ECLI:NL:RBAMS:2025:10301

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11902971
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbindingsverzoek afgewezen wegens onvoldoende ernstige verstoring arbeidsrelatie

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 2 december 2025 uitspraak gedaan in een ontbindingsverzoek van Mediacollege tegen [verweerster]. Mediacollege verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van een verstoorde arbeidsrelatie, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW. De rechtbank oordeelde dat, hoewel er sprake was van spanningen tussen partijen, deze niet van dien aard waren dat ontbinding gerechtvaardigd was. De kantonrechter concludeerde dat beide partijen een aandeel hadden in de ontstane situatie en dat Mediacollege onvoldoende had aangetoond dat de verstoring ernstig en duurzaam was. De rechtbank wees het verzoek tot ontbinding af en veroordeelde Mediacollege in de proceskosten. Tevens werd bepaald dat [verweerster] per 5 januari 2026 weer toegang tot haar werk moest krijgen, zodat de terugkeer in goed overleg kon worden voorbereid. De uitspraak benadrukt het belang van samenwerking en communicatie in arbeidsrelaties, vooral na een periode van conflict.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11902971 \ EA VERZ 25-1123
Beschikking van 2 december 2025
in de zaak van
STICHTING MEDIA AMSTERDAM, H.O.D.N. MEDIACOLLEGE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekende partij
hierna te noemen: Mediacollege ,
gemachtigde: mr. A.D. Klaver,
tegen
[verweerster],
te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. A.G.J. Knipping.
Kern van de zaak

1.De procedure

1.1.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling zijn de volgende stukken overgelegd:
- het verzoekschrift met producties en nagekomen producties 34-38 van Mediacollege;
- het verweerschrift met producties van [verweerster] .
1.2
Het verzoek is gelijktijdig behandeld met kort geding 1187740 KK 25-607. In die procedure heeft [verweerster] (bij wijze van voorlopige voorziening) wedertewerkstelling in haar eigen functie gevorderd. In die procedure zal een afzonderlijk vonnis worden gewezen.
1.3
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025. Voor Mediacollege zijn [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] verschenen, bijgestaan door mr. A. Klaver en mr. P. de Leede. [verweerster] is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen en vragen van de kantonrechter beantwoord. Na verder debat is om beschikking gevraagd. De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Mediacollege is een vakschool voor de media. De school heeft verschillende opleidingen, waaronder de kleinschalige mbo-opleiding [naam opleiding] .
2.2.
[verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1967, is sinds 27 augustus 2012 in dienst bij Mediacollege. De functie van [verweerster] is [naam functie 1] met een loon van € 4.727,20 bruto per maand. Zij is daarnaast [naam functie 2] ( [naam functie 2] ). [verweerster] werkte tot 2024 in een klein kernteam, dat bestond uit een aantal docenten en een opleidingscoördinator ( [naam 5] ). Daarnaast werkten er voor de opleiding een aantal zzp-ers.
2.3.
De onderwijsinspectie heeft de opleiding [naam opleiding] in 2018, 2019 en 2020 als onvoldoende beoordeeld. Mediacollege zag zich geconfronteerd met een daling van het aantal studenten dat instroomt en van het aantal studenten dat de opleiding met een diploma verlaat.
2.4.
In oktober 2023 heeft de voorzitter van het college van bestuur een e-mail gestuurd aan de mederwerkers van de opleiding. Daarin schrijft zij dat dhr. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) bereid was gevonden om de coördinerende taken van [naam 5] vanaf 1 januari 2024 gedurende 1 jaar over te nemen. Dit in verband met het feit dat [naam 5] in die periode met sabbatical zou zijn. In de e-mail staat verder:
“We hebben [naam 1] daarnaast gevraagd om advies te formuleren over de vraag hoe we de opleiding [naam opleiding] kunnen verstevigen binnen Ma. Wat is er nodig om de opleiding toekomstbestendig te maken en hoe ziet dat er dan uit? Dit advies geeft ons input voor de plannen voor de komende schooljaren.”
