ECLI:NL:RBAMS:2024:7077

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 november 2024
Publicatiedatum
20 november 2024
Zaaknummer
13-259212-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 9 Wegenverkeerswet 1994Art. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor verkeersovertreding

De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 november 2024 het verzoek tot overlevering van een opgeëiste persoon uit Tsjechië, op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de District Court in Ústí nad Labem. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 15 maanden wegens een verkeersovertreding. De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct is vastgesteld.

Tijdens de procedure werd onder meer het verweer van de raadsvrouw behandeld dat de officier van justitie niet ontvankelijk zou zijn omdat de opgeëiste persoon niet meer in Nederland verblijft. De rechtbank verwierp dit verweer, aangezien niet was gebleken dat de opgeëiste persoon Nederland had verlaten. Tevens werd het verweer over dubbele strafbaarheid behandeld; de rechtbank oordeelde dat de feiten, hoewel anders gekwalificeerd in Tsjechië, in Nederland strafbaar zijn als overtreding van artikel 9 Wegenverkeerswet Pro 1994.

De rechtbank ging ook in op de mogelijke weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW) omtrent het ontbreken van verschijning bij het proces in Tsjechië. Gezien het feit dat de opgeëiste persoon bij de eerste zitting aanwezig was en daarna uit eigen beweging niet verscheen, werd geconcludeerd dat afstand van verdedigingsrechten stilzwijgend had plaatsgevonden. Hierdoor stond artikel 12 OLW Pro niet aan de overlevering in de weg.

Uiteindelijk besloot de rechtbank de overlevering toe te staan, waarbij zij uitging van het vertrouwensbeginsel dat het nationale arrestatiebevel voorafging aan het EAB en dat geen andere weigeringsgronden van toepassing waren. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Tsjechië toe voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van 15 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-259212-24 (EAB II)
Datum uitspraak: 20 november 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 28 augustus 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 juli 2024 door
the District Court in Ústí nad Labem, Tsjechië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Tsjechië) op [geboortedag] 1974,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 2 oktober 2024
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 2 oktober 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, en door een tolk in de Tsjechische taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak 16 oktober 2024
De rechtbank heeft bij uitspraak van 16 oktober 2024 het onderzoek heropend en geschorst voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie te verzoeken aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag voor te leggen of het vermelde arrest warrant een nationaal arrestatiebevel betreft dat vooraf is gegaan aan het uitvaardigen van het EAB, of dat dit arrest warrant gelijk is aan het EAB.
Zitting 6 november 2024
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voortgezet op de zitting van 6 november 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. De opgeëiste persoon is vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw, mr. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Tsjechische nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judgement (of conviction) of the District Court in Ústí nad Labemvan
2 april 2024 (kenmerk: 62T 47/2023-122). Uit het EAB blijkt dat de
judgement(hierna: vonnis) nog niet uitvoerbaar is omdat deze nog niet aan de opgeëiste persoon is betekend.
Het EAB vermeldt daarnaast een voor tenuitvoerlegging vatbaar
arrest warrantuitgevaardigd door
the District Court in Ústí nad Labemop 22 juli 2024 (kenmerk: 62T 47/2023).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 15 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, nadat na de overlevering het hierboven genoemde vonnis aan hem is betekend. Deze vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. [3]
Tussenuitspraak
Naar aanleiding van de tussenuitspraak is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de vraag gesteld of het vermelde arrest warrant een nationaal arrestatiebevel betreft dat vooraf is gegaan aan het uitvaardigen van het EAB, of dat dit arrest warrant gelijk is
aan het EAB.
Uit de aanvullende informatie van 17 oktober 2024 van de Tsjechische autoriteiten blijkt dat zowel een nationaal arrestatiebevel als een EAB is uitgevaardigd, waarbij het nationaal arrestatiebevel is afgegeven voorafgaand aan het uitvaardigen van het EAB. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van hetgeen in de aanvullende informatie is vermeld. De rechtbank stelt dan ook vast dat sprake is van een aanhoudingsbevel als bedoeld in artikel 2, eerste lid aanhef, onder c, OLW dat aan het EAB ten grondslag ligt. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
Ontvankelijkheid officier van justitie
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft de vraag opgeworpen in hoeverre de officier van justitie nog ontvankelijk is in de vordering. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 17 oktober 2024 blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon niet meer verblijft op het adres waar hij volgens zijn schorsingsvoorwaarden moet verblijven en dat hij met heel zijn hebben en houwen is vertrokken.
Het oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vordering, omdat niet is gebleken dat de opgeëiste persoon niet meer in Nederland verblijft.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Op grond van de stukken stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon in persoon is opgeroepen voor de zitting van 18 januari 2024, waarbij hij erover is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien de opgeëiste persoon niet op de zitting verschijnt. De opgeëiste persoon is in persoon verschenen op die zitting, waarbij de behandeling van de zaak is aangehouden tot de zitting van 2 april 2024 en de opgeëiste persoon ook de datum van die zitting is medegedeeld. De opgeëiste persoon is niet verschenen op de zitting van 2 april 2024. Nu uit de stukken niet blijkt dat de opgeëiste persoon erover is geïnformeerd dat een beslissing kan worden genomen indien de opgeëiste persoon niet op de zitting van 2 april 2024 zou verschijnen, kan volgens de rechtbank niet worden geoordeeld dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW.
De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang. De opgeëiste persoon is op de eerste zitting in persoon aanwezig geweest, waar hem de datum van de volgende zitting is aangezegd. Door desondanks niet op die volgende zitting te verschijnen, heeft de opgeëiste persoon uit eigen beweging stilzwijgend afstand gedaan van zijn verdedigingsrechten. Het toestaan van de overlevering levert daarom geen schending van die verdedigingsrechten op.
Gelet op het voorgaande staat artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg.

4.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 7 OLW Pro moet worden geweigerd, omdat belemmering van een officiële beslissing – zoals het feit door de uitvaardigende justitiële autoriteit is gekwalificeerd – naar Nederlands recht geen strafbaar feit oplevert.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, aangezien de feiten naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld onder artikel 9 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Het oordeel van de rechtbank
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan. Hoewel door de uitvaardigende justitiële autoriteit het besturen van een auto, wetende dat bij rechterlijke beslissing een rijverbod is opgelegd, wordt gekwalificeerd als belemmering van de executie van een officiële beslissing, leveren de feiten naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 9 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5, 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the District Court in Ústí nad Labem, Tsjechië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. R.A. Sipkens, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en A.L. op 't Hoog, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. E.A. Harland en Ç.H. Dede, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 november 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.