Partijen sloten een overeenkomst voor de overname van twee tandartspraktijken en het bijbehorende praktijkpand via een ABC-constructie. De levering van de activa en het praktijkpand werd uitgesteld en er ontstond onenigheid over de geldigheid en nakoming van de overeenkomst. Gedaagde stelde dat de overeenkomst tot stand was gekomen onder misleidende omstandigheden en beriep zich op ontbinding wegens wanprestatie en vernietiging wegens dwaling en bedrog.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiseres onvoldoende openheid van zaken had gegeven over een lopende procedure van een derde partij die levering van de praktijken vorderde, wat het vertrouwen van gedaagde schaadde. Ook was onvoldoende medewerking verleend aan het opstellen van een serieuze koopovereenkomst voor het praktijkpand met de gebruikelijke garanties.
Daarom was het aannemelijk dat de bodemrechter de ontbinding van de overeenkomst zou bevestigen, waardoor nakoming niet kon worden gevorderd. De vordering tot voorschot op schadevergoeding werd afgewezen omdat de omvang en het bestaan van de schade onvoldoende aannemelijk waren in kort geding.
Eiseres werd veroordeeld in de proceskosten van de conventie, terwijl gedaagde in de proceskosten van de reconventie werd vrijgesteld. Het vonnis werd gewezen door voorzieningenrechter I.H.J. Konings en griffier M.A.H. Verburgh op 31 december 2024.