ECLI:NL:RBAMS:2025:10048

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
13.245736.25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake diefstal en heling met oplegging van ISD-maatregel

Op 12 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van meerdere diefstallen en heling. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling en meerdere diefstallen, waaronder de diefstal van een jas, schoenen en kledingstukken. De verdachte is vrijgesproken van enkele tenlasteleggingen wegens gebrek aan bewijs. De rechtbank heeft een ISD-maatregel opgelegd voor de duur van twee jaar, gezien de ernst van de feiten en de recidive van de verdachte. De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met de verslavingsproblematiek van de verdachte en de noodzaak voor structuur en begeleiding. De beslissing is genomen na een zorgvuldige afweging van de omstandigheden en de eisen van de wet.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13.245736.25 (A) en 13.017557.25 (B) (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummer vordering TUL: 15.154628.24
Datum uitspraak: 12 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1977,
thans gedetineerd te [detentieadres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.P.M. Denissen, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
zaak A
1
primair
een diefstal van een jas met inhoud op 17 september 2025 te Amsterdam,
subsidiair
opzet- dan wel schuldheling van die jas op 17 september 2025 te Amsterdam;
2
een diefstal met valse sleutel door met een pas te pinnen op 17 september 2025 te Amsterdam;
3
een diefstal van een paar schoenen op 13 augustus 2025 te Amsterdam;
4
een diefstal van kledingstukken op 10 augustus 2025 te Amsterdam;
zaak B
een diefstal van een rugtas op 15 januari 2025 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van hetgeen in zaak A primair onder feit 1 ten laste is gelegd aangezien er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor diefstal. Wel is er voldoende bewijs om tot de subsidiair ten laste gelegde (opzet)heling te komen. Daarbij dient verdachte vrijgesproken te worden van feit 2 in zaak A wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
De overige feiten kunnen wettig en overtuigend bewezen worden en heeft verdachte bekend.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van hetgeen primair en subsidiair onder feit 1 in zaak A is ten laste gelegd aangezien niet is gebleken dat hij de jas heeft gestolen noch dat hij kennis had kunnen of moeten hebben van het feit dat de jas uit misdrijf afkomstig zou zijn. De verdachte dient ook vrijgesproken te worden van feit 2 in zaak A gezien het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de overige feiten, die verdachte heeft bekend.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van zaak A, feit 1:
Aangever ziet aan het einde van de avond dat zijn jas niet meer op de plek hangt waar hij die heeft gelaten. Vervolgens traceert hij de jas, via de Airpods die zich in de jaszak bevinden, naar het [park] . Daar is verdachte aangetroffen, terwijl hij de jas droeg. Verdachte bekent de jas in zijn bezit te hebben gehad.
Op grond van voornoemde omstandigheden stelt de rechtbank allereerst vast dat de onder de verdachte in beslag genomen goederen van misdrijf, te weten van diefstal of verduistering, afkomstig waren. De rechtbank stelt voorts vast dat niet is gebleken van een aanwijzing dat verdachte zelf op enigerlei wijze betrokken is geweest bij de diefstal van deze goederen. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de primair ten laste gelegde diefstal van de goederen.
De rechtbank is van oordeel dat, op grond van de in
bijlage IIvan dit vonnis genoemde bewijsmiddelen, kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Verdachte heeft bekend dat hij de jas in zijn bezit had. Verdachte heeft verklaard de jas tien minuten geleden te hebben gekocht voor een tientje van ene [persoon] . [persoon] fietste langs en bood verdachte de jas aan, hij kent [persoon] verder niet. Door een jas te kopen voor een minimaal bedrag van iemand die je niet kent en de jas zonder duidelijke aanleiding aanbiedt, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een aanmerkelijke kans dat de jas afkomstig is van een misdrijf. Verdachte heeft door op dit aanbod in te gaan, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een jas kocht die van een misdrijf afkomstig was. Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorwaardelijk opzet en daarmee van opzetheling.
Ten aanzien van de in zaak A, feit 2 ten laste gelegde diefstal met valse sleutel:
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde feit. De rechtbank zal verdachte dan ook hiervan vrijspreken.
Ten aanzien van zaak A, onder 3 en 4 en zaak B:
Omdat verdachte de ten laste gelegde feiten in zaak A onder 3 en 4 en het feit in zaak B heeft bekend en de raadsman geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank met toepassing van het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) met een opsomming van de bewijsmiddelen. De rechtbank baseert zich bij de bewezenverklaring op de redengevende feiten en omstandigheden vervat in de inhoud van:
Ten aanzien van zaak A onder 3:
1.
De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de zitting van 28 november 2025;
2.
Een proces-verbaal van aangifte met nummer 2025205820-2 van 17 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pagina’s 13 en 14.
Ten aanzien van zaak A onder 4:
1.
De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de zitting van 28 november 2025;
2.
Een proces-verbaal met van aangifte nummer 2025204882-2 van 16 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , doorgenummerde pagina’s 6 tot en met 8.
Ten aanzien van zaak B:
1.
De bekennende verklaring van verdachte, zoals afgelegd bij de rechter-commissaris op 17 januari 2025;
2.
Een proces-verbaal met nummer 2025011312-10 van 16 januari 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde pagina’s 7 tot en met 8.