2.5.
Op 16 november 2023 is er een bespreking geweest waar het management de rol van [naam 1] aan de medewerkers van de opleiding heeft toegelicht.
2.6.
Op initiatief van [naam 1] vond in februari 2024 een tweedaagse heisessie plaats. [naam 1] heeft zijn ideeën voor de herinrichting van de opleiding (waaronder de zogenaamde ‘Schijf van [naam opleiding] ’) daar met het team gedeeld. [verweerster] heeft daarop kritisch gereageerd met een groot aantal inhoudelijke vragen. Daarop is een discussie ontstaan. Als gevolg daarvan is een groot gedeelte van de vooraf geagendeerde onderwerpen niet besproken.
2.7.
Naar aanleiding van de heidagen heeft [verweerster] een e-mail gestuurd aan [naam 1] en een deel van het docententeam, waarin zij onder meer het volgende heeft geschreven:
“(…) Waar knelt het bij mij;Ik ben niet bang voor verandering. (…) Het curriculum van [naam opleiding] is gebaseerd op leerlijnen en de leerlijnen weer op ons curriculum. Aan deze leerlijnen hebben we veel aandacht besteed en, genuanceerd gekoppeld aan het KD, gekeken waarvan wij denken wat de student nodig heeft in de 3 jaar dat hij op de opleiding zit.
Wanneer we vakken moeten schuiven/veranderen/vermeerderen/afstoten/uitbreiden etc etc lijkt het mij goed om te kijken waaróm dat nodig is. Waar missen we, vanuit de student, KD en leerlijnen gedacht, onderdelen in het curriculum? Wat staat er al? Wat willen we behouden? Wat missen we? Wat kan overboord? Wat willen we veranderen? En vooral: waarom?
Er is niet één keer naar de leerlijnen gekeken om te zien of we daar aanvulling of verandering nodig hebben.
(…) Ik krijg het idee dat er veel nieuws moet gebeuren zonder eerst te kijken en te bespreken wat er al ligt. [naam opleiding] is een klein ‘overleg’team, erg veel polderen, zinnen afwegen en we moeten het met z’n allen eens zijn. Dat is zeker niet altijd efficiënt. Maar ik heb er moeite mee dat wanneer er iets veranderd wordt (…) en het voor mij niet duidelijk is waarom dit een meerwaarde heeft op wat er al bestond.(…)”
2.8.
[naam 1] heeft hierop eveneens per e-mail gereageerd. Hij heeft hierin onder meer toegelicht dat hij het gevoel heeft in een spagaat te verkeren
: “Werken met een team dat al jaren door weer en wind deze opleiding draagt tegenover een vraag om verandering. De opdracht is veelomvattend, belangrijk en liegt er qua uitdaging niet om.”Vervolgens heeft [naam 1] een stukje van een schriftelijke taakomschrijving gedeeld. Hij heeft daarbij benoemd dat hij de opdracht graag wat uitgebreider had besproken en dat hij niet wist hoeveel daarover verteld was bij de overdracht.
2.9.
[verweerster] heeft hierop bedankt voor de reactie en sluit af met:
“We gaan er voor!”
2.10.
In de periode daarop bleven er discussies ontstaan tussen [naam 1] en [verweerster] over de ingezette hervorming van de opleiding.
2.11.
In maart 2024 heeft [verweerster] contact opgenomen met opleidingscoördinator [naam 4] (hierna: [naam 4] ). Daarin heeft zij aangekaart dat zij problemen ervaarde in de samenwerking met [naam 1] . Daarop heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 4] en [verweerster] . [naam 4] heeft daarin toegelicht wat de taak van [naam 1] was binnen de opleiding. [verweerster] heeft [naam 4] later per e-mail bedankt voor het verhelderende gesprek.
