ECLI:NL:RBAMS:2025:10091

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
777339
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot nakoming zorgregeling en vaststelling voorlopige zorgregeling in kort geding

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen een vader en een moeder over de zorgregeling voor hun minderjarige kind. De vader vorderde nakoming van een eerder vastgestelde omgangsregeling, terwijl de moeder een tegenspraak indiende en een aangepaste voorlopige zorgregeling vroeg. De partijen hebben een relatie gehad van mei 2015 tot juni 2020 en zijn ouders van een minderjarige, geboren in 2019. Tijdens een eerdere zitting in 2022 is een voorlopige omgangsregeling overeengekomen, maar de vader heeft recentelijk een nieuwe partner en heeft verzocht om de omgangsregeling uit te breiden. De moeder heeft echter zorgen over de veiligheid van het kind tijdens de overnachtingen bij de vader, vooral gezien de meldingen van de basisschool over de psychische toestand van het kind en de vader. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de omgang met overnachting onder begeleiding moet plaatsvinden, en heeft een voorlopige regeling vastgesteld waarbij de omgang wordt begeleid door de ouders van de vader of zijn nieuwe vriendin, na kennismaking met de moeder. De vorderingen van de vader zijn afgewezen, terwijl de vorderingen van de moeder in reconventie zijn toegewezen, waaronder de vaststelling van een voorlopige omgangsregeling en een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/777339 / KG ZA 25-854 MdV/MAH
Vonnis in kort geding van 27 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 24 oktober 2005,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.M. Wigman,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E.F.E. Hoekstra.

1.De procedure

Bij de zitting op 13 november 2025 waren partijen met hun advocaten aanwezig. Tijdens de zitting heeft de man de dagvaarding toegelicht en de vrouw de eis in reconventie (tegenvordering). Partijen hebben over en weer verweer gevoerd, de vrouw mede aan de hand van een tevoren ingediende conclusie van antwoord. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht en de man ook een pleitnota. Na verder debat is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad en samengewoond van mei 2015 tot en met juni 2020. Zij zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] . De man heeft [minderjarige] erkend. De vrouw heeft eenhoofdig gezag en woont met [minderjarige] in [woonplaats] .
2.2.
Tijdens de zitting in een eerder kort geding (C/13/716599 /KG ZA 22/333) bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank zijn partijen een voorlopige omgangsregeling overeengekomen, waarna de zaak is doorgehaald. Dat is in het proces-verbaal van de zitting van 4 mei 2022 als volgt vastgelegd:
“1.1. [minderjarige] verblijft bij de vader op de dagen:
- iedere woensdag van 09:00 uur tot 19.00 uur;
- iedere vrijdag van 09:00 uur tot 19:00 uur;
waarbij de vader [minderjarige] haalt en brengt;
1.2.
Dit verblijf onder 1.1 kan alleen plaatsvinden als tenminste een van de
ouders van de vader daarbij aanwezig is.
[…]”
2.3.
De man heeft nadien bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van een omgangsregeling en gezamenlijk gezag (C/13/7237286 / FA RK 23/4928). De vrouw heeft verweer gevoerd en een zelfstandig verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling ingediend. Na enkele zittingen en een tussenbeschikking heeft de rechtbank bij beschikking van 10 oktober 2024 (hierna: de Beschikking), onder aanhouding van de overige beslissingen, over de omgang bepaald:
“dat naast de huidige voorlopige omgangsregeling [minderjarige] bij de vader is eens in de twee weken van vrijdag tot zaterdag bij de vader thuis en na kennismaking van de moeder met de partner van de vader zonder begeleiding (..)”.
Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen:
“4.1. […] De omgang is op zich goed verlopen en de rechtbank ziet geen belemmeringen om deze uit te breiden op na te melden wijze. Dat kan buiten aanwezigheid van oma of opa vz. maar daarvoor is het wel aan te raden dat de moeder en de nieuwe partner van de vader eerst kennis maken met elkaar. […]”
2.4.
Daarmee is de formele regeling als volgt: [minderjarige] is elke woensdag van 9:00 uur tot 19:00 uur en elke vrijdag van 9:00 uur tot 19:00 uur bij de man, waarbij de vrijdag eenmaal per veertien dagen wordt uitgebreid net een overnachting tot zaterdag. Feitelijk verliep de regeling tot voor kort als volgt: op maandag (omdat [minderjarige] nu op woensdagmiddag hulpverlening (‘Piep zei de muis’) heeft) en vrijdag haalt de vrouw [minderjarige] van school en brengt zij hem naar de man, waarna hij [minderjarige] om 19:00 uur naar de vrouw brengt, en eenmaal per veertien dagen loopt de vrijdag door tot zaterdag 11:00 uur/12:00 uur. Daarna gaat de vrouw met [minderjarige] naar zwemles.
