ECLI:NL:RBAMS:2025:10251

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11854368 EA VERZ 25-978
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst met verzoek om vergoedingen en achterstallig loon

In deze zaak heeft de kantonrechter op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een ontbindingsverzoek van een arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en [verweerster]. [verzoekster] verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst, met toekenning van een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, alsook betaling van achterstallig loon. [verweerster] verzet zich niet tegen de ontbinding, maar stelt dat zij financieel niets meer aan [verzoekster] verschuldigd is. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst, maar wijst de verzoeken om vergoedingen af, omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Wel heeft [verzoekster] recht op betaling van achterstallig loon, maar niet in het door haar gevraagde bedrag. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dat er geen recht op een billijke vergoeding of transitievergoeding bestaat. De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 januari 2026, met een veroordeling tot betaling van € 168,72 bruto aan achterstallig salaris en de verplichting om loonstroken te verstrekken. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij zijn eigen kosten draagt, tenzij [verzoekster] het verzoek intrekt, in welk geval zij de kosten van [verweerster] moet vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11854368 \ EA VERZ 25-978
Beschikking van 17 december 2025
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. A. Azauiyat,
tegen
[verweerster] , handelend onder de naam [handelsnaam 1] of [handelsnaam 2],
wonende te [woonplaats] ,
verweerster,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. A.S. Arts.

1.De zaak in het kort

In deze zaak heeft [verzoekster] een verzoek gedaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen partijen, onder toekenning van een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Verder vindt [verzoekster] dat zij nog recht heeft op betaling van achterstallig loon.
[verweerster] verzet zich niet tegen de gevraagde ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar stelt zich op het standpunt dat zij financieel niets meer aan [verzoekster] is verschuldigd.
De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst, maar wijst de door [verzoekster] verzochte vergoedingen af, omdat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] . Wel heeft [verzoekster] nog recht op betaling van achterstallig loon, maar niet zoveel als zij heeft verzocht.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van [verzoekster] van 24 augustus 2025 met producties,
- het verweerschrift van [verweerster] van 22 oktober 2025 met producties,
- de aanvullende stukken van [verzoekster] van 29 oktober 2025 met een wijziging van het verzoek,
- de mondelinge behandeling van 5 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waar door [verweerster] ook pleitaantekeningen zijn overgelegd.
2.2.
Na afloop van de zitting is de zaak twee weken aangehouden voor overleg tussen partijen. Op 18 november 2025 heeft de gemachtigde van [verzoekster] medegedeeld dat partijen onderling geen oplossing hebben kunnen bereiken.
2.3.
De datum voor beschikking is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1.
[verweerster] is een 22-jarige beginnende onderneemster die ongeveer een jaar geleden een beautysalon is gestart.
3.2.
Op 1 maart 2025 is [verzoekster] , destijds studente, bij [verweerster] in dienst getreden op basis van een oproepovereenkomst voor de duur van één jaar. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat beide partijen de overeenkomst kunnen opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van 2 maanden.
3.3.
Op enig moment is tussen partijen een geschil ontstaan, mede omdat [verzoekster] liever niet had dat er foto’s van haar op de social media kanalen van [verweerster] zouden worden geplaatst.
3.4.
[verweerster] heeft toen op 25 mei 2025 het volgende bericht aan [verzoekster] gestuurd:
“(…) En ik vind social media fotos etc heel belangrijk, dus heel eerlijk gezegd denk ik niet dat deze samenwerking dan op dat vlak door kan gaan. Ik wil heel graag iemand met fotos etc en als zulke dingen al moeizaam zijn omdat het geen beauty of [verzoekster] is als je tiktok wat ik begrijp heb ik er gw niet meer zoveel vertrouwen in. Ik wil je bedanken voor alles. Ik vond het ook heel leuk alleen is dit wel een voorwaarde van mij”
3.5.
[verzoekster] heeft als volgt gereageerd:
“Aangezien ik nog steeds een contract bij je heb, hoor ik wel graag formeel wat de status is van onze samenwerking, onder welke voorwaarden jij deze wilt beëindigen, en wat je daarin eventueel kunt aanbieden ter compensatie of correcte afronding. (…) je kan me niet zomaar voor een ongeldige reden gedag zeggen zonder dat er formeel stappen zijn ondernomen dat snap je toch schat?”
3.6.
