AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrouw niet-ontvankelijk in verzoek voorlopige voorzieningen na echtscheiding in Syrië
Partijen zijn gehuwd in Syrië en hebben de Syrische nationaliteit. De vrouw verzocht de rechtbank om voorlopige voorzieningen te treffen, waaronder het gebruik van de echtelijke woning en een bijdrage in haar levensonderhoud. De man stelde dat de vrouw niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de echtscheiding al op 28 juli 2024 in Syrië was uitgesproken.
De vrouw gaf aan niet op de hoogte te zijn geweest van de echtscheiding en vermoedde dat de man zonder haar instemming de procedure in Syrië had geregeld met een algemene volmacht die niet bedoeld was voor echtscheiding. De rechtbank overwoog dat de ontbinding van het huwelijk in Syrië met wederzijdse instemming was uitgesproken en dat een voorlopige voorzieningenprocedure slechts een summiere toetsing aan artikel 57 RvPro toelaat.
Omdat de vrouw geen actie had ondernomen tegen de ontbinding of het vermeende misbruik van volmacht en ook geen contact had gezocht met haar gevolmachtigde, ging de rechtbank ervan uit dat zij met de ontbinding had ingestemd. Daarom werd zij niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot voorlopige voorzieningen. Een diepgaand onderzoek kan in de bodemprocedure plaatsvinden.
Uitkomst: De vrouw is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot voorlopige voorzieningen omdat de echtscheiding in Syrië reeds is uitgesproken en zij daarmee naar voorlopig oordeel heeft ingestemd.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer / rekestnummer: C/13/755046 / FA RK 24-5282 (MO/CS)
Beschikking van 21 november 2024 betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat voorheen mr. A.S. Bodha, thans mr. H. Plantenga.
tegen
[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. S. Toughza.
1.De procedure
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoek van de vrouw, ingekomen op 7 augustus 2024;
het verweerschrift van de man, ingekomen op 25 september 2024;
het F9-formulier met bijlagen van de vrouw van 30 oktober 2024;
het F9-formulier met bijlagen van de man van 30 oktober 2024.
1.2.
De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 7 november 2024. Verschenen zijn: partijen met hun advocaten, alsmede voor ieder van partijen een tolk. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities voorgedragen en overgelegd.
2.De feiten
2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd te Latakia (Syrië) op 18 maart 2022. Beide partijen hebben de Syrische nationaliteit.
3.Het verzoek en het verweer
3.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat zij bij uitsluiting zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning en dat de man € 500,- per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.
3.2.
De man verweert zich tegen het verzoek van de vrouw.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan.
4.De beoordeling
4.1.
De Nederlandse rechter komt te dezen rechtsmacht toe. De rechtbank past in deze voorlopige-voorzieningenprocedure Nederlands recht toe.
4.2.
In geschil tussen partijen is of de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen.
4.3.
Primair stelt de man dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoeken, nu de echtscheiding tussen partijen op 28 juli 2024 in Syrië reeds is uitgesproken na een gemeenschappelijk verzoek tot echtscheiding. Nu de echtscheidingsprocedure in Syrië al is afgerond kan er geen voorlopige voorzieningen meer worden getroffen, aldus de man.
4.4.
De vrouw stelt dat zij niet bekend was met een echtscheiding in Syrië (totdat zij in deze procedure bekend is geworden met stukken daarvan) en zij meent dat de man zonder dat zij het wist de echtscheiding in Syrië heeft geregeld. De vrouw heeft bij haar vertrek uit Syrië, gelet op de omstandigheden in Syrië, een algemene juridische volmacht afgegeven zodat zij zaken op afstand zou kunnen regelen. De man wist van die volmacht en de vrouw vermoedt dat de man de Syrische advocaat heeft benaderd en opdracht gaf namens de vrouw ‘in de procedure’ te verschijnen. De afgegeven volmacht was niet bedoeld voor een echtscheiding. Bij de vrouw ontbrak de kennis, alsmede een uitdrukkelijk wil tot instemming met deze echtscheiding, laat staan dat zij afstand heeft willen doen van aanspraken op gemeenschappelijk vermogen, huurrecht en partneralimentatie. De vrouw wil in Nederland van de man scheiden en in dat kader nu eerst voorlopige voorzieningen treffen.
4.5.
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft een uitspraak van de rechtbank in Lattakia (Syrië) van 20 augustus 2024 overgelegd waaruit de ontbinding van het huwelijk in Syrië met wederzijde instemming van partijen op 28 juli 2024 blijkt. Het bestaan van deze uitspraak wordt niet door de vrouw betwist. Wel hebben partijen een volstrekt verschillende lezing over de omstandigheden waaronder die uitspraak tot stand is gekomen.
4.6.
In deze zaak is artikel 57 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van belang:
een in het buitenland na een behoorlijke rechtspleging verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed wordt in Nederland erkend, indien zij is tot stand gekomen door een beslissing van een rechter of andere autoriteit en indien aan die rechter of andere autoriteit daartoe rechtsmacht toekwam.
Een in het buitenland verkregen ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed die niet voldoet aan één of meer van de in lid 1 gestelde voorwaarden wordt nochtans in Nederland erkend indien duidelijk blijkt dat de wederpartij hetzij tijdens de buitenlandse procedure uitdrukkelijk of stilzwijgend met die ontbinding of scheiding van tafel en bed heeft ingestemd, dan wel na afloop van de procedure in de uitspraak heeft berust.
4.7.
Een voorlopige voorzieningen procedure leent zich slechts voor een summiere inhoudelijke toetsing aan artikel 57 RvPro. In dat kader is van belang dat tijdens de mondelinge behandeling vast is komen te staan dat de vrouw geen actie heeft ondernomen om tegen de uitgesproken ontbinding van het huwelijk danwel het beweerdelijk gemaakte misbruik van de afgegeven volmacht. Zij heeft aangegeven dat zij de gevolmachtigde in Syrië ook niet na de kennisname van de ontbinding heeft benaderd. Een diepergaand inhoudelijk onderzoek kan in de bodemprocedure plaatsvinden. De rechtbank gaat er echter vooralsnog vanuit dat de vrouw met de ontbinding in Syrië heeft ingestemd, zodat er geen grondslag is tot het treffen van voorlopige voorzieningen in het kader van een echtscheidingsprocedure. De vrouw is daarom niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen.
5.De beslissing
De rechtbank:
5.1.
verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Overmars, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C.K. Soeters, griffier, op 21 november 2024.