2.5.
De relatie van de man met zijn in de beschikking van 10 oktober 2024 bedoelde partner, de moeder van [minderjarige] ’s halfbroertje [naam 1] , is kort na die beschikking verbroken.
2.6.
Op 11 november 2024 hebben partijen bij een Mc Donalds gesproken over de omgang.
2.7.
Vanaf 27 december 2024 heeft (ook) de tweewekelijkse omgang met overnachting plaatsgevonden. Dat was thuis bij de ouders van de man.
2.8.
In een e-mail van 27 februari 2025 heeft de vrouw over het gesprek van 11 november 2024 aan de man geschreven:
“(…) Op 11 november hebben wij een gesprek gevoerd in McDonald's Schiphol, op jouw verzoek. In dit gesprek heb je mij geïnformeerd over jouw relatieproblemen en de situatie rondom jouw partner. Er was sprake van een beëindiging van de relatie later die week.
Je hebt aangegeven dat je sinds de zomer [minderjarige] niet meer meeneemt naar jouw partner en dat je inmiddels bij je ouders woont. In dit kader heb je verzocht om, buiten de gerechtelijke uitspraak om, toestemming te krijgen voor overnachtingen van [minderjarige] bij jou thuis, in het huis van jouw ouders.
Ik heb aangegeven dit te willen overwegen en juridisch te laten toetsen, gezien de eerdere zitting en gerechtelijke uitspraak. Uiteindelijk heb ik besloten hiermee in te stemmen, onder de voorwaarde dat de overnachtingen plaatsvinden in de aanwezigheid van jouw ouders.
(…)
Je hebt verklaard dat je op zoek bent naar een eigen woning, maar dat dit enige tijd kan duren. Mocht de situatie veranderen, dan zullen we deze opnieuw beoordelen.
Daarnaast heb je aangegeven niet verder te willen procederen. Ik sta altijd open voor gesprek, mits binnen mijn grenzen en op een veilige manier. (…)”.
De man heeft hier niet op gereageerd.
2.9.
Op 10 juli 2025 heeft de basisschool van [minderjarige] een melding bij Veilig Thuis gedaan. Daarin staat als antwoord op de vraag ‘Wat is uw grootste zorg of angst over
wat er precies zou kunnen gebeuren als we niets doen?’:
“Dat [minderjarige] getraumatiseerd opgroeit, vanwege de psychische mishandeling door zijn vader. Hij vertoont nu al afwijkend sociaal-emotioneel gedrag voor een kleuter. Dit zal mogelijk nog verergeren naarmate [minderjarige] ouder en zelfbewuster wordt. Gelet op de traumatische ervaringen van moeder in de relatie met vader, maakt de school zich
ook ernstig zorgen om moeder, die zichtbaar lijdt onder de situatie waarin haar kind zich bevindt, terwijl zij de enige stabiele factor is in [minderjarige] 's leven.”
De school geeft voor de veiligheidssituatie het cijfer 3 en licht dit als volgt toe:
“Gelet op het verleden (ziekenhuis, Veilig Thuis, diverse rechtszaken, e.d.), de zichtbare zorgen bij moeder en de ontwikkeling van het gedrag van [minderjarige] , maakt dat wij tot
dit cijfer zijn gekomen. Er leeft bij de leerkracht en IB'er een sterk onprettig onderbuikgevoel over deze situatie. Wij willen voorkomen dat we achteraf moeten zeggen:
"Hadden we maar eerder aan de bel getrokken bij de instanties"
De school vermeldt van Veilig Thuis te verwachten:
“Dat deze situatie met spoed zal worden opgepakt, juist
gelet op het verleden.”.
Veilig Thuis heeft de melding neergelegd bij het OKT, die er voor zover bekend nog geen actie op heeft ondernomen.
2.10.
