ECLI:NL:RBAMS:2025:10250

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11516919 CV EXPL 25-2473
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling na onverschuldigde betaling en geschil over rechtsverhouding tussen partijen

In deze civiele procedure vordert VTSM B.V. betaling van een bedrag van € 2.032,80 van Pitwater Nederland B.V. naar aanleiding van de aankoop van twee Wacker trilstampers. VTSM stelt dat zij de factuur heeft betaald, maar dat één van de trilstampers niet is geleverd. Pitwater betwist de rechtsverhouding en stelt dat er geen overeenkomst bestaat tussen haar en VTSM, omdat de bestelling is geplaatst door een derde partij, [naam 1], die niet bevoegd was om Pitwater te vertegenwoordigen. De kantonrechter oordeelt dat er geen rechtsverhouding bestaat tussen VTSM en Pitwater, en dat er dus geen sprake is van onverschuldigde betaling. VTSM heeft niet aangetoond dat de betaling daadwerkelijk door Pitwater is ontvangen. De vordering van VTSM wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
fno: 33623.MVU
Zaaknummer: 11516919 \ CV EXPL 25-2473
Vonnis van 16 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
VTSM B.V.,
gevestigd te 's-Gravenzande,
eiseres, hierna te noemen: VTSM,
gemachtigde: Van der Velde & Van Hal Incasso,
tegen
de besloten vennootschap
PITWATER NEDERLAND B.V.(v.h.o.d.n. CORBEILLE BOUW GROEP BV),
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde, hierna te noemen: Pitwater,
gemachtigde: mr. S.C. Noordhuis.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 januari 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het instructievonnis van 15 april 2025, waarin een mondelinge behandeling van de zaak is gelast,
- de rolmededeling van 15 juli 2025, waarin is beslist dat geen mondelinge behandeling wordt gehouden, maar dat schriftelijk zal worden doorgeprocedeerd,
- de conclusie van repliek, met een productie,
- de conclusie van dupliek, met producties,
- de rolmededeling van 21 oktober 2025, waarin is beslist dat VTSM een akte uitlating producties mag nemen,
- de akte uitlating producties van VTSM.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 7 augustus 2023 heeft VTSM van haar zakelijke relatie, de heer [naam 1] (verder: [naam 1] ), twee Wacker trilstampers gekocht voor een totaalbedrag van € 3.872,00.
2.2.
Op de factuur staat de volgende afzender vermeld:
“Corbeille Bouw Groep BV
(…)
KVK 33212896
(…)
[rekeningnummer] (…)”
2.3.
VTSM heeft de factuur op 17 augustus 2023 betaald op het IBAN rekeningnummer dat staat vermeld op de factuur. Dit rekeningnummer staat op naam van ‘ [naam 2] ’.
2.4.
Eén van de twee gekochte trilstampers (ter waarde van € 2.032,80) is niet geleverd aan VTSM.
2.5.
Op 13 mei 2024 heeft VTSM Pitwater, als rechtsopvolger van Corbeille Bouw Groep BV, in gebreke gesteld en haar een termijn gegeven waarbinnen de trilstamper alsnog kon worden geleverd.
2.6.
Pitwater heeft op 14 mei 2024 gereageerd en aan VTSM aangegeven dat [naam 1] niet bevoegd is om Pitwater rechtsgeldig te vertegenwoordigen, noch dat zij opdracht heeft gegeven tot het bestellen en/of leveren van goederen door/aan [naam 1] . Pitwater concludeert dat er geen rechtsverhouding bestaat tussen haar en VTSM.
2.7.
Bij e-mail van 26 mei 2024 heeft [naam 1] aan de gemachtigde van VTSM toegezegd dat de trilstamper alsnog zal worden geleverd. Verder heeft hij het volgende vermeld:
“(…) Pitwater Nederland BV heeft hier totaal niets mee te maken, onduidelijk waarom er is gefactureerd vanuit Corbeille Bouwgroep. (…)”
2.8.
Op 26 juni 2024 heeft VTSM aan Pitwater te kennen gegeven dat zij voornemens is over te gaan tot een gerechtelijke procedure. Pitwater heeft daarop op 1 juli 2024 nogmaals aangegeven dat er geen rechtsverhouding bestaat tussen haar en VTSM.
2.9.
De trilstamper is uiteindelijk niet aan VTSM geleverd.

