De rechtbank Amsterdam behandelde vier aan elkaar gevoegde zaken tegen verdachte, geboren in 2004, die meerdere strafbare feiten ten laste werden gelegd. Verdachte werd vrijgesproken van het voorhanden hebben van munitie, omdat onvoldoende bewijs bestond dat hij hiervan op de hoogte was. Wel werd hij veroordeeld voor het bezit van een stroomstootwapen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, mishandeling van twee minderjarige jongens, schuldheling van een elektrische fiets, belediging en diefstal van een fietssleutel, en bedreiging met zware mishandeling van een straatcoach.
De rechtbank baseerde haar oordeel op onder meer bekennende verklaringen van verdachte, verklaringen van benadeelden en getuigen, proces-verbalen van doorzoekingen en deskundigenrapporten. De verdediging voerde onder meer ontkenning en gebrek aan bewijs aan, maar deze werden grotendeels verworpen. De rechtbank sprak verdachte vrij van enkele bedreigingsfeiten wegens onvoldoende bewijs.
De strafoplegging hield rekening met de ernst van de feiten, de recidive van verdachte en de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Verdachte kreeg een gevangenisstraf van 84 dagen opgelegd, gelijk aan de duur van zijn voorlopige hechtenis, en de tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke jeugddetentie werd deels omgezet in een taakstraf van 200 uur.
Een vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. Verdachte en de benadeelde partij dragen ieder hun eigen kosten.