Inmiddels heeft de man een nieuwe vriendin, [naam 2] , die ook een zoontje ( [naam 3] ) heeft. In het weekend van 11 oktober 2025 is de man verhuisd naar een eigen woning in [woonplaats] . Hij woont niet samen met [naam 2] , zij woont in [provincie] . De man heeft aan de vrouw bericht dat [minderjarige] voortaan bij hem thuis zal overnachten. Bij e-mail van 14 oktober 2025 heeft de vrouw aan de man laten weten dat zij daarmee niet instemt omdat afgesproken is dat overnachtingen uitsluitend bij de ouders van de man plaatsvinden. Zij schrijft dat zij er daarom van uitgaat dat [minderjarige] vrijdag 17 oktober om 19.00 uur weer thuis is.
2.11.
De man was niet akkoord met het terugbrengen van [minderjarige] naar de vrouw op vrijdag om 19:00 uur. Partijen zijn het niet eens geworden, met als gevolg dat [minderjarige] in ieder geval 17/18 oktober en 31 oktober/1 november 2025 niet bij zijn vader is geweest.
2.12.
De bodemprocedure is aangehouden tot 20 januari 2026. Partijen staan op de wachtlijst voor een traject Solo Parallel Ouderschap.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De man vordert om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. de vrouw te veroordelen tot nakoming van de bij beschikking van 10 oktober 2024 vastgestelde voorlopige omgangsregeling alsmede van de in het proces-verbaal van 4 mei 2022 opgenomen voorlopige omgangsregeling, te weten de regeling waarbij:
- [minderjarige] bij de man is elke maandag (althans woensdag als de hulpverlening op de woensdag is gestopt) van 9.00 uur (althans vanuit school) tot 19:00 uur en elke vrijdag van 9:00 uur (althans vanuit school) tot 19.00 uur in de oneven week en tot en met zaterdag 19:00 uur in de even week,
- de man [minderjarige] van school haalt en hem terugbrengt naar de vrouw,
- de voorlopige omgangsregeling na de aanstaande kerstvakantie wordt uitgebreid, in die zin dat als voorlopige omgangsregeling (in afwachting van de definitieve
omgangsregeling in de bodemprocedure) heeft te gelden dat [minderjarige] bij de man verblijft
elke maandag (althans woensdag als de hulpverlening op de woensdag is gestopt) van 9:00
uur (althans vanuit school) tot 19:00 uur en elke vrijdag van 9.00 uur (althans vanuit
school) tot 19:00 uur in de oneven [ter zitting door de man verbeterd in: even - vzr.] week en tot zondag 19:00 uur in de oneven week, en
- [minderjarige] in de aankomende kerstvakantie bij de man zal zijn vanaf
Tweede Kerstdag (26 december 2025) om 10:00 uur tot 30 december 2025 om 19:00 uur,
- althans een voorlopige omgangsregeling die de rechtbank redelijk acht,
een en ander op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag, en
2. de vrouw te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Daartoe stelt de man het volgende. Uit de Beschikking volgt dat de omgang met overnachting zonder begeleiding van wie dan ook kan plaatsvinden. Van een kennismaking met de toenmalige partner van de man als bedoeld in de Beschikking is het niet gekomen, omdat de relatie van de man met zijn toenmalige vriendin op het moment van de Beschikking niet meer levensvatbaar was. Dat was op het moment van de zitting (op 26 september 2024) nog niet bekend. De ‘voorwaarde’ van de kennismaking had ook te maken met het feit dat de man samenwoonde met zijn toenmalige partner. Op dit moment woont hij niet samen, dus is er formeel gezien (in ieder geval niet op basis van de Beschikking die op dat punt achterhaald is) ook geen reden om de vrouw kennis te laten maken met zijn (huidige) partner. Inmiddels heeft de man een nieuwe partner en heeft hij eigen woonruimte waarin hij sinds het weekend van 11/12 oktober 2025 is gaan wonen. Overigens heeft hij zijn nieuwe vriendin inmiddels al wel kennis laten maken met de vrouw, hoewel hij daar formeel gezien niet toe gehouden is. Daarnaast heeft hij bij de vrouw aangegeven dat hij met [minderjarige] in zijn nieuwe woning zal verblijven. De vrouw heeft vervolgens aangegeven daarmee niet akkoord te gaan en zij heeft geweigerd om [minderjarige] op vrijdag 17 oktober 2025 naar de man te brengen, waardoor de omgang niet is doorgegaan.
Daarnaast is het jammer dat de rechtbank niet expliciet een eindtijdstip voor de omgang op zaterdag heeft bepaald, maar uiteraard is de hele zaterdag bedoeld en niet alleen de ochtend tot 11:00 (of 12:00) uur.
Tenslotte rechtvaardigen het tijdsverloop en het goede verloop van de omgang nu uitbreiding van de omgangsregeling met tweewekelijks een extra overnachting en het delen van de feestdagen en kerstvakantie, aldus steeds de man.
