Beoordeling
7. Vooropgesteld wordt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is als bedoeld in sub c tot en met i van artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en voorts herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
8. Volgens Advanced is de optelsom van de twee waarschuwingen, het vervolgens toch weer te laat komen op het overleg van 9 juli 2025 en het geheel niet verschijnen op de training van 16 juli 2025, voldoende reden om de arbeidsovereenkomst te ontbinden.
9. [verweerder] heeft hiertegen ten eerste aangevoerd dat de waarschuwingen niet terecht waren. Aan [verweerder] kan worden toegegeven dat te laat komen tijdens de periode van re-integratie hem in beginsel minder zwaar kan worden aangerekend dan wanneer hij volledig arbeidsgeschikt zou zijn geweest. Advanced is ook een tijdlang coulant geweest en heeft begrip getoond als [verweerder] niet op tijd was. Op het moment dat [verweerder] echter te laat bleef komen en vaak geruime tijd, mocht Advanced hem hierop aanspreken. Anders dan [verweerder] aanvoert kan daarbij uit de stukken niet worden opgemaakt dat slaapproblematiek ten grondslag lag aan het te laat komen en als dit al zo was dan heeft hij dit onvoldoende duidelijk gemaakt aan Advanced. [verweerder] heeft slechts één keer (begin januari 2024) gemeld dat hij slecht sliep en verder steeds een andere (praktische) reden gegeven waarom hij niet op tijd was. Dat de bedrijfsarts op dit punt een specifiek advies heeft gegeven is evenmin gebleken. Advanced heeft [verweerder] daarom op goede grond op 15 maart 2024 een officiële waarschuwing gegeven. Dat deze later zou zijn ingetrokken door [naam 1] is door Advanced bestreden en heeft [verweerder] verder niet concreet toegelicht. Wel heeft [naam 2] ter zitting toegegeven dat [naam 1] heeft gezegd dat de waarschuwing niet voor eeuwig zou zijn, maar dat is iets anders dan dat die helemaal van tafel zou zijn.
10. Evenmin valt in te zien dat Advanced de tweede waarschuwing niet had mogen geven. Als goed werknemer had [verweerder] , mede gezien de duur van de reis, op zijn minst moeten laten weten dat hij een periode niet in Nederland verbleef. Dat geldt ook als daarover in het personeelshandboek niets is geregeld. [verweerder] is immers, ook wanneer hij niet bij een klant is geplaatst, in dienst van Advanced en krijgt op dat moment ook zijn salaris doorbetaald. Advanced mag in dat kader van [verweerder] verwachten dat hij zowel voor collega’s als voor het management goed bereikbaar en snel beschikbaar is. Niet weersproken is dat [verweerder] tijdens zijn verblijf in Marokko telefonisch slecht en soms zelfs niet te bereiken was en het spreekt voor zich dat hij op die afstand minder snel beschikbaar en inzetbaar was voor Advanced. Een open vliegticket maakt dat niet anders. Dat [verweerder] op dat moment niet op een opdracht was geplaatst betekent dan ook niet dat hij geen plichten had tegenover Advanced. Onbetwist is bovendien dat [verweerder] in die periode ook daadwerkelijk overleggen waar hij werd geacht aanwezig te zijn, heeft gemist. [verweerder] had als goed werknemer voorafgaand aan zijn vertrek toestemming aan Advanced moeten vragen dan wel vakantieverlof moeten opnemen, maar in ieder geval had hij moeten melden dat, wanneer en voor hoelang hij naar Marokko ging, ook al was de situatie spoedeisend vanwege een sterfgeval. Het valt [verweerder] te verwijten dat hij dat niet heeft gedaan. De in dit verband gegeven waarschuwing is dan ook terecht gegeven en is niet disproportioneel, zoals [verweerder] betoogt.