2.12.
In april 2024 is voor het eerst de volledige taakomschrijving en de omvang van het mandaat van [naam 1] schriftelijk met [verweerster] gedeeld.
2.13.
In juni 2024 is de situatie tussen [naam 1] en [verweerster] tot een escalatie gekomen. [naam 1] had een aantal personele beslissingen genomen, zoals het beëindigen van de samenwerking met de zzp-ers. Dat had gevolgen voor het curriculum. [verweerster] was het niet eens met deze beslissingen. Naar aanleiding hiervan hebben [verweerster] en haar collega [naam 6] op 25 juni 2024 in een e-mail aan [naam 4] het vertrouwen in [naam 1] opgezegd. Zij schrijven onder meer:
“(…) het belangrijkste voor ons blijft de samenwerking met [naam 1][ [naam 1] , red ktr.].
Deze blijft onwerkbaar door het gebrek aan vertrouwen. wij zitten in een situatie waarin we hem vermijden en enkel in meetings met meerdere mensen nog enigszins een functioneel gesprek kunnen voeren.”
2.14.
Op 28 juni 2024 heeft [verweerster] opnieuw een e-mail gestuurd aan [naam 4] om haar beklag te doen over [naam 1] . Zij schrijft daarin onder meer:
“ (…) we raken hele gedreven en goede vakdocenten kwijt. Dit gaat ten koste van de reputatie van de opleiding en al helemaal van ons werkplezier. Sterker nog, ik vind de situatie onwerkbaar aan het worden.Het gaat nooit over de inhoud, de studenten of de docenten. Het gaat over HR. Ik merk dat is zo kwaad ben dat ik het niet kan verdragen als ik alleen in 1 ruimte ben met [naam 1] (hij komt ongevraagd bij mij op kantoor zitten terwijl ik een les aan het voorbereiden ben Er worden geen prioriteiten gesteld. Hij vindt dat hij ‘recht heeft’ op draaidagen als ‘acteur’. Ik krijg het niet rechtgebreid dat we moeten doorknallen (Simulise, Studio 26, docenten eruit gegooid zonder vervanging van kwaliteit, etc)terwijl we de inhoud niet bespreken. Ik kan mijn werk als [naam functie 2] ’er niet doen omdat ik geen antwoorden heb op de vragen van studenten en de puinhoop die voor ons ligt. Ik zie mezelf dit niet erg lang meer volhouden.”
2.15.
Op 6 juli 2024 heeft [naam 1] in een e-mail aan [verweerster] en [naam 6] input gevraagd in het kader van veranderingen in het curriculum. [verweerster] heeft daarop in een e-mail gereageerd:
“Nee. Je kan niet in een weekend iets er doorheen smijten. Nee. Ik wil niet schuiven want er is een curriculum met een reden en een opbouw. Ik ga pas weer door met de afspraken voor de planning als er na het gesprek met [naam 4] , [naam 3] en mij meer duidelijk is over [naam 7] . Dan zullen we jou wel appen. Hier is nog lang niet alles over gezegd. Want hier ga ik dwars voorliggen. Daarna praten we misschien nog verder.”
2.16.
Op 8 juli 2024 vond er een gesprek plaats tussen [naam 4] , [verweerster] en [naam 6] . [naam 4] heeft in dat gesprek de noodzaak van de te nemen maatregelen toegelicht en heeft voorgesteld om mediation en / of coaching in te zetten om de samenwerking met [naam 1] te verbeteren.
2.17.
Op 9 juli 2024 heeft [verweerster] zich ziekgemeld
2.18.
Op 28 augustus 2024 had [verweerster] een afspraak bij de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft – kortgezegd – vastgesteld dat [verweerster] op dat moment niet in staat was om te werken en heeft mediation geadviseerd. Ook heeft de bedrijfsarts geadviseerd om [verweerster] een coach aan te bieden.
2.19.
