ECLI:NL:RBAMS:2024:7695

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 december 2024
Publicatiedatum
11 december 2024
Zaaknummer
11250036 \ CV EXPL 24-10271
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230m lid 1 BWArt. 6:230t BWArt. 6:230o BWArt. 6:230g lid 2 BWArt. 6:230p onder f BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering uitvaartovereenkomst zonder ontbindingsrecht

DELA Uitvaartverzorging heeft een vordering ingesteld tegen gedaagde wegens niet-nakoming van een uitvaartovereenkomst die buiten de verkoopruimte is gesloten. Gedaagde is in verstek verschenen. De kantonrechter heeft ambtshalve onderzocht of eiseres aan haar informatieplichten heeft voldaan en of de overeenkomst voldoet aan de richtlijn betreffende oneerlijke bedingen.

De overeenkomst betreft een gemengde overeenkomst gesloten buiten de verkoopruimte, waarbij normaal gesproken een ontbindingsrecht geldt. Echter, vanwege de aard van de dienstverlening en de wettelijke termijn waarbinnen een uitvaart moet plaatsvinden, is geoordeeld dat het ontbindingsrecht niet van toepassing is. Dit volgt uit de uitzonderingen in het Burgerlijk Wetboek en de Europese richtlijn, waarbij de overeenkomst wordt gezien als een op maat gemaakte dienst voor een specifieke persoon.

De kantonrechter heeft het prijsbeding en de incassokosten ambtshalve getoetst op transparantie en oneerlijkheid en heeft geen onregelmatigheden vastgesteld. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom wordt toegewezen, maar niet over de incassokosten wegens onvoldoende onderbouwing. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente en proceskosten zonder ontbindingsrecht.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11250036 \ CV EXPL 24-10271
Vonnis van 5 december 2024
in de zaak van
DELA UITVAARTVERZORGING N.V.,
te Eindhoven,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties,
- het tegen gedaagde verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
De overeenkomst is gesloten met een consument. De kantonrechter moet daarom ambtshalve onderzoeken of eiseres haar informatieplichten heeft nageleefd. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.2.
Gelet op de gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst (bij gedaagde thuis), is sprake van een overeenkomst buiten de verkoopruimte. In dat geval moet gemotiveerd worden gesteld dat is voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en 6:230t van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.3.
Eiseres heeft hierover voldoende gesteld en onderbouwd. De kantonrechter stelt vast dat gedaagde niet is geïnformeerd over het ontbindingsrecht. Eiseres verwijst in dat kader naar de Wet op de lijkbezorging, waaruit volgt dat een uitvaart uiterlijk op de zesde werkdag na het overlijden moet plaatsvinden. Hieruit leidt de kantonrechter af dat eiseres vindt dat het ontbindingsrecht voor haar niet geldt.
2.4.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is een gemengde overeenkomst, gesloten buiten de verkoopruimte. In beginsel geldt dan een ontbindingsrecht, waarover gedaagde moet worden geïnformeerd (artikel 6:230o jo. 6:230m lid 1 onder h BW). Op grond van artikel 6:230g lid 2 BW moet bij gemengde overeenkomsten worden uitgegaan van de bepalingen die van toepassing zijn op consumentenkoop. In artikel 6:230p onder f BW staan de uitzonderingen op het ontbindingsrecht betreffende consumentenkoop.
2.5.
In de Richtlijn Consumentenrechten (2011/83 EU), die is geïmplementeerd in het Burgerlijk Wetboek in Afdeling 2b, Titel 5 van Boek 6, is in de overwegingen over het doel van die richtlijn te lezen dat bepaalde uitzonderingen op het ontbindingsrecht mogelijk moeten zijn (zie overwegingen 49 en 50). Het is mogelijk dat een ontbindingsrecht, gezien de aard van de betrokken goederen of diensten, niet op zijn plaats is. Gerefereerd wordt daarbij aan volgens specificaties van de consument vervaardigde goederen, goederen die duidelijk voor een specifieke persoon bestemd zijn en gereserveerde capaciteit, waarvoor de handelaar bij de uitoefening van het ontbindingsrecht geen bestemming meer kan vinden. Uit de overwegingen volgt ook dat de handelaar, als een ontbindingsrecht wordt ingeroepen, moet kunnen rekenen op een passende, evenredige betaling voor de dienst die hij heeft verricht. Tot slot moet rekening worden gehouden met een overeengekomen essentiële leveringstermijn en de aard van bepaalde goederen, zoals goederen die speciaal voor de consument zijn gefabriceerd of aangeschaft en de handelaar niet zonder aanzienlijk verlies kan hergebruiken.
2.6.
Gelet op de hiervoor aangehaalde overwegingen, het doel en de achtergrond van het ontbindingsrecht en de beschreven uitzonderingssituaties, behoren overeenkomsten als de onderhavige te zijn uitgezonderd van het ontbindingsrecht. Dat volgt uit de aard van de overeenkomst, de aard van de geleverde diensten en goederen en de wettelijke termijn waarbinnen een overledene moet zijn gecremeerd of begraven. Uitvaarten worden volledig ingericht naar de specifieke wensen van een overledene of de nabestaande(n). De overeenkomst moet bovendien volledig zijn uitgevoerd binnen zes werkdagen na een overlijden, zodat een ontbindingstermijn van veertien dagen alleen al daarom niet in de rede ligt. Ondanks dat een uitzondering voor de specifieke dienstverlening van eiseres niet expliciet in de wet is opgenomen, past het in het licht van het voorgaande bij de uitzondering als bedoeld in artikel 6:230p onder f, sub 1° BW: “De consument heeft geen recht van ontbinding bij een consumentenkoop betreffende de levering van volgens specificaties van de consument vervaardigde zaken, die niet pregefabriceerd zijn en die worden vervaardigd op basis van een individuele keuze of beslissing van de consument, of die duidelijk voor een specifieke persoon bestemd zijn”.
2.7.
Nu geoordeeld wordt dat voor de dienstverlening van eiseres geen ontbindingsrecht geldt, leidt dat tot de conclusie dat eiseres aan haar essentiële informatieplichten heeft voldaan. Voor een sanctie bestaat dan ook geen aanleiding.
2.8.
De kantonrechter heeft het prijsbeding ambtshalve getoetst op transparantie. Het prijsbeding is transparant en hoeft daarom niet op oneerlijkheid te worden getoetst.
2.9.
Het voorgaande leidt tot toewijzing van de gevorderde hoofdsom.
2.10.
Eiseres maakt ook aanspraak op rente en incassokosten. De kantonrechter heeft de bedingen in de algemene voorwaarden die voor de beoordeling van belang (kunnen) zijn ambtshalve op oneerlijkheid getoetst, meer in het bijzonder artikel 9. Ondanks dat destijds meer rente is bedongen dan de wettelijke rente, blijft het overeengekomen maximale rentepercentage onder het wettelijke handelsrentepercentage. Voordat incassokosten verschuldigd raken dienen de wettelijke verplichtingen te worden nageleefd. De bedingen zijn daarom niet oneerlijk, zodat eiseres aanspraak kan maken op de wettelijke regeling.
2.11.
De gevorderde wettelijke rente over vervallen rente en buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat hierover onvoldoende is gesteld. De rente is alleen toewijsbaar over de hoofdsom.
2.12.
Met inachtneming van het voorgaande komt de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voor.
2.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Dela worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
137,38
- griffierecht
372,00
- salaris gemachtigde
204,00
(1 punt × € 204,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
780,88

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Dela te betalen een bedrag van € 2.157,68, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de hoofdsom van € 1.664,85 met ingang van 18 juli 2024 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 780,88, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2024.
991