Uitspraak
1.[eiser 1] ,
2.
[eiser 2],
3.
[eiser 3],
Rechtbank Amsterdam
De zoon is in 2015 vanuit Spanje naar Nederland gekomen en is bij zijn ouders ingetrokken. Hij woont sinds 2017 met zijn ouders in een woning waarvan de vader en moeder huurder zijn. De zoon verzocht om medehuurderschap, stellende dat hij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met zijn ouders voert.
De Alliantie betwist dit en voert aan dat de zoon wisselende verklaringen geeft en dat er geen sprake is van wederkerige zorg of gedeelde lasten. De rechtbank oordeelt dat hoewel de zoon sinds 2017 zijn hoofdverblijf in de woning heeft, er onvoldoende bewijs is voor een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De intentie van de zoon om duurzaam samen te wonen met zijn ouders is niet aannemelijk, mede door zijn inschrijving bij Woningnet en het feit dat hij woningen zoekt die niet geschikt zijn voor zijn ouders.
De rechtbank concludeert dat de situatie niet meer is dan een kind dat bij zijn ouders inwoont en hen verzorgt, wat onvoldoende is voor medehuurderschap. De vordering wordt afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Verzoek tot medehuurderschap van de zoon wordt afgewezen wegens ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.