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3. en in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
ten aanzien van zaak A onder 1, subsidiair
op 17 september 2025 te Amsterdam, een jas, met daarin sleutels en Airpods, voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
ten aanzien van zaak A onder 3
op 13 augustus 2025 te Amsterdam, een paar schoenen, merk Nike, dat aan winkelbedrijf [winkel 1] , locatie: [adres 1] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van zaak A onder 4
op 10 augustus 2025 te Amsterdam, kledingstukken die aan winkelbedrijf [winkel 1] , locatie [adres 2] , toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van zaak B
op 15 januari 2025 te Amsterdam, een rugtas die aan winkelbedrijf [winkel 2] , locatie [adres 3] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte geen baat heeft bij de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel. Verdachte is zich bewust van zijn verslaving en de daarmee gepaarde uitdagingen maar hij heeft aan zichzelf gewerkt. Verdachte heeft daarbij verklaard tijdelijk bij zijn moeder te kunnen wonen na vrijlating. Verdachte heeft baat bij een kader met bijzondere voorwaarden, met een voorwaardelijke ISD-maatregel dan wel een voorwaardelijke straf.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte.
Ernst bewezen verklaarde feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een opzetheling en meerdere diefstallen. Dit zijn hinderlijke feiten die overlast veroorzaken, onder andere voor de getroffen winkeliers.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van de Verslavingsreclassering GGZ Inforsa van 19 november 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker 1] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in.
De delicten van verdachte komen voort uit langdurige verslavingsproblematiek. Daarbij heeft hij problemen op vrijwel alle leefgebieden, waaronder huisvesting, psychische gezondheid en financiën. Hoewel hij gemotiveerd lijkt te zijn de problematiek aan te pakken overschat hij zijn eigen vaardigheden deze verandering te realiseren. De reclassering acht dan ook trajecten in een ander kader dan de onvoorwaardelijke ISD-maatregel niet haalbaar.
Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting van 28 november 2025 reclasseringswerker [reclasseringsmedewerker 2] , die namens [reclasseringsmedewerker 1] is verschenen, verbonden aan de Verslavingsreclassering GGZ Inforsa, als deskundige gehoord. Zij heeft voornoemd rapport bevestigd en waar nodig aangevuld. Volgens de deskundige heeft verdachte meer structuur nodig dan hem bij een eventuele woonplek bij zijn moeder kan worden geboden. Tijdens de ISD-maatregel kan worden onderzocht welke structuur en bescherming nodig zijn om te voorkomen dat een terugval in middelengebruik zijn voortgang opnieuw belemmert.
Voldaan aan voorwaarden voor oplegging ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie (strafblad) van 19 september 2025 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan 15 januari 2025 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. De rechtbank ziet geen reden om deze maatregel niet op te leggen. Het kader van bijzondere voorwaarden met een voorwaardelijke straf of maatregel is onvoldoende dwingend gebleken om recidive te voorkomen. Zij zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.

9.Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Verdachte is bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland op 8 mei 2024 in de zaak met parketnummer 15-154628-24 veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf met aftrek van voorarrest, waarvan één week voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 22 mei 2024.
De officier van justitie heeft verzocht de vordering af te wijzen, gelet op de vordering om de ISD-maatregel op te leggen. De raadsvrouw heeft eveneens verzocht om de vordering af te wijzen.
Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank is echter van oordeel dat de tenuitvoerlegging van de straf zich niet verdraagt met de op te leggen ISD-maatregel. De vordering zal daarom worden afgewezen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n, 57, 63, 310, 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte de in zaak A, feit 1 subsidiair, 3 en 4 en de in zaak B ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
zaak A, feit 1 subsidiair:
opzetheling
zaak A, onder 3 en 4 en zaak B:
telkens: diefstal
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de
maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
twee jaar.
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.F. Bögemann, voorzitter,
mrs. A.L. op ’t Hoog en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 december 2025.
[...]