Op 10 oktober 2024 heeft [verweerster] een afspraak gehad met de verzuimconsultant. Naar aanleiding van deze afspraak is gestart met het coachingstraject dat door de bedrijfsarts was geadviseerd.
2.20.
Op verzoek van [verweerster] is half december 2024 een mediationtraject gestart.
2.21.
Op 14 januari 2025 had [verweerster] opnieuw een afspraak bij de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft geconstateerd dat [verweerster] op medische gronden weer in staat was om te werken, maar dat er voor de werk-gebonden problematiek nog onvoldoende oplossingen waren gevonden. Hij adviseerde oplossingsgerichte gesprekken te blijven voeren.
2.22.
Mediacollege heeft met [verweerster] besproken dat zij het niet wenselijk vond dat [verweerster] gedurende het lopende mediation traject aanwezig zou zijn in het gebouw van de opleiding [naam opleiding] en dat zij gedurende die periode contact zou hebben met studenten. Voor [verweerster] zijn in het kader van re-integratie vervangende werkzaamheden gevonden op een andere locatie.
2.23.
Op 29 januari 2025 heeft [verweerster] aan [naam 4] een e-mail gestuurd met daarin een plan van aanpak voor de terugkeer in haar eigen werkzaamheden in 10 weken.
2.24.
Op 10 maart 2025 heeft HR Adviseur [naam 8] een e-mail aan [verweerster] gestuurd, waarin zij schrijft:
“de mediation tussen jou en [naam 1] is nog gaande. Jullie zijn nog niet gekomen tot gedeelde afspraken over hoe de samenwerking binnen de opleiding [naam opleiding] er voor jullie uit kan zien en welke afspraken jullie maken t.a.v. communicatie met anderen (collega’s, studenten, andere betrokkenen) over de afgelopen periode. Wij ( [naam 4] en [naam 8] ) hebben aangegeven dat er geen sprake kan zijn van terugkeer in het werkproces binnen de opleiding [naam opleiding] , zolang deze afspraken nog niet door jullie in gezamenlijkheid zijn gemaakt. We benadrukken het belang van het behoud van rust voor studenten en het docententeam dat momenteel de lessen verzorgd. Nogmaals bevestigd [naam 4] het dringend verzoek om voorlopig niet fysiek in het gebouw van [naam opleiding] te werken, zonder overleg vooraf. (…)”
2.25.
Op 3 april 2025 is er een gesprek geweest tussen [verweerster] , [naam 4] en [naam 8] . In dat gesprek heeft [verweerster] aangegeven dat zij graag weer aan het werk wilde in haar eigen functie, dat zij daarvoor graag tot meetbare afspraken wilde komen en dat voor haar onduidelijk was waarom het zo lang duurde. Daarop hebben [naam 4] en [naam 8] toegelicht dat werk bij [naam opleiding] op dat moment niet mogelijk was, omdat er geen werk op [naam functie 1] -niveau beschikbaar was. Er zou wel gekeken kunnen worden naar opbouw bij [naam opleiding] aan de zijlijn, mits [naam 1] en [verweerster] onderling samenwerkingsafspraken zouden maken. Ook is gesproken over een voorval waarbij studenten aan [naam 1] hebben gevraagd of [verweerster] aanwezig mocht zijn bij hun voorstelling en een ander voorval waarbij [verweerster] had ingestemd met het verzoek van een collega om als assessor bij een examen op te treden. Volgens [naam 4] en [naam 8] hield [verweerster] zich daarmee niet aan de instructie afstand tot de leerlingen te bewaren en niet in het gebouw te komen.
2.26.
Op 6 mei 2025 vond er een gesprek plaats tussen [verweerster] en [naam 4] . Dat gesprek ging over het feit dat [verweerster] graag een opleiding wilde volgen tot vertrouwenspersoon. [naam 4] moest dat verzoek afwijzen omdat er op dat moment geen financiële ruimte voor was (mede vanwege de kosten van de coaching en mediation met [naam 1] ).
