ECLI:NL:RBAMS:2025:10061

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
10777559 \ CV EXPL 23-14143
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing van de rechtsgeldigheid van ontbinding van een leaseovereenkomst voor een fiets

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 12 december 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen Volkswagen Pon Financial Services B.V. en een gedaagde partij die niet is verschenen. De eisende partij vorderde betaling van onbetaald gelaten leasetermijnen voor een fiets, waarbij zij stelde dat de leaseovereenkomst op 27 januari 2023 was ontbonden. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de overeenkomst niet rechtsgeldig was ontbonden, omdat er geen schriftelijke verklaring van ontbinding was verzonden, zoals vereist door artikel 6:267 van het Burgerlijk Wetboek. De rechtbank concludeerde dat de eisende partij alleen recht had op betaling van de onbetaald gelaten leasetermijnen tot de datum van ontbinding, en dat de gevorderde boekwaarde van de fiets niet toewijsbaar was, omdat de overeenkomst niet was beëindigd. De rechtbank heeft de gedaagde partij veroordeeld tot betaling van € 1.166,92, vermeerderd met wettelijke rente, en de proceskosten gecompenseerd, waarbij beide partijen hun eigen kosten moesten dragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10777559 \ CV EXPL 23-14143
Vonnis van 12 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VOLKSWAGEN PON FINANCIAL SERVICES B.V.,
gevestigd te Amersfoort,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juli 2025,
- de akte van eisende partij,
- de rolmededeling van 22 augustus 2025,
- de kopie van de brief aan gedaagde partij.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij opgedragen zich nader uit te laten over de vordering, zodat de kantonrechter de rechtmatigheid en gegrondheid van de vordering kan beoordelen. Verder is eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen tot vernietiging van het beding over incassokosten in de algemene voorwaarden.
2.2.
Eisende partij heeft naar aanleiding van het tussenvonnis bij akte aangevoerd, kort gezegd, dat de huurovereenkomst is ontbonden per 27 januari 2023. Dat blijkt uit de brief van 19 januari 2023, waarin staat dat de achterstand binnen 7 dagen moet worden voldaan, bij gebreke waarvan de overeenkomst wordt ontbonden en de fiets moet worden ingeleverd. Nu gedaagde partij niet betaalde, is de overeenkomst na het verstrijken van deze termijn ontbonden. Aanvankelijk heeft eisende partij de maanden januari en februari 2023 bij gedaagde partij in rekening gebracht, maar op de factuur van 2 februari 2023 is te zien dat de huur van 27 januari 2023 tot en met 28 februari 2023 weer wordt gecrediteerd (-/- € 192,61). Per saldo is dus slechts huur in rekening gebracht tot de datum van ontbinding. Daarnaast zijn voortijdige beëindigingskosten in rekening gebracht op de voet van artikel 7 van de algemene voorwaarden. Omdat gedaagde partij de fiets niet inleverde, is ook de boekwaarde van de fiets in rekening gebracht, die op dat moment € 4.080,50 bedroeg. Mocht de kantonrechter oordelen dat eisende partij niet rechtsgeldig heeft ontbonden, dan is de huurovereenkomst blijven doorlopen (gedaagde partij beschikt immers nog over de fiets). De einddatum is inmiddels bereikt. In dat geval is gedaagde partij de resterende termijnen volledig verschuldigd, vermeerderd met de boekwaarde van de fiets van op dat moment tenminste € 2.500,00. In beide gevallen dient gedaagde partij in totaal ongeveer hetzelfde bedrag te betalen, zodat de hoofdsom hoe dan ook voor toewijzing gereed ligt, aldus steeds eisende partij.
2.3.
Anders dan eisende partij bij akte stelt, heeft zij de overeenkomst niet ontbonden. Ingevolge artikel 6:267 van het Burgerlijk Wetboek vindt ontbinding plaats door een schriftelijke verklaring dat er wordt ontbonden. Zo’n verklaring is niet gestuurd. Het betalingsverzoek (productie 4 bij dagvaarding), waarin staat dat als betaling uitblijft, de leaseovereenkomst zal worden ontbonden, kan niet als zodanig worden opgevat. Dat is niet meer dan een aankondiging van ontbinding, geen daadwerkelijke ontbinding.
2.4.
Nu eisende partij de overeenkomst niet heeft ontbonden, is gedaagde partij de overeengekomen schadeloosstelling niet verschuldigd. Daarvoor is immers ontbinding c.q. ‘eerdere beëindiging’ vereist.
2.5.
Hoewel eisende partij in haar akte schrijft dat gedaagde partij dán alle resterende leasetermijnen is verschuldigd, heeft eisende partij haar vordering niet dienovereenkomstig gewijzigd. Dat maakt dat uitsluitend de bij dagvaarding gevorderde onbetaald gelaten leasetermijnen t/m februari 2023 toewijsbaar zijn.
2.6.
De in rekening gebrachte boekwaarde is kennelijk te hoog, nu de leaseovereenkomst niet is ontbonden en inmiddels volledig is uitgediend, terwijl de boekwaarde is gebaseerd op een beëindiging van de leaseovereenkomst per 27 januari 2023. Bovendien vermeldt de factuur een verkoopprijs, maar (ver)koop is een tweezijdige rechtshandeling, bestaande uit aanbod en aanvaarding. Van aanvaarding door gedaagde partij is niet gebleken. Deze factuur is daarom niet toewijsbaar.
2.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat uitsluitend het gedeelte van de hoofdsom dat ziet op de onbetaald gelaten leasetermijnen tot 27 januari 2023 voor toewijzing in aanmerking komt. Dat vertaalt zich in een bedrag van € 1.166,92. Hierover is de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar vanaf de dag dat eisende partij daarop aanspraak maakt, te weten 10 maart 2023.
2.8.
Eisende partij vordert een vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Het beding waarop zij deze vordering baseert of had kunnen baseren is getoetst en niet oneerlijk bevonden, zodat eisende partij zich kan beroepen op de wettelijke regeling. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, omdat de brief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 BW niet bij de dagvaarding is gevoegd en zodoende de gestelde verzending / ontvangst niet is onderbouwd.
2.9.
Nu partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, en eisende partij zelfs in overwegende mate, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 1.166,92, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 maart 2023 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
compenseert de proceskosten en bepaalt dat partijen ieder de eigen kosten dragen,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2025.
991