Hierop heeft [verweerster] gereageerd:
“Ik zal het contract verbreken en dan zal ik je aankomende 2 maanden op oproepbasis inplannen omdat je alles volgens contract wil doen. (…) Stuur me maar je beschikbaarheid van de aankomende 2 maanden dan zal ik je inplannen waar nodig.”
[verweerster] heeft met dit bericht meegestuurd een schriftelijk aanbod om de arbeidsovereenkomst te beëindigen op een termijn van 2 maanden.
3.7.
[verzoekster] is niet akkoord gegaan met dit voorstel.

4.Het verzoek en het verweer

4.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het volgende:
te verklaren voor recht dat sprake is van een loonachterstand van € 1.054,50 netto, bestaande uit niet betaalde gewerkte (over)uren, vermeerderd met de wettelijke verhoging van € 527,25, met bevel aan [verweerster] om de loonachterstand (inclusief wettelijke verhoging) binnen 3 werkdagen na deze beschikking te voldoen op het rekeningnummer van [verzoekster] ,
de arbeidsovereenkomst te ontbinden,
te verklaren voor recht dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerster] ,
een netto billijke vergoeding vast te stellen primair ter hoogte van € 10.123,20 en subsidiair ter hoogte van € 8.400,-, met bevel aan [verweerster] om de billijke vergoeding binnen 3 werkdagen na deze beschikking te voldoen op het rekeningnummer van [verzoekster] ,
te verklaren voor recht dat [verzoekster] recht heeft op een transitievergoeding, met bevel aan [verweerster] om de transitievergoeding binnen 3 werkdagen na deze beschikking te voldoen op het rekeningnummer van [verzoekster] ,
te verklaren voor recht dat [verzoekster] recht heeft op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging primair ter hoogte van € 1.012,32 en subsidiair ter hoogte van € 840,-, met bevel aan [verweerster] om deze vergoeding binnen 3 werkdagen na deze beschikking te voldoen op het rekeningnummer van [verzoekster] ,
[verweerster] te veroordelen om binnen 3 werkdagen na deze beschikking aan [verzoekster] te verstrekken de loonstroken over het gehele dienstverband, alsmede de loonstroken waarin de betalingen van sub a, d, e en f zijn verwerkt, alsmede een correcte eindafrekening, op straffe van verbeuring van een dwangsom van € 500,- voor elke dag dat [verweerster] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 50.000,-.
[verweerster] te veroordelen in de kosten van de procedure, inclusief advocaatkosten,
tot betaling van de wettelijke rente over de onder sub a, d, e en f genoemde kosten vanaf het opeisbaar worden van die bedragen tot de dag der algehele voldoening.
4.2.
Aan dit verzoek legt [verzoekster] ten grondslag – kort weergegeven – dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] . [verzoekster] maakt aanspraak op een billijke vergoeding, transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Ook dient [verweerster] nog achterstallig loon te voldoen, aldus [verzoekster] .
4.3.
[verweerster] legt zich neer bij de verzochte ontbinding maar voert verweer tegen de overige verzoeken.
4.4.
De stellingen en verweren van partijen komen hierna bij de beoordeling aan de orde.

5.De beoordeling

De loonvordering
5.1.
In dit geval is sprake van een oproepovereenkomst. Artikel 628a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een werknemer in dat geval recht heeft op drie uur loon wanneer zij minder dan drie uur werkt en dat zij recht heeft op loon als de oproep binnen vier dagen voor aanvang schriftelijk wordt ingetrokken.
5.2.
[verzoekster] heeft een schematisch overzicht gemaakt, waaruit volgens haar volgt dat zij nog recht heeft op een loonbetaling van € 1.054,50 netto. Voor een deel, namelijk voor een bedrag van € 463,98 bruto, heeft [verweerster] de loonvordering erkend en dit bedrag heeft [verweerster] ook al aan [verzoekster] betaald.
5.3.
Ten aanzien van het overige deel van het verzoek van [verzoekster] wordt het volgende overwogen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat partijen het erover eens zijn dat uitgegaan moet worden van het wettelijk minimumloon van € 14,06 bruto per uur.
5.4.
Op de mondelinge behandeling heeft [verweerster] erkend dat [verzoekster] op 8 april 2025 zes uur heeft gewerkt, welke uren nog niet aan haar zijn betaald. Het gaat om een bedrag van € 84,36 bruto.
5.5.