2.27.
Op 16 juni 2025 vond een gesprek plaats tussen [verweerster] , [naam 4] en het hoofd HR van Mediacollege. Naar aanleiding van dat gesprek heeft het hoofd HR op 17 juni 2025 in een e-mail aan [verweerster] onder meer het volgende geschreven:
“Wat ons is opgevallen is dat je over jouw rol bij de voorvallen veelal de terugkoppeling gaf dat je er geen invloed op had, dat het niet jouw verantwoordelijkheid is en dat je niet van mening bent dat jij ander interventies of andere stappen had kunnen nemen om tot een oplossing te komen. Je bent aangesteld als [naam functie 1] en van een medewerker in deze functie wordt naast onderwijsinhoudelijke verantwoordelijkheden ook verantwoordelijkheid verwacht ten aanzien van persoonlijk leiderschap en een professionele werkhouding. Die laatste 2 punten hebben we niet (voldoende) gezien in het gesprek. We denken dan aan een aantal de besproken voorbeelden van situaties die zich de afgelopen periode hebben voorgedaan en jouw handelen daarin, zoals:- De situatie rondom het meest recente bezoek van [naam 9] aan het Mediacollege;- het betrekken van de studenten daarbij;- Beoogde deelname aan de eindfilm;
Je bent inmiddels al ruim 4 maanden hersteld maar hebt nog niet kunnen terugkeren in je eigen functie, vanwege de verstoorde arbeidsverhouding met [naam 1] as jouw leidinggevende. [naam 1] heeft aangegeven dat hij na alle inspanningen hij geen vertrouwen meer heeft in een verbetering van de arbeidsrelatie. De mediation loopt inmiddels al langere tijd, zonder (voldoende) resultaat en uitzicht op verbetering. Hij heeft aangegeven er geen vertrouwen meer in te hebben en het mediationtraject te willen afronden.
Het lijkt ons gezien bovenstaande op dit moment niet realistisch te verwachten dat je het komend schooljaar weer terug kunt in je eigen functie binnen de opleiding [naam opleiding] . Ons voorstel is daarom dat we samen gaan kijken naar een passende oplossing (…).
2.28.
Het mediationtraject is vervolgens zonder resultaat afgesloten, volgens [verweerster] op initiatief van Mediacollega.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Mediacollege verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen zo spoedig mogelijk te ontbinden, met inachtneming van artikel 7:671b lid 9 sub a BW, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
3.2.
.Zij stelt daartoe dat sprake is van een verstoorde arbeidsrelatie in de zin van artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Volgens Mediacollege heeft [verweerster] lange tijd veel ruimte gehad om invloed uit te oefenen op de manier waarop op de opleiding [naam opleiding] werd vormgegeven. Dat veranderde met de komst van [naam 1] en de herinrichting van de opleiding. [verweerster] had daar moeite mee en stelde zich niet constructief op. De situatie is geëscaleerd in juni 2024. Toen heeft [verweerster] het vertrouwen in [naam 1] opgezegd. Pogingen van Mediacollege om het arbeidsconflict dat was ontstaan op te lossen, zijn op niets uitgelopen. Er is vanaf januari 2025 sprake geweest van een stapeling van incidenten, waardoor de vertrouwensbreuk tussen Mediacollege en [verweerster] groter is geworden. Volgens Mediacollege heeft de arbeidsrelatie daarmee haar houdbaarheid verloren.
3.3.
[verweerster] voert verweer tegen het ontbindingsverzoek. Primair betwist zij dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie.
3.4
Subsidiair – voor het geval de kantonrechter de arbeidsovereenkomst wel ontbindt – verzoekt [verweerster] om haar de wettelijke transitievergoeding en een billijke vergoeding van € 275.000,- bruto toe te kennen. Volgens [verweerster] is het eindigen van de arbeidsovereenkomst in dat geval namelijk het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van Mediacollege.

