Op 21 juni 2024 werd verdachte aangehouden nadat hij de politie had gebeld met de melding dat hij brand wilde stichten in zijn woning. Ter plaatse troffen agenten een stapel papier en een fles terpentine aan in de deuropening, terwijl verdachte een aansteker uit zijn broekzak haalde. Verdachte verklaarde echter dat hij hulp zocht en geen intentie had om daadwerkelijk brand te stichten.
De officier van justitie vorderde vrijspraak voor bedreiging omdat de bedreiging niet aan de omwonenden was overgekomen, maar wilde wel veroordeling voor het voorbereiden van brandstichting. De verdediging stelde dat verdachte mogelijk psychotisch was en geen opzet had op brandstichting.
De rechtbank oordeelde dat hoewel er aanwijzingen waren voor opzet, het bewijs onvoldoende overtuigend was om te concluderen dat verdachte bewust voorbereidingshandelingen had verricht. De bedreiging werd eveneens niet bewezen geacht omdat deze niet bekend was bij de bedreigden.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide ten laste gelegde feiten. Tevens werd het beslag op de terpentine en aansteker teruggegeven en het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.