommissie (zoals weergegeven in rov. 4.4) kan de rechtbank in dit geval de zaak zelf afdoen. Ter zitting is bovendien gebleken dat niet alleen partijen, maar ook andere gemeenten behoefte hebben aan een duidelijke lijn aan de hand waarvan deze en eventuele toekomstige geschillen beslecht kunnen worden. Gelet op dit partijoverstijgende belang ziet de rechtbank te meer aanleiding om de zaak zelf af te doen.
4.14.
De rechtbank zal beslissen conform de vaste lijn van de Geschillencommissie geldend voor gevallen van verlate overdracht vóór 1 januari 2025, zoals weergegeven in rov. 4.4. Die lijn houdt in dat verrekening met de verantwoordelijke gemeente in beginsel plaatsvindt tot 1 januari 2022. Daarnaast zal de rechtbank ook het nieuwe element van nalatigheid meenemen en beoordelen of de gemeente Haarlemmermeer zich voldoende heeft ingespannen om een tijdige overdracht te bewerkstelligen en de verlate overdracht dus niet te wijten is aan nalatigheid van de overdragende gemeente.
4.15.
Zoals ook in rov. 4.9 is overwogen, heeft de gemeente Haarlemmermeer ter zitting bij de rechtbank onweersproken verklaard het Landelijk Administratieprotocol te hebben gevolgd, en dat de twee jeugdigen in kwestie desondanks niet zijn gesignaleerd. Op het moment dat de gemeente Haarlemmermeer ontdekte dat de jeugdigen ten onrechte niet waren overgedragen, heeft zij direct contact opgenomen met de gemeente Amsterdam. In zoverre is van nalatigheid geen sprake. De gemeente Amsterdam heeft er nog op gewezen dat de gemeente Haarlemmermeer in juli 2023, toen een ander geval werd ontdekt waarin overdracht niet tijdig had plaatsgevonden, meer alert had moeten zijn op fouten in de administratie. De gemeente Haarlemmermeer heeft hier vervolgens tegenover gesteld dat zij steeds alert is op eventuele fouten, maar dat de situatie ten aanzien van de hier aan de orde zijnde jeugdigen, vanwege de atypische casus, redelijkerwijs niet eerder ontdekt had kunnen worden. Gelet op dit partijdebat en bij gebrek aan concrete punten die wijzen op daadwerkelijke nalatigheid gaat de rechtbank hieraan voorbij. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat de gemeente Haarlemmermeer zich voldoende heeft ingespannen voor een tijdige overdracht. Van nalatigheid aan de zijde van de gemeente Haarlemmermeer is dus geen sprake.
4.16.
Nu geen sprake is van nalatigheid aan de zijde van de gemeente Haarlemmermeer, geldt volgens de vaste lijn van de Geschillencommissie dat de gemeente Amsterdam met terugwerkende kracht tot 1 januari 2022 verantwoordelijk is voor de zorgkosten van de twee jeugdigen in kwestie. De gemeente Amsterdam heeft de hoogte van het door de gemeente Haarlemmermeer gevorderde bedrag niet bestreden. De vordering tot veroordeling van de gemeente Amsterdam tot betaling van € 283.467,00 wordt dan ook toegewezen.
4.17.
De gemeente Amsterdam is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente Haarlemmermeer worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
148,04
- griffierecht
6.861,00
- salaris advocaat
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
12.615,04

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
vernietigt het bindend advies van de Geschillencommissie Sociaal Domein: Woonplaatsbeginsel en Toegang d.d. 12 december 2024, verzonden op 29 januari 2025, met zaaknummer 498577/639619,
5.2.
veroordeelt de gemeente Amsterdam om aan de gemeente Haarlemmermeer te betalen een bedrag van € 283.467,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
veroordeelt de gemeente Amsterdam in de proceskosten van € 12.615,04 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de gemeente Amsterdam niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Singeling en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.