4.Beoordeling

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst met [verweerster] kan worden ontbonden. Uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst kan worden ontbonden als daarvoor een redelijke grond is en herplaatsing van de werkgever binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
4.2.
Mediacollege verzoekt ontbinding op grond van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub g BW. Voor een voldragen g-grond moet de arbeidsrelatie dermate ernstig en duurzaam zijn verstoord, dat in redelijkheid niet van de werkgever kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat in deze zaak niet aan de orde. Dit wordt als volgt toegelicht.
4.3.
Het lijdt geen twijfel dat de arbeidsverhouding tussen partijen sinds de komst van [naam 1] onder spanning is komen staan, en vervolgens in juni 2024 verstoord is geraakt. Beide partijen hebben daarin een aandeel gehad. Enerzijds mocht van [verweerster] worden verwacht dat zij meer ruimte zou hebben geboden aan [naam 1] om zijn rol van opleidingscoördinator invulling te geven en de hervorming van de opleiding gestalte te geven. [verweerster] was het niet eens met die hervorming, maar het was niet aan haar om daarover te beslissen. Zij heeft zich met betrekking tot het doorvoeren van die hervormingsplannen weinig flexibel opgesteld. Anderzijds is Mediacollege tot april 2024 onduidelijk geweest over de opdracht en het mandaat van [naam 1] . In november 2023 werd slechts nog gesproken over een ‘advies’ dat aan [naam 1] zou worden gevraagd. In februari 2024 werden door [naam 1] echter zeer concrete en ingrijpende wijzigingen met betrekking tot de opleiding doorgevoerd. Eerst in april 2024 werd de volledige opdracht met [verweerster] gedeeld. Daaruit werd pas duidelijk dat [verweerster] een mandaat had dat verder ging dan de taken die de opleidingscoördinator, die dat schooljaar met sabbatical was, en waarvan hij de taken waar nam. Het is voorstelbaar dat deze onduidelijkheid voor spanningen en weerstand heeft gezorgd. Dat geldt des te meer nu de opleiding [naam opleiding] werd gedragen door een klein, betrokken team dat gewend was veel inspraak te hebben in de gang van zaken. Mediacollege had daar beter op kunnen en moeten anticiperen en toen daar frictie ontstond dat proces vanuit het management beter moeten begeleiden.
4.4.
Gelet op het lange dienstverband van [verweerster] en het eigen aandeel van Mediacollege in de verstoring die in juni 2024 was ontstaan, mocht op dat moment van beide partijen worden verwacht dat zij zich zouden inspannen om vruchtbaar met elkaar samen te werken. Het lijkt erop dat partijen die intentie ook hebben gehad. Er zijn afspraken gemaakt over coaching en mediation. [naam 1] heeft tijdens de zitting toegelicht dat hij er in de zomer van 2024 vanuit is gegaan dat [verweerster] in het nieuwe schooljaar weer zou werken en dat zij daar samen ook uit zouden komen. Van een voldragen g-grond was op dat moment dus geen sprake.
4.5.
