Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:6804

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 september 2024
Publicatiedatum
7 november 2024
Zaaknummer
24-018365
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36c SrArt. 2 OpiumwetArt. 552f Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onttrekking aan het verkeer van luxe goederen afkomstig uit misdrijf

In deze strafrechtelijke beschikking heeft de rechtbank Amsterdam op 12 september 2024 de vordering van het Openbaar Ministerie tot onttrekking aan het verkeer van diverse luxe goederen toegewezen. De goederen, waaronder kledingstukken, een portemonnee en vier tassen, zijn in beslag genomen bij de belanghebbende, die eerder is veroordeeld