3.3.
De vrouw voert het volgende verweer. Zij maakt zich nog steeds ernstige zorgen om de veiligheid van [minderjarige] wanneer hij bij zijn vader overnacht zonder begeleiding. Uit de Beschikking volgt ook wel degelijk dat er begeleiding moet zijn. Tijdens de zitting bij de rechtbank op 26 september 2024 heeft de man naar voren gebracht dat hij en zijn toenmalige partner, hun zoontje [naam 1] en zijn stiefdochter als gezin samenwoonden. [minderjarige] zou omgang hebben met de man in de woning van zijn vriendin. Daarmee was de omgeving waarin [minderjarige] zou verblijven tijdens omgang met de man veilig, zo stelde de man. Zijn vriendin woonde daar immers ook en zij was (grotendeels) aanwezig tijdens de omgangsmomenten, in ieder geval gedurende de nacht. Feitelijk zou de vriendin daarmee de omgang begeleiden, enkel door haar aanwezigheid in de woning. Ter zitting is daarom ook doorgesproken over het kennismaken van de vrouw en de vriendin. Het is dan ook goed te plaatsen dat de rechtbank heeft bepaald dat de omgangsregeling ná die kennismaking uitgebreid werd met een nacht zónder begeleiding van opa en oma (vaderszijde), maar ín aanwezigheid van de vriendin.
Er is geen reden om daar nu van af te wijken. Zolang de vrouw niet heeft kennisgemaakt met de vriendin én niet gegarandeerd is dat zij in de woning overnacht wanneer [minderjarige] daar ook is, stemt de vrouw niet in met een overnachting bij vader thuis. De recente vluchtige ontmoeting bij de voordeur met de nieuwe vriendin kan niet als kennismaking worden aangemerkt. De man woont niet samen met die vriendin en er is er dus geen sprake van een gezinssituatie zoals de man die vorig jaar aan de rechtbank heeft geschetst. De veiligheidssituatie is niet verbeterd. De man woont nu alleen (niet meer bij zijn ouders), de door het OKT geadviseerde hulpverlening aan partijen (PSO) is nog niet gestart én er ligt een melding van school bij Veilig Thuis.
Er is in deze situatie geen aanleiding voor de door de man gevorderde uitbreidingen van de omgangsregeling, zeker niet in kort geding. Daar moet in de bodemprocedure over worden beslist.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
De vrouw vordert, na verbetering ter zitting, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
A. voor de duur van de bodemprocedure de volgende voorlopige omgangsregeling vast te stellen:
- [minderjarige] verblijft elke maandag, althans woensdag na afronding van de hulpverlening van [minderjarige] , 9:00 uur of uit school tot 19:00 uur bij de man, waarbij hij [minderjarige] ophaalt bij de vrouw of uit school en naar haar terugbrengt;
- [minderjarige] verblijft eens in de twee weken van vrijdag 9:00 uur of uit school tot zaterdag 12:00 uur bij de man, die [minderjarige] ophaalt bij de vrouw of uit school en naar de vrouw terugbrengt;
- waarbij de omgang wordt begeleid door opa/oma (vaderszijde) en/of door de vriendin van de man na kennismaking met de vrouw;
- in de andere week verblijft [minderjarige] op vrijdag van 9:00 uur of uit school tot 19:00 uur bij de man, die [minderjarige] ophaalt bij de vrouw of uit school en hem naar de vrouw terugbrengt;
B. vast te stellen - in afwachting van de beschikking in de bodemprocedure - dat de man op grond van de overeenkomst tussen partijen aan de vrouw met ingang van 1 januari
2020 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 433,33 per
maand voldoet, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te betalen, waarop
van rechtswege de wettelijke indexatie van toepassing is;
C. vast te stellen dat de man aan achterstallige kinderalimentatie over de periode vanaf 1 augustus 2025 tot 1 november 2025 aan de vrouw moet voldoen een bedrag van
€ 1.567,00; en
D. vast te stellen dat de man aan achterstallige wettelijke indexatie over de periode vanaf 1 januari 2021 tot 1 november 2025 aan de vrouw moet voldoen € 2.734,00.
3.6.
De man voert verweer.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

voorlopige omgangsregeling
4.1.
Een uitspraak van de bodemrechter over de omgangsregeling is niet binnen afzienbare termijn te verwachten en de huidige onduidelijkheid en conflicten zijn niet in het belang van [minderjarige] (en zijn ouders). Er is daarom voldoende spoedeisend belang bij een beslissing over de voorlopige omgangsregeling.