De verhouding is vanaf januari 2025 echter verder op scherp komen staan, maar dat is naar het oordeel van de kantonrechter voor een belangrijk deel het gevolg van de manier waarop Mediacollege is omgegaan met de re-integratieperiode. Zij heeft zonder goed uit te leggen waarom dat nodig was bij het opstarten van de re-integratie de voorwaarde gesteld dat [verweerster] niet in het gebouw van de opleiding zou komen en afstand zou houden tot de studenten. Dat was geen afspraak maar een opdracht, waar [verweerster] zich niet makkelijk aan kon onttrekken en waarvan niet op voorhand vast staat waarom dat een redelijke instructie van Mediacollege was aan haar werknemer die terug kwam na arbeidsongeschiktheid. Daarmee heeft zij [verweerster] op afstand gezet, zonder dat daarvoor een objectieve rechtvaardiging was. Uit het advies van de bedrijfsarts van 14 januari 2025 blijkt dat het arbeidsconflict nog niet was opgelost, hetgeen niet betekent dat de verstoring op dat moment zo ernstig was dat [naam 1] en [verweerster] niet in hetzelfde gebouw aanwezig konden zijn. Mediacollege heeft met de door haar gestelde voorwaarden de oorzaak van de verstoring te veel bij [verweerster] gelegd en te weinig oog gehad voor haar eigen aandeel. Bovendien heeft zij [verweerster] geen, althans onvoldoende, perspectief geboden op een uiteindelijke terugkeer in de eigen functie. [verweerster] was inmiddels vervangen en zelf op de lijst met ‘inactieven’ geplaatst. Op voorstellen van haar om tot een meetbaar stappenplan te komen werd niet inhoudelijk gereageerd. Haar werd in april 2025 te verstaan gegeven dat er geen werk op [naam functie 1] -niveau beschikbaar was terwijl dat het eigen werk van [verweerster] betrof. Daarmee heeft Mediacollege [verweerster] vanaf januari 2025 zachtjes maar zeker steeds verder uit haar functie en van de opleiding weggedrukt. De vervangers van [verweerster] en haar collega (die net als zij in de zomer van 2024 is uitgevallen) worden door [naam 1] aangemerkt als zijn vaste team met wie hij prettig samen werkt terwijl [verweerster] feitelijk op (één van die twee) formatieplaatsen is aangesteld. Dat had anders gemoeten. Dat de arbeidsverhouding in deze periode niet is hersteld maar juist is verslechterd, is derhalve niet de schuld van van [verweerster] .
4.6.
Volgens Mediacollege is sindsdien sprake geweest van een ‘stapeling van incidenten of signalen’ die hebben geleid tot een definitieve vertrouwensbreuk met [verweerster] . Dit heeft zij echter niet voldoende gespecificeerd. De voorbeelden die Mediacollege heeft genoemd (zoals dat [verweerster] als assessor heeft opgetreden bij een examen Engels, dat zij zou hebben gevraagd om te mogen acteren in een film van studenten en zou zijn gesignaleerd in het gezelschap van een volgens Mediacollege omstreden oud docent) zijn onvoldoende om de ernstige vertrouwensbreuk waarvan volgens Mediacollege sprake is te kunnen dragen. Daar komt bij dat een belangrijk deel van de door Mediacollege gegeven voorbeelden voldoende door [verweerster] gemotiveerd is betwist.
4.7.
Al met al komt de kantonrechter tot de volgende conclusie. Er is al langere tijd sprake van een verstoorde arbeidsverhouding. Die verstoring betreft in feite de verhouding tussen uitsluitend [naam 1] en [verweerster] . Het zal van hen beiden de nodige inspanning en enige flexibiliteit vergen om weer vruchtbaar samen te werken, maar - mede vanwege het eigen aandeel dat Mediacollege in de verstoring heeft gehad en het lange dienstverband van [verweerster] - mag die inspanning ook worden gevergd. Van een voldragen g-grond is derhalve geen sprake. Het ontbindingsverzoek wordt daarom afgewezen.
4.8.
De proceskosten komen voor rekening van Mediacollege, omdat Mediacollege overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verweerster] worden begroot op € 881,50 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 67,50 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
In de voorlopige voorzieningen procedure waarin ook heden uitspraak wordt gedaan wordt de vordering tot wedertewerkstelling toegewezen in de zin dat Mediacollege [verweerster] per 5 januari weer toe moet laten tot het (eigen) werk. De maand december kan dan door partijen worden gebruikt om die terugkeer in goed overleg voor te bereiden.

5.De beslissing

De kantonrechter:
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
veroordeelt Mediacollege in de proceskosten van € 881,50 in totaal, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Mediacollege niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Patijn en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.