De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 december 2024 het verzoek tot uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen gericht tegen een opgeëiste persoon zonder vaste verblijfplaats in Nederland.
Eerder had de rechtbank het onderzoek geschorst vanwege een algemeen reëel gevaar op schending van grondrechten in de Poolse detentieomgeving. Na aanvullende informatie van de Poolse autoriteiten over detentieomstandigheden en garanties, stelde de rechtbank vast dat het individuele reële gevaar voor de opgeëiste persoon niet was weggenomen.
De officier van justitie en de raadsman van de opgeëiste persoon waren het eens met het standpunt dat de omstandigheden niet waren gewijzigd. De rechtbank besloot daarom geen gevolg te geven aan het EAB op grond van artikel 11, eerste lid, Overleveringswet (OLW) en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering. Tevens werd de gevangenhouding opgeheven.
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open. De beslissing is gebaseerd op een zorgvuldige afweging van de detentieomstandigheden en de bescherming van fundamentele rechten.