4.2.
Daarbij staat het belang van [minderjarige] voorop. Hij is er vooral bij gebaat dat hij weet waar hij op kan rekenen en dat hij zo min mogelijk belast wordt met de spanningen tussen zijn ouders. De ouders zijn het niet eens over de uitvoering van de omgangsregeling en communiceren slecht met elkaar. De rechter en hulpverleners verwachten daarin, na het mislukken van eerdere hulpverleningstrajecten, geen verbetering meer en hebben daarom inmiddels solo parallel ouderschap geadviseerd. Partijen staan daarvoor op de wachtlijst. Intussen moet de last die de zesjarige [minderjarige] van het gedoe tussen de ouders heeft zoveel mogelijk worden beperkt. Duidelijkheid over de inhoud van de omgangsregeling en stipte naleving van de regeling door de ouders zijn daarbij van groot belang.
4.3.
Partijen zijn het met name niet eens over de vraag of de tweewekelijkse overnachting onder begeleiding dient plaats te vinden. De man vindt van niet en de vrouw van wel. Beiden beroepen zich op de beschikking van 10 oktober 2024. De vrouw voert daarnaast aan dat partijen in november 2024 tijdens een gesprek bij de McDonald’s op Schiphol afspraken hebben gemaakt in afwijking van de beschikking van 10 oktober 2024, in die zin dat [minderjarige] enkel bij de man mag overnachten onder de voorwaarde dat opa en oma (vaderszijde) daarbij aanwezig zijn. De man ontkent ten stelligste dat partijen die afspraak hebben gemaakt.
4.4.
De voorzieningenrechter overweegt dat uit de Beschikking volgt dat de vrouw zorgen heeft over de veiligheid van [minderjarige] bij de man en dat er begeleiding bij de omgang met overnachting moet zijn, ofwel door de ouders van de man ofwel door zijn vriendin. De vriendin moet dan wel eerst hebben kennisgemaakt met de vrouw. Dat is een begrijpelijke voorwaarde. In ieder geval is het niet de bedoeling dat [minderjarige] tijdens de omgang met overnachting alleen is met de man. Niet aannemelijk is geworden dat partijen hierover (in november 2024) andere afspraken hebben gemaakt. Het feit dat de man inmiddels een eigen huis heeft is – anders dan de man meent – ook geen reden om af te wijken, eerder integendeel. De zorgen moeten serieus worden genomen. Zij leven niet alleen bij de vrouw maar – getuige de melding in juli 2025 bij Veilig Thuis – ook bij de school van [minderjarige] . Er is dus geen reden om nu af te zien van de door de bodemrechter - in ieder geval voor de overnachting - beoogde begeleiding bij de omgang.
4.5.
De voorzieningenrechter zal daarom een voorlopige omgangsregeling vaststellen waarbij de omgang tijdens de overnachting telkens wordt begeleid door opa/oma (vaderszijde) en/of door de vriendin (thans [naam 2] ) van de man na kennismaking met de vrouw. Uiteraard geldt dit laatste uitsluitend als de kennismaking voldoende positief verloopt, dus niet als de vrouw na kennismaking met de vriendin op redelijke gronden bezwaar heeft tegen begeleiding door die vriendin. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat dit goed komt. Positief is in dit verband dat tijdens de zitting bleek dat partijen al een afspraak hebben gemaakt voor de ontmoeting van de vrouw met de vriendin van de man en voor bezichtiging door de vrouw van de nieuwe woning van de man. De omgang met overnachting zal plaatsvinden in de oneven weken, te beginnen op vrijdag 5 december 2025. De man heeft ter zitting gezegd dat hij dit graag in de oneven weken wil en de vrouw heeft daar geen overtuigende bezwaren tegenin gebracht. De vrouw heeft gevorderd dat “de omgang” wordt begeleid. Dat dit dan ook voor de twee doordeweekse middagen geldt dat [minderjarige] bij de man is, heeft zij wellicht niet bedoeld maar in ieder geval niet onderbouwd. Dat deel van haar tegenvordering zal daarom worden afgewezen.
4.6.
De man wenst [minderjarige] zelf van school te halen. Dat is geen probleem, want de vrouw vindt dat prima; het staat zo ook in haar tegenvordering.
4.7.
