8.3.Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn broertje, mishandeling van zijn vader en mishandelingen van zijn moeder. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en het veiligheidsgevoel van zijn familie in hun eigen huis. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [benadeelde partij/slachtoffer] , belediging van [benadeelde partij/slachtoffer] en [benadeelde partij] en bedreiging van [naam 1] en [naam 2] op straat in Amsterdam. De feiten hebben grote indruk gemaakt op de slachtoffers, zoals blijkt uit de aangiftes en de vorderingen van benadeelde partijen [benadeelde partij/slachtoffer] en [benadeelde partij] . Zo heeft benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer] in zijn vordering aangegeven dat hij sinds het incident minder goed slaapt, wakker wordt door nachtmerries en zich angstig voelt op straat. Geweldsincidenten, belediging op straat en bedreiging dragen bij aan gevoelens van onveiligheid in de maatschappij en de rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 2 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapporten van 14 augustus 2024, 23 augustus 2024, 19 september 2024, 4 oktober 2024 en 4 november 2025. De reclassering adviseert om een deels voorwaardelijke straf op te leggen met daarbij bijzondere voorwaarden, te weten: een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en meewerken aan middelencontrole. Daarbij adviseert de reclassering dat zij de opdracht krijgt om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het Pro Justitia rapport van 4 augustus 2025. Hieruit komt – kort gezegd – naar voren dat het delictgedrag van verdachte sterk samenhangt met zijn psychiatrische problematiek.
De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd die hun weerslag hebben gevonden in de oriëntatiepunten voor straftoemeting, opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).
De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zijn blanco strafblad en zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank ziet dat het nu goed gaat met verdachte en zal daarom geen straf opleggen waardoor hij weer vast komt te zitten. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd en zal een taakstraf opleggen in plaats van een gevangenisstraf.
Uit het reclasseringsadvies blijkt dat het recidiverisico als gemiddeld-hoog wordt ingeschat en dat verdachte hulp nodig heeft van de reclassering, omdat zijn delictgedrag direct samenhangt met zijn psychiatrische problematiek. De rechtbank wil hem deze kans op hulp ook geven en zal daarom een voorwaardelijk strafdeel opleggen, als stok achter de deur om zich aan de bijzondere voorwaarden te houden en geen nieuwe strafbare feiten te plegen.
Alles overwegende krijgt verdachte een taakstraf voor de duur van 180 uren, met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, waarvan 46 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang en middelencontrole.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank vindt het zorgelijk dat verdachte toen het niet goed met hem ging in een relatief korte periode veel verschillende (gewelds)delicten heeft gepleegd. Als verdachte geen begeleiding heeft in een periode dat het minder met hem gaat is de rechtbank bang dat hij wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal zij bevelen dat de op grond van art. 14c Sr te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van [benadeelde partij/slachtoffer]
De benadeelde partij [benadeelde partij/slachtoffer] vordert € 430,- aan vergoeding van materiële schade en € 5.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Verder heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering in zijn geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft ten aanzien van de materiële kosten verzocht om het eigen risico ter hoogte van € 385,- niet toe te wijzen, omdat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld dat de kosten voor de GGZ een rechtstreeks gevolg zijn van dit feit. De benadeelde partij heeft immers aangegeven dat hij reeds in behandeling was voor andere problematiek. Op basis van de stukken behorend bij de vordering is onduidelijk of het eigen risico niet al door andere zorgkosten in rekening is gebracht.
De raadsman heeft verzocht om de vordering ten aanzien van de immateriële schade aanzienlijk te matigen en een bedrag ter hoogte van € 500,- toe te wijzen, omdat rekening moet worden gehouden met wat in soortgelijke zaken wordt opgelegd voor mishandeling.
Vordering tot materiële schade
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 1 bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De vordering tot de vergoeding van materiële schade bestaande uit de kosten voor de fysiotherapiebehandeling die niet door de zorgverzekering werden vergoed is niet betwist. Deze kostenpost is onderbouwd, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en het gevorderde bedrag van € 45,- zal daarom geheel worden toegewezen
De vordering tot de vergoeding van materiële schade bestaande uit de kosten voor het eigen risico voor 2025 van € 385,- is gemotiveerd betwist. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij ook vóór het feit – gepleegd in augustus 2024 - onder behandeling was bij een psycholoog voor psychische klachten. De benadeelde partij heeft onderbouwd dat die behandeling zich in het stadium van afronding bevond. De gestelde doelen waren bereikt, zijn klachten waren significant afgenomen er resteerde geen hulpvraag meer, anders dan bestendiging van het reeds aangeleerde. Sinds het bewezenverklaarde kreeg de benadeelde partij opnieuw stevige psychische klachten en is de behandeling bij de psycholoog voortgezet. Ook is hem in dat kader medicatie voor angstreductie voorgeschreven. Uit het door de benadeelde partij overgelegde ‘Overzicht zorgkosten 2025’ blijkt dat de behandelingen in 2025 door zijn gegaan. De kosten voor het eigen risico voor 2025 worden om die reden dan ook toegewezen.
Vordering tot immateriële schade
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding nu hij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen. De benadeelde partij heeft door toedoen van verdachte immers letsel aan zijn rug opgelopen. Gezien de aard van het handelen van de verdachte en de ernstige inbreuk die daarmee op de benadeelde partij is gemaakt, is de rechtbank voorts voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte op andere wijze in zijn persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW. Dit levert eveneens een grondslag voor de toekenning van immateriële schadevergoeding op.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, de aard en de ernst van het letsel en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, zal het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding gedeeltelijk worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-.
Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot immateriële schadevergoeding. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank stelt de totale schade vast op € 1.430,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2024, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd en de schade is ontstaan, tot aan de dag van voldoening.
Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze worden begroot op nihil.
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan hem, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan gijzeling voor de duur van 24 dagen worden toegepast, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De vordering van [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 327,87 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. Verder heeft de benadeelde partij verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering in zijn geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsman heeft verzocht om de vordering af te wijzen, omdat uit de stukken niet duidelijk blijkt dat deze kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het feit in zaak B onder 2 en of het eigen risico niet reeds door andere zorgkosten in rekening is gebracht. Uit het door de benadeelde partij bij de vordering bijgevoegde overzicht van de zorgkosten in 2024 zijn juist de bedragen omcirkeld die wel door het eigen risico worden vergoed.
De rechtbank overweegt als volgt. De benadeelde partij vordert vergoeding voor door hem geleden materiële schade in verband met de kosten van twee sessies bij de psycholoog. Nu uit de door hem gegeven onderbouwing naar voren komt dat deze sessies door de zorgverzekeraar zijn vergoed uit de basisverzekering heeft hij echter geen schade geleden. Zijn stelling dat deze sessies voor andere problematiek bedoeld waren en hij deze – kennelijk op eigen kosten - alsnog wil laten plaatsvinden, duidt op (mogelijke) toekomstige schade, maar een dergelijke vordering is (thans) niet toewijsbaar.
Dit leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering. Hij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De benadeelde partij dient als in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten die verdachte heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden begroot op nihil.