Art. 68 OverleveringswetArt. 260 lid 5 Wetboek van StrafvorderingArt. 36e Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Nietigverklaring oproeping in overleveringszaak wegens ontbreken vertaling
In een overleveringszaak bij de Rechtbank Amsterdam op 31 december 2024 verscheen de opgeëiste persoon niet op de zitting. De raadsvrouw gaf aan geen vertaalde oproeping te hebben ontvangen, hetgeen door de officier van justitie werd bevestigd. De raadsvrouw stelde dat de oproeping nietig is, omdat op grond van artikel 68 OverleveringswetPro en artikel 260 lid 5 WetboekPro van Strafvordering (Sv) de oproeping vertaald moet worden.
De officier van justitie betoogde dat in overleveringszaken geen sprake is van een beschuldiging en dat de oproeping slechts de tijd en plaats van de zitting betreft, waardoor het ontbreken van een vertaling niet tot nietigheid zou moeten leiden. De rechtbank overwoog dat de betekeningsvoorschriften uit het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing zijn en dat het aanwezigheidsrecht van de opgeëiste persoon ook in de overleveringsprocedure van belang is.
Daarom werd de oproeping nietig verklaard wegens het ontbreken van een vertaling. De rechtbank bepaalde dat de oproeping opnieuw zal plaatsvinden met tijdige kennisgeving aan de raadsvrouw en met inzet van een Poolse tolk. Het onderzoek werd ter zitting geschorst tot een nader te bepalen datum.
Uitkomst: De oproeping wordt nietig verklaard wegens het ontbreken van een vertaling, en de zitting wordt geschorst tot een nieuwe oproeping met vertaling.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/201073-24
PROCES-VERBAAL
ZITTING
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden zitting van bovengenoemde rechtbank op
31 december 2024.
Tegenwoordig:
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds en E.G.M.M. van Gessel, rechters,
mr. R.R. Eijsten, griffier.
Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. K. van der Schaft, officier van justitie.
De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen opgeëiste persoon uitroepen en belast de jongste rechter met de leiding van het onderzoek.
De opgeëiste persoon:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats], Polen op [geboortedag] 1980,
opgegeven verblijfadres: [verblijfadres],
registratie in de Basisregistratie Personen (niet ingezetene):
[BRP-adres],
is niet verschenen.
Als raadsvrouw van de opgeëiste persoon is ter zitting aanwezig mr. P.M. Langereis, advocaat in Zoetermeer.
De jongste rechter vraagt de raadsvrouw of zij de afwezigheid van haar cliënt kan toelichten.
Ik weet niet waarom cliënt er niet is. Ik merk wel op dat ik geen vertaalde oproep heb gezien.
De jongste rechter vraagt de officier van justitie of er een vertaalde oproep naar de opgeëiste persoon is gestuurd.
De officier van justitie:
Ik denk dat het er geen vertaalde oproep is gestuurd.
De jongste rechter geeft het woord aan de raadsvrouw om haar standpunt naar voren te brengen.
De raadsvrouw:
Ik stel mij op het standpunt dat de oproeping nietig is. De betekeningsvoorschriften in het Wetboek van Strafvordering (Sv) zijn van overeenkomstige toepassing op grond van artikel 68 vanPro de Overleveringswet (OLW). Uit artikel 260, lid 5, Sv volgt dat de mededeling van de tijd en plaats van de zitting moet worden vertaald. Ik leg enkele arresten over ter onderbouwing van mijn standpunt. [2]
De jongste rechter geeft het woord aan de officier van justitie.
De officier van justitie:
Ik begrijp niet waarom het tweede door de raadsvrouw overgelegde arrest relevant is. Verder is de strekking van de bepalingen in Sv anders. In overleveringszaken is geen sprake van een beschuldiging. Een oproeping in een overleveringszaak ziet alleen op de tijd en plaats van de zitting. Ik stel mij op het standpunt dat er geen gevolgen moeten worden verbonden aan het ontbreken van een vertaling van de oproep. We maken in dit soort gevallen nooit een vertaling.
De jongste rechter geeft het woord aan de raadsvrouw.
De raadsvrouw:
Ik verwijs nogmaals naar artikel 68 vanPro de OLW en naar artikel 260, lid 5, Sv.
De voorzitter merkt op dat het bepaalde in artikel 36e Sv in dit verband van belang lijkt.
De raadsvrouw:
U heeft gelijk, waarbij ik opmerkt dat ook dat artikel van overeenkomstige toepassing is.
De jongste rechter geeft het woord aan de officier van justitie. Hij maakt daarvan geen gebruik.
Na beraad in raadkamer deelt de jongste rechter als beslissingen van de rechtbank mee:
dat de oproeping nietig wordt verklaard, omdat er geen vertaling van de oproeping naar de opgeëiste persoon is gestuurd. De betekeningsvoorschriften in Sv zijn van overeenkomstige toepassing. Uit die voorschriften volgt dat de oproeping moet worden vertaald. Die voorschriften zien mede op het aanwezigheidsrecht, wat ook van belang is in de overleveringsprocedure;
dat het onderzoek ter zitting voor
De jongste rechter beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen dag en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan de raadsvrouw van de opgeëiste persoon.
De jongste rechter beveelt de oproeping van een tolk voor de Poolse taal voor de nieuwe zitting.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.
Voetnoten
1.Alles wat op zitting is gezegd, is zakelijk weergegeven.
2.De overgelegde arresten zijn als bijlage aan dit proces-verbaal gehecht.