Wel heeft de vrouw bezwaar tegen de door de man gevorderde uitbreidingen van de omgang, inhoudende:
a. a) dat de tweewekelijkse omgang duurt tot zaterdag 19:00 uur in plaats van het nu gebruikelijke tijdstip 11:00 a 12:00 uur,
b) dat de tweewekelijkse overnachting wordt uitgebreid tot twee overnachtingen; het weekend bij de man zou dan duren tot zondag 19.00 uur, en
c) dat [minderjarige] in de aankomende kerstvakantie vijf aaneengesloten dagen inclusief overnachting bij de man zal zijn.
4.8.
De bodemrechter zal beslissen over deze door de man gewenste uitbreidingen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om daarop vooruit te lopen. Niet gebleken is van een spoedeisend belang bij uitbreiding van de huidige regeling, die in ieder geval voorlopig voorziet in voldoende omgang tussen vader en kind.
4.9.
Met betrekking tot uitbreiding a) merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. De man zou graag bij de zwemles van [minderjarige] op zaterdag zijn. Ter zitting heeft de vrouw hem daarom voorgesteld dat - zolang de overnachtingen nog niet begeleid plaatsvinden – de man in ‘zijn’ weekend [minderjarige] op vrijdag 19:00 terugbrengt naar de vrouw en [minderjarige] de volgende zaterdagochtend weer bij de vrouw ophaalt om met hem naar zwemles te gaan en hem dan verder zaterdag overdag bij zich te houden. De man heeft daarmee niet ingestemd omdat hij de overnachting niet wil opgeven. Deze keuze blijft voor rekening van de man. Voorlopig zal worden vastgesteld dat de zaterdag na de overnachting duurt tot 12.00 uur. Partijen zijn er natuurlijk vrij in om alsnog met elkaar af te spreken dat de man [minderjarige] naar zwemles brengt en hem daarna tot begin van de avond bij zich houdt.
kinderalimentatie
4.10.
Positief is dat de man tijdens de zitting heeft toegezegd voorlopig, hangende de bodemprocedure, een bijdrage in de verzorging van [minderjarige] van € 200,00 per maand te zullen betalen, te beginnen met de bijdrage voor november 2025. Deze zal hij zo spoedig mogelijk betalen aan de vrouw. De bijdrage voor december zal hij betalen voor 1 december 2025. En zo verder, betaling telkens vóór de eerste van de maand. Daarop heeft de vrouw haar tegenvorderingen B, C en D in dit kort geding ingetrokken en aangekondigd deze in de bodemprocedure te zullen inbrengen.
slot
4.11.
De slotsom is dat de vorderingen in conventie zullen worden afgewezen en de na intrekking resterende vorderingen in reconventie zullen worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De voorzieningenrechter vertrouwt erop dat de man zijn toezegging om met ingang van november 2025 voorlopig maandelijks € 200,00 kinderalimentatie te betalen vrijwillig zal nakomen, maar zal dit voor de zekerheid – als het mindere van tegenvordering B – in het dictum vermelden. De veroordelingen gelden uiteraard totdat partijen anders overeen komen of een rechter anders beslist.
4.12.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten zowel in conventie als in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
5.3.
stelt de volgende voorlopige omgangsregeling vast:
- [minderjarige] verblijft elke maandag, althans woensdag na afronding van de hulpverlening van [minderjarige] , vanaf 9:00 uur, of uit school, tot 19:00 uur bij de man, die [minderjarige] ophaalt bij de vrouw of uit school en naar haar terugbrengt,
- [minderjarige] verblijft eens in de twee weken in de oneven week (met ingang van vrijdag 5 december 2025) van vrijdag 9:00 uur, of uit school, tot zaterdag 12:00 uur bij de man, die [minderjarige] ophaalt bij de vrouw of uit school en naar haar terugbrengt, waarbij de omgang wordt begeleid door opa/oma (vaderszijde) en/of door de vriendin van de man na kennismaking met de vrouw, een en ander met inachtneming van hetgeen in r.o. 4.5 is overwogen,
- [minderjarige] verblijft eens in de twee weken in de even week van vrijdag 9:00 uur, of uit school, tot 19:00 uur bij de man, die [minderjarige] ophaalt bij de vrouw of uit school en naar haar terugbrengt,
5.4.
veroordeelt de man om met ingang van november 2025 aan de vrouw € 200,00 per maand te voldoen als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , waarbij de bijdrage voor november 2025 zo spoedig mogelijk wordt voldaan en de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand,
5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M.A.H. Verburgh, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.
Type: MAH
Coll: EvK