[verzoekster] heeft ook loon verzocht voor uren die zij had moeten werken op 25 maart 2025, welke oproep niet tijdig door [verweerster] zou zijn ingetrokken. Uit appcontact tussen partijen blijkt echter dat [verzoekster] zelf heeft besloten deze dag niet te komen werken omdat zij zichzelf nog niet ervaren genoeg vond om ‘echte’ klanten te helpen (in plaats van modellen). Zij heeft namelijk het volgende bericht aan [verweerster] gestuurd: “
Uhm even denken ja nee als je echt druk hebt en je zegt dat iedereen proffesioneel geholpen wilt worden dan laat ik het wel voor wat het is zodat het niet chaotisch voor je word”. Omdat [verzoekster] zelf de dienst heeft afgezegd, heeft zij geen recht op loon voor deze uren.
5.6.
Hetzelfde geldt voor het loon dat [verzoekster] heeft verzocht voor uren die zij had moeten werken op 29 april 2025. [verzoekster] was opgeroepen om te werken op deze dag, maar er zou maar één klant komen. [verzoekster] heeft daarom zelf, met het oog op de lange reistijd, de dienst afgezegd met een appbericht. Omdat [verzoekster] zelf de dienst heeft afgezegd, heeft zij geen recht op loon voor deze uren.
5.7.
Dan staan er nog een aantal dagen tussen partijen ter discussie (20 april 2025, 22 april 2025 en 6 mei 2025) waarop [verzoekster] niet heeft aangetoond dat zij is opgeroepen. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat zij toch recht heeft op loon over deze dagen, omdat partijen vaste werkdagen zouden hebben afgesproken. Daarmee miskent [verzoekster] echter de essentie van de oproepovereenkomst, die erdoor wordt gekenmerkt dat de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht niet zijn vastgelegd. Voor zover partijen al ‘vaste’ dagen zijn overeengekomen, kan dat in het licht van de oproepovereenkomst alleen maar zo worden uitgelegd dat [verzoekster] alleen deze dagen oproepbaar was. Als er echter geen oproeping volgt, kan [verzoekster] geen aanspraak maken op loon.
5.8.
Dan blijft over de loonvordering die betrekking heeft op 11 mei 2025. [verzoekster] was opgeroepen om op deze dag te werken, maar [verweerster] stelt zich op het standpunt dat in gezamenlijk overleg is besloten deze dienst te laten vervallen. [verweerster] wordt niet gevolgd in dit standpunt, omdat onvoldoende is gebleken dat er gezamenlijk overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden over het verval van de dienst. [verweerster] heeft een appbericht aan [verzoekster] gestuurd met de volgende inhoud: “
Hey! Je bent morgen vrij we moeten eerst nog alles bespreken voor we klanten doen”. Hieruit volgt niet dat [verzoekster] een keuze had om de dienst wél door te laten gaan, noch dat zij de mogelijkheid heeft gekregen al dan niet in te stemmen met het vervallen van de dienst. Het appbericht is immers geen vraag aan [verzoekster] , maar eerder een mededeling. Dat betekent dat [verweerster] voor de dienst van 11 mei 2025 nog loon aan [verzoekster] is verschuldigd, omdat deze dienst is ingetrokken binnen vier dagen voor aanvang van de dienst. Het gaat om een bedrag van € 84,36 bruto.
5.9.
De conclusie is dat [verzoekster] nog recht heeft op betaling van € 168,72 bruto aan achterstallig salaris. Over dit bedrag is wettelijke rente en wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 verschuldigd. De wettelijke verhoging zal worden beperkt tot maximaal 25%. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van het verzoekschrift, nu niet concreet een eerdere ingangsdatum is gesteld.
De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden
5.10.
De kantonrechter kan op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
5.11.
Nu [verweerster] zich neerlegt bij het verzoek tot ontbinding, zal de ontbinding worden toegewezen per 1 januari 2026.
Geen billijke vergoeding en transitievergoeding
5.12.
Nu het verzoek tot ontbinding wordt toegewezen is de vraag vervolgens of [verzoekster] een billijke vergoeding toekomt, zoals door haar is verzocht. Een billijke vergoeding kan op grond van artikel 7:671c lid 2 sub b BW worden toegekend indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbare handelen of nalaten van een werkgever zich slechts in uitzonderlijke gevallen zal voordoen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat.
5.13.
Geoordeeld wordt dat [verweerster] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. [verweerster] is daarom geen billijke vergoeding verschuldigd. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
5.14.