3.Het geschil

3.1.
VTSM vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Pitwater tot betaling van:
  • € 2.032,80 aan hoofdsom,
  • € 304,92 aan buitengerechtelijke incassokosten,
  • € 284,92 aan vervallen handelsrente, berekend tot en met 3 januari 2025,
  • de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 4 januari 2025 tot de dag der algehele voldoening,
  • de proceskosten.
3.2.
Aan haar vordering legt VTSM ten grondslag dat Pitwater de voorgaande en tevens ook weer de opvolgende handelsnaam betreft van Corbeille Bouw Groep BV, ingeschreven in het handelsregister onder nummer 33212896. Omdat Pitwater ondanks herhaald verzoek niet is overgegaan tot levering van de gekochte trilstamper, is het bedrag van € 2.032,80 onverschuldigd betaald door VTSM. Pitwater dient dit bedrag met rente en kosten aan VTSM terug te betalen, aldus VTSM.
3.3.
Pitwater voert verweer. Pitwater voert aan dat zij geen partij is bij de overeenkomst tussen VTSM en [naam 1] . Er vinden al jaren geen activiteiten meer plaats in Pitwater, zij houdt zich niet bezig met de verkoop en levering van trilstampers of dergelijke goederen en zij heeft [naam 1] geen opdracht gegeven tot de verkoop en levering van trilstampers. Op de factuur staan kennelijk vervalste gegevens. Verder heeft Pitwater de betaling van VTSM nooit ontvangen; het ING-bankrekeningnummer op de factuur is niet van haar. Hierdoor kan per definitie geen sprake zijn van onverschuldigde betaling. Pitwater concludeert tot afwijzing van de vordering.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
VTSM heeft een vordering ingesteld die volgens haar grondslag vindt in onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW). Daaraan legt zij ten grondslag dat er een overeenkomst tussen VTSM en Pitwater bestaat, waaruit twee verbintenissen zijn voortgevloeid. Het gaat dan om de verplichting van Pitwater tot levering van de trilstampers tegenover de verplichting van VTSM tot betaling aan Pitwater. Met het oog op deze stelling is het beroep van VTSM op onverschuldigde betaling onbegrijpelijk. Een beroep op onverschuldigde betaling kan worden gedaan indien aan iemand zonder rechtsgrond is betaald. Dat is hier – volgens de stellingen van VTSM – nu juist niet het geval.
4.2.
Voor zover moet worden begrepen dat VTSM een beroep heeft willen doen op ontbinding van de overeenkomt (artikel 6:265 BW), waardoor ongedaanmakings-verbintenissen ontstaan voor hetgeen op grond van de overeenkomst is verricht, slaagt ook dit beroep niet. Hiervoor is immers van belang dat vast komt te staan dat er een overeenkomst bestaat tussen VTSM en Pitwater. Dit is onvoldoende gebleken. VTSM heeft toegelicht dat de overeenkomst (feitelijk) is gesloten met [naam 1] . Nergens blijkt uit dat [naam 1] handelde in naam van Pitwater of dat hij Pitwater rechtsgeldig mocht vertegen-woordigen. Weliswaar staan op de factuur de (voormalige) handelsnaam en KVK-nummer van Pitwater vermeld, maar [naam 1] heeft zelf toegelicht in zijn e-mail van 26 mei 2024 dat dit een fout is en dat hij ook niet snapt waarom er vanuit Corbeille Bouwgroep is gefactureerd. Op grond van deze e-mail had het voor VTSM – voor zover bij haar al onduidelijkheid bestond gelet op de gegevens op de factuur – overduidelijk moeten zijn dat niet Pitwater, maar [naam 1] haar contractspartij was.
4.3.
Nu de kantonrechter het standpunt van Pitwater volgt, namelijk dat er geen rechtsverhouding bestaat tussen VTSM en Pitwater, kan er in beginsel sprake zijn van onverschuldigde betaling aan Pitwater. Daarvoor is echter dan wel vereist dat de betaling van VTSM daadwerkelijk door Pitwater is ontvangen. Dit wordt door Pitwater betwist. Hier heeft VTSM niets tegenin gebracht. Het ING-bankrekeningnummer waarop VTSM heeft betaald staat ook niet op naam van Pitwater of Corbeille Bouw Groep BV, maar op naam van [naam 2] .
4.4.
De conclusie is dat er geen grondslag bestaat die moet leiden tot toewijzing van de vorderingen van VTSM. De vorderingen worden daarom afgewezen.
4.5.
VTSM is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Pitwater worden begroot op:
- salaris gemachtigde
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
543,50

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van VTSM af,
5.2.
veroordeelt VTSM in de proceskosten van € 543,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als VTSM niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.V. Ulrici, kantonrechter, bijgestaan door mr. K.J. Verschueren, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.