11. [verweerder] heeft voorts niet betwist dat hij te laat is verschenen op het overleg van 9 juli 2025, maar voert aan dat hem dit niet kan worden kwalijk genomen omdat hij niet de enige was. Hoewel Advanced dat erkent, was [verweerder] volgens haar als enige niet een paar minuten maar een half uur te laat. [verweerder] heeft dat niet bestreden, net zo min als dat hij heeft weersproken dat twee collega’s die uit dezelfde richting kwamen, wel op tijd waren. Daarnaast is voldoende komen vast te staan dat [verweerder] zich in de dagen ná het overleg niet heeft ingespannen om met zijn groepje de opdracht voor de training van 16 juli 2025 voor te bereiden. Volgens [verweerder] heeft hij geprobeerd met het groepje te bespreken of ze de week erna konden afspreken, maar heeft hij daarop niets meer gehoord. Ter zitting heeft hij desgevraagd erkend dat hij niet met de collega’s heeft afgesproken en dat hij Advanced hierover niet heeft ingelicht. Vervolgens heeft hij de training van 16 juli 2025, waarvan hij wist dat Advanced dat van hem verlangde, in het geheel niet bijgewoond. Als dat was omdat hij bezig was met de voorbereiding van een examen, zoals [verweerder] aanvoert, had hij dat vooraf met Advanced moeten overleggen. Advanced heeft echter aan de hand van productie 16 voldoende duidelijk gemaakt dat het niet geloofwaardig is dat [verweerder] die dag daadwerkelijk bezig was met zijn opleiding. Uit de productie volgt dat [verweerder] in totaal slechts 50 seconden actief is geweest binnen de online lesomgeving van de opleiding en het is niet goed voorstelbaar dat [verweerder] , nadat hij voor de eerste keer had ingelogd, binnen 50 seconden de digitale lesomgeving heeft kunnen overzien, het betreffende lesmateriaal heeft kunnen vinden én dat heeft kunnen downloaden, zoals hij beweert. Daarbij geldt bovendien dat áls hij op 16 juli 2025 tijd zou hebben besteed aan zijn opleiding en niet aan de training, hem nog steeds het verwijt treft dat hij dit op eigen houtje heeft besloten, zonder overleg met Advanced.
12. [verweerder] heeft zich derhalve meerdere keren, zonder overleg en ondanks eerdere waarschuwingen, niet aan de regels gehouden die Advanced hem voorschreef en die zij als werkgever redelijkerwijs ook mocht voorschrijven. Hoewel daartegenover staat dat [verweerder] na een moeilijke en verdrietige tijd, zijn re-integratie uiteindelijk goed heeft afgerond (zie de e-mail van 30 mei 2024 van [naam 1] ) en hij zijn werk inhoudelijk goed lijkt aan te kunnen (zie de feedback van [klant] ) heeft [verweerder] door zijn gedrag verwijtbaar gehandeld, zodanig dat van Advanced in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dit geldt te meer nu [verweerder] in 2025 geen opdracht had en dus slechts een beperkte inspanning van hem werd verwacht. De beperkte instructies die hij kreeg, had hij dan ook stipt moeten en kunnen nakomen. Advanced stelt daarbij terecht dat zij het zich niet kan permitteren dat [verweerder] dit gedrag vertoont bij haar opdrachtgevers omdat dit haar goede naam zal aantasten. [verweerder] voert nog wel aan dat dit niet strookt met de omstandigheid dat hij op 1 oktober 2025 nog voor Advanced heeft gewerkt, maar dat verweer gaat niet op, want dat was niet voor een opdrachtgever, maar op het kantoor van Advanced zelf. Nu sprake is van verwijtbaar handelen is herplaatsing niet aan de orde. De arbeidsovereenkomst wordt daarom ontbonden tegen 1 februari 2026. [verweerder] heeft niet verzocht om de transitievergoeding en Advanced wordt daarom niet veroordeeld tot betaling daarvan, maar [verweerder] heeft ingevolge artikel 7:673 lid 1, a sub 2 BW wel recht op de transitievergoeding.
13. [verweerder] verzoekt wel om een billijke vergoeding ingevolge artikel 7:671b lid 9 sub c BW, maar heeft niet toegelicht waaruit het ernstig verwijtbaar handelen van Advanced zou bestaan en heeft ook geen concreet bedrag aan billijke vergoeding genoemd. Voor zover [verweerder] doelt op het incident van 7 februari 2024, kan dat niet aan het ontbindingsverzoek ten grondslag hebben gelegen, nu Advanced reeds op 23 juli 2025 heeft gemeld dat zij de arbeidsovereenkomst met [verweerder] wilde beëindigen en [verweerder] eerst op 13 augustus 2025 over het incident heeft verteld. Daarbij is duidelijk dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van het handelen van [verweerder] en niet vanwege het handelen van Advanced, laat staan dat dit handelen ernstig verwijtbaar zou zijn. De door [verweerder] verzochte billijke vergoeding wordt daarom afgewezen.
14. Nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, bestaat aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.