De ernstige verwijtbaarheid, waarvan [verzoekster] claimt dat deze zich heeft voorgedaan, bestaat uit vier verschillende onderdelen.
5.15.
Het eerste verwijt van [verzoekster] is dat [verweerster] haar ten onrechte op staande voet heeft ontslagen, waarna zij het ontslag heeft ingetrokken en heeft aangegeven de arbeidsrelatie op te willen zeggen, zonder geldige grondslag. [verweerster] heeft [verzoekster] daarmee op een dwaalspoor willen zetten en heeft geprobeerd de arbeidsovereenkomst op oneigenlijke gronden te beëindigen.
5.16.
Aan [verzoekster] kan worden toegegeven dat [verweerster] onduidelijke standpunten heeft ingenomen in de discussie die tussen partijen heeft gespeeld over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Zij had dat als werkgever beter moeten doen, maar naar het oordeel van de kantonrechter is daarmee nog geen sprake van ernstige verwijtbaarheid van [verweerster] jegens [verzoekster] . Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het te ver strekt om het bericht van 25 mei 2025 als een ontslag op staande voet te betitelen. Uit de reactie van [verzoekster] blijkt ook dat zij dat niet heeft gedaan, maar juist om opheldering vraagt wat [verweerster] precies bedoeld: “
Aangezien ik nog steeds een contract bij je heb, hoor ik wel graag formeel wat de status is van onze samenwerking, onder welke voorwaarden jij deze wilt beëindigen (…)”. Vervolgens heeft [verweerster] kennelijk getracht de arbeidsovereenkomst te beëindigen met wederzijds goedvinden, waarbij zij de opzegtermijn van 2 maanden, zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst, tot uitgangspunt heeft genomen. In aanmerking genomen dat [verweerster] een jonge, beginnende onderneemster is, die nog geen ervaring heeft met personeelszaken, kan haar maar in beperkte mate kwalijk worden genomen dat ze de contractbeëindigingsonderhandelingen met [verzoekster] op deze wijze heeft aangepakt. In ieder geval haalt de handelswijze van [verweerster] – voor zover daar al een mate van verwijtbaarheid uit voortvloeit – niet de lat van ernstige verwijtbaarheid.
5.17.
Het tweede verwijt van [verzoekster] is dat [verweerster] structureel niet, althans niet tijdig, het loon aan haar betaald.
5.18.
Over het loon is hiervoor reeds geoordeeld. Het gaat om een bedrag van € 463,98 bruto dat [verweerster] heeft erkend en al voorafgaand aan deze procedure aan [verzoekster] heeft betaald. [verweerster] heeft ten onrechte een bedrag van € 168,72 bruto nog niet betaald aan [verzoekster] , wat betrekking heeft op twee werkdagen van zes uur. Het is verwijtbaar dat [verweerster] als werkgever het loon niet volledig heeft betaald, maar het gaat hier om een klein bedrag waarmee de lat van ernstig verwijtbaar handelen niet wordt gehaald. Daarbij moet worden meegewogen dat [verzoekster] ook – onterecht – aanspraak heeft gemaakt op een veel hoger bedrag aan achterstallig loon, hetgeen de onderlinge verhouding geen goed heeft gedaan.
5.19.
Het derde verwijt van [verzoekster] is dat [verweerster] niet heeft gezorgd voor een behoorlijke inwerkperiode voor [verzoekster] . [verweerster] betwist dit. Zij stelt dat zij [verzoekster] een cursus van € 1.000,- heeft gegeven en ook – daar waar dat mogelijk was – tijd heeft besteed aan persoonlijke begeleiding en training.
5.20.
Vooropgesteld wordt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen en niet van een opleidingscontract of stageovereenkomst. Van [verzoekster] mag daarom worden verwacht dat zij in principe beschikt over de eigenschappen en kwaliteiten die nodig zijn om de functie naar behoren uit te kunnen oefenen. Partijen kunnen uiteraard specifieke rechten en verplichtingen overeenkomen op het gebied van opleiding en ontwikkeling, maar dat dat hier het geval is geweest, is onvoldoende gebleken. Ook is niet duidelijk, als deze afspraken al zouden zijn gemaakt, wat die dan concreet inhielden. Daarmee is niet gebleken dat [verweerster] op dit punt tekort is geschoten in enige verplichting die op haar rustte als werkgever en evenmin is gebleken dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verzoekster] .
5.21.
Ten slotte verwijt [verzoekster] [verweerster] dat zij haar zichtbaarheid voor klanten bewust heeft uitgesloten door haar niet op de bedrijfswebsite te vermelden als beschikbare kracht. Hierdoor werd het onmogelijk voor klanten om haar te boeken.
5.22.
De kantonrechter oordeelt dat [verweerster] op dit punt evenmin ernstig verwijtbaar heeft gehandeld jegens [verzoekster] . Het staat [verweerster] als ondernemer vrij om te bepalen hoe zij haar bedrijfsvoering vormgeeft, via welke kanalen en op welke momenten zij boekingen laat plaatsvinden. Niet gesteld of gebleken is dat er tussen partijen concrete afspraken bestaan over de zichtbaarheid van [verzoekster] op de bedrijfswebsite, laat staan dat [verweerster] zich daar niet aan zou hebben gehouden.
5.23.
Omdat de conclusie is dat [verweerster] niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, wordt geen aanleiding gezien om een billijke vergoeding aan [verzoekster] toe te kennen. [verweerster] is in dit geval ook geen transitievergoeding verschuldigd, omdat geen sprake is van een situatie als omschreven in artikel 7:673 lid 1 sub b aanhef en onder 2 BW.
Geen vergoeding wegens onregelmatige opzegging
5.24.
Dit verzoek is niet toewijsbaar. Partijen zijn het erover eens dat de arbeidsovereenkomst nog steeds loopt. Als dat anders zou zijn, is het verzoek van [verzoekster] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst onbegrijpelijk. Omdat de arbeidsovereenkomst nog steeds bestaat, is er geen sprake van een (onregelmatige) opzegging en dus ook niet van een vergoeding op deze grond.
5.25.
Voor zover [verzoekster] heeft bedoeld een gefixeerde schadevergoeding te verzoeken op grond van artikel 7:671c lid 3 aanhef en onder a van het BW, is ook dat verzoek niet toewijsbaar. De hiervoor uitgebreid besproken omstandigheden billijken naar het oordeel van de kantonrechter niet dat een vergoeding als bedoeld in dit artikel aan [verzoekster] moet worden toegekend. [verzoekster] heeft ook niet deugdelijk onderbouwd welke omstandigheden het billijk zouden maken om aan haar een gefixeerde schadevergoeding toe te kennen. De verwijten die zij [verweerster] maakt in het kader van de ernstige verwijtbaarheid zijn immers zoals hiervoor geoordeeld deels onterecht en kunnen voor het overige sterk worden gerelativeerd.
Intrekkingsmogelijkheid
5.26.
Nu de kantonrechter de ontbinding zal uitspreken zonder daaraan een vergoeding te verbinden zal [verzoekster] conform artikel 7:686a lid 6 jo lid 7 BW een termijn krijgen om het verzoek in te trekken.
De loonstroken
5.27.
[verzoekster] heeft verzocht om afgifte van loonstroken. [verzoekster] heeft hier recht op en dat heeft [verweerster] ook erkend. Het verzoek zal daarom worden toegewezen als hierna in de beslissing bepaald.
Proceskosten
5.28.
Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen proceskosten dragen, behalve als [verzoekster] overgaat tot intrekking van het verzoek. In dat geval moet zij de proceskosten van [verweerster] vergoeden.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2026,
6.2.
bepaalt dat het onder 6.1. gestelde rechtskracht ontbeert, indien het verzoek uiterlijk op 31 december 2025 door [verzoekster] wordt ingetrokken,
6.3.
veroordeelt [verweerster] tot betaling aan [verzoekster] van € 168,72 bruto aan achterstallig salaris, vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW van maximaal 25% en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, te rekenen vanaf 24 augustus 2025 tot de dag van voldoening,
6.4.
veroordeelt [verweerster] om binnen 14 dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoekster] te verstrekken de loonstroken over het gehele dienstverband, alsmede de loonstrook waarin de betaling van 6.3. is verwerkt en een correcte eindafrekening, op straffe
van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [verweerster] daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 1.000,00,
6.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, behalve in het geval [verzoekster] het verzoek intrekt als hiervoor onder 6.2. bedoeld, in welk geval [verzoekster] wordt veroordeeld in de kosten van het geding, aan de zijde van [verweerster] tot op heden begroot op € 543,00 aan salaris gemachtigde en € 67,50 aan nakosten,
6.6.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. van der Veen, kantonrechter, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.