Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:6821

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 oktober 2024
Publicatiedatum
7 november 2024
Zaaknummer
13/204341-24 en 09/251486-22 (tul)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 312 SrArt. 366a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Diefstal met geweld en oplegging ISD-maatregel voor veelpleger

Op 22 juni 2024 heeft verdachte in Amsterdam meerdere sixpacks bier gestolen uit een Albert Heijn en is daarbij met geweld weggerend nadat hij werd aangesproken door winkelpersoneel. De rechtbank acht bewezen dat het geweld werd gebruikt met het oogmerk om aan betrapping op heterdaad te ontkomen. Een deel van het geweld buiten de winkel, gepleegd nadat verdachte al was ontkomen, werd niet bewezen met vluchtoogmerk en leidde tot vrijspraak voor die handelingen.

Verdachte is een veelpleger met een geschiedenis van meerdere vrijheidsbenemende straffen en een patroon van onder invloed plegen van strafbare feiten. Een reclasseringsrapport en deskundigenverklaring bevestigen de instabiliteit in zijn leven, verslavingsproblematiek en het hoge recidiverisico zonder adequate behandeling.

De officier van justitie eiste een ISD-maatregel van twee jaar, die de rechtbank oplegt gezien de ernst van het feit, het recidivegevaar en het ontbreken van succesvolle eerdere hulpverlening. De maatregel wordt opgelegd zonder aftrek van voorarrest. De rechtbank wijst een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf af wegens de ISD-maatregel.

De rechtbank verklaart verdachte schuldig aan diefstal met geweld met vluchtoogmerk en legt een ISD-maatregel van twee jaar op. Voor overige geweldshandelingen buiten het vluchtoogmerk spreekt zij verdachte vrij.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot ISD-maatregel van twee jaar wegens diefstal met geweld met vluchtoogmerk.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/204341-24, 09/251486-22 (tul)
Datum uitspraak: 16 oktober 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2002,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting in [plaats] ,
hierna: verdachte.

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 oktober 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. L. Lopez, en van wat de raadsman van verdachte, mr. P.A. van der Waal, naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 22 juni 2024 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het tenlastegelegde feit kan worden bewezen.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van de ten laste gelegde geweldscomponent, nu het oogmerk om te vluchten ontbreekt. Om te beginnen blijkt uit de beelden dat de aangever en verdachte elkaar in de Albert Heijn over en weer duwden en de eerste duw van aangever afkomstig was. Ook blijkt uit die beelden dat verdachte, op het moment dat hij al buiten was en dus gemakkelijk kon wegrennen, juist terugkeerde naar de winkelmedewerker waarna opnieuw een handgemeen volgde. Het geweld dat toen zou zijn toegepast, zag daarom niet op het vergemakkelijken van de vlucht.
3.3
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring
De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld. Uit de twee aangiften en het proces-verbaal van bevindingen waarin de camerabeelden zijn beschreven, blijkt dat verdachte sixpacks bier heeft weggenomen door die in de winkel in zijn tas te stoppen en vervolgens zonder te betalen langs de kassa’s te lopen. Toen hij hierop vervolgens in de Albert Heijn door personeel werd aangesproken, heeft hij aangever [persoon 1] meerdere duwen gegeven. Alhoewel uit het voornoemde proces-verbaal inderdaad blijkt dat aangever [persoon 1] verdachte tegenhield, is pas geweld ontstaan toen verdachte zich aan hem wilde onttrekken. Verdachte heeft aangever daarbij eerst een duw met zijn rechterhand gegeven. Daarna heeft hij zijn boodschappentas neergezet en hem met beide handen nog een duw gegeven. Vervolgens is hij de winkel uitgerend.
Hij ontkomt daarmee aan de medewerker. Naar de uiterlijke verschijningsvorm waren de handelingen van verdachte in de Albert Heijn er op gericht om na de diefstal te ontkomen aan de winkelmedewerker(s), en daarmee aan betrapping op heterdaad. Dit betekent dat bij het door verdachte uitgeoefende geweld in de winkel sprake is geweest van het oogmerk ‘om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken’.
Partiële vrijspraak
De rechtbank vindt dit oogmerk echter niet voor alle handelingen die verdachte ten laste zijn gelegd bewezen. Buiten de winkel zijn aangever en verdachte nog met elkaar op de grond beland en vervolgens door derden weer uit elkaar gehaald. Beide mannen lijken dan even hun eigen weg te gaan. Vanaf dat moment was verdachte naar het oordeel van de rechtbank ontkomen aan de betrapping op heterdaad. Vervolgens heeft verdachte echter zijn jas uitgedaan en is hij teruggekeerd naar de winkelmedeweker om hem nogmaals gewelddadig te benaderen. Nu deze geweldshandelingen zijn gepleegd
nadatverdachte zich al had onttrokken aan de winkelmedewerker, kan niet worden gezegd dat hij op dat moment geweld heeft gepleegd met het oogmerk om aan betrapping te ontkomen. Hij was immers al ontkomen. De rechtbank zal hem voor deze geweldshandelingen (waaronder een vuistslag) dan ook vrijspreken.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
op 22 juni 2024 te Amsterdam, meerdere sixpacks bier, die aan Albert Heijn (locatie [locatie]) toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om die zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd gevolgd van geweld tegen [persoon 1] , gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, door voornoemde [persoon 1] meerdere malen tegen het lichaam te duwen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de maatregel

7.1
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar, zonder aftrek van het voorarrest.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte jong is en dat oplegging van een ISD-maatregel een uiterst redmiddel is waarbij ten aanzien van verdachte nog geen sprake van is. De raadsman verzoekt om die reden geen ISD-maatregel op te leggen, maar te volstaan met een gevangenisstraf die eventueel hoger is dan de voorgeschreven landelijke oriëntatiepunten.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en met de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals tijdens het onderzoek ter terechtzitting gebleken.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal met geweld. Een diefstal is een vervelend feit dat voor de gedupeerde, naast financiële schade, veel overlast en ergernis meebrengt. Wanneer winkeldiefstal bovendien gepaard gaat met geweld, in welke vorm dan ook, wordt nog een extra grens overschreden. In dit geval heeft verdachte de lichamelijke integriteit van aangever [persoon 1] aangetast, terwijl hij simpelweg zijn werk deed. Ook bij omstanders die op dat moment boodschappen deden, kan zo’n incident gevoelens van onveiligheid opwekken. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.
Reclasseringsrapport
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van verslavingsreclassering GGZ VNN Leeuwarden van 18 september 2024, opgemaakt door [persoon 2] . Dit rapport houdt –kort gezegd– onder meer het volgende in:
“Betrokkene komt vanaf zijn negentiende zo frequent in beeld dat hij ondanks zijn jonge leeftijd voldoet aan de harde ISD-criteria. Er is sprake van een delictpatroon in verband met gewelds- en vermogensdelicten. Strafbare feiten worden overwegend onder invloed van middelen gepleegd. (…) Wij signaleren instabiliteit op vrijwel alle leefgebieden. Het ontbreekt betrokkene aan stabiele huisvesting. Er lijkt geen sprake van zinvolle dagbesteding en betrokkenen heeft geen inkomen. (…) Zonder adequate behandeling van de verslavingsproblematiek en intensieve begeleiding op psychosociaal gebied wordt het risico op recidive als hoog ingeschat.(…) Betrokkene is in gedwongen kader in verscheidene klinieken opgenomen geweest maar de behandeling werd om uiteenlopende redenen voortijdig negatief beëindigd. Het is betrokkene nooit gelukt om een hulpverleningstraject op een positieve manier af te sluiten en om een delictvrij bestaan op te bouwen. (…)
Bij een veroordeling adviseren wij een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen voor de duur van twee jaren. Wij menen dat voor betrokkene de maatregel ISD, onder de huidige strafrechtelijke omstandigheden, het enige kader is dat de potentie heeft om de problematiek te doorbreken. Wenselijk is het om toe te leiden naar een kliniek met een zo hoog mogelijk beveiligingsniveau om betrokkene te beschermen tegen onwettig gedrag. De dualiteit van de ISD-maatregel brengt met zich mee dat primair de maatschappelijke bescherming en beveiliging aan de orde is en secundair de inzet van geïndiceerde interventies. Wij menen dat de maatschappelijke bescherming tegen het aanhoudende delict- en overlastgevende gedrag aan de orde is. ”
Verder heeft de rechtbank ter terechtzitting op 2 oktober 2024 reclasseringswerker [persoon 3] , verbonden aan GGZ VNN Leeuwarden, als deskundige gehoord. Deze heeft het ISD-advies onderschreven.
De rechtbank vindt zich op basis van het reclasseringsadvies voldoende voorgelicht en gaat over tot oplegging van de ISD-maatregel. Hiertoe overweegt zij als volgt.
Motivering van de ISD-maatregel
Harde en zachte criteria
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van het bewezen verklaarde feit aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. De rechtbank heeft bewezen geacht dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 2 oktober 2024 blijkt verder dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het onderhavige feit ten minste driemaal vanwege een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl het in dit vonnis bewezen verklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte weer een misdrijf zal begaan.
Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 2 oktober 2024 is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaar processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit.
Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel. Verdachte lijkt overwegend onder invloed van middelen strafbare feiten te plegen. Nu eerdere hulpverleningstrajecten en behandelingen de afgelopen jaren niet positief door verdachte werden afgesloten, heeft de rechtbank geen vertrouwen in een ander, bijvoorbeeld ambulant voorwaardelijk, kader. Zonder adequate behandeling blijft het herhalingsgevaar gelet op de problematiek bij verdachte onverminderd hoog. Anders dan de raadsman heeft bepleit, vindt de rechtbank het in het licht van het voorstaande wel noodzakelijk om de ISD-maatregel op te leggen om zo verdachte’s overlastgevende delictgedrag te doorbreken en de maatschappij daartegen te beveiligen.
Om binnen de ISD-maatregel voldoende tijd te hebben om verdachte gedurende langere tijd te behandelen en begeleiden en zo de nodige stappen te zetten voor een veilige en stabiele terugkeer in de maatschappij, legt de rechtbank de maatregel op voor de maximale termijn van twee jaren en brengt zij de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering op de duur van de maatregel.

8.Vorderingen tenuitvoerlegging na voorwaardelijke veroordeling

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Verdachte is op 20 januari 2023 door de politierechter te Den Haag in de zaak met parketnummers 09/251486-22 en 09/252295-22 (gev. ttz) veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij is de voorwaarde opgelegd dat hij vóór het einde van de proeftijd van twee jaar geen strafbaar feit pleegt.
Bij de stukken bevindt zich een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf opgelegd in de zaak met parketnummer 09/251486-22 afwijzen omdat zij toewijzing daarvan niet opportuun vindt na oplegging van de ISD- maatregel.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in
rubriek 4is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen geachte levert op:
diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.
Legt op de maatregel tot
plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaar.
Wijst afde vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf met parketnummer 09/251486-22.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.W. Bianchi, voorzitter,
mrs. G.M. Beunk en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R.T. Lo Dico, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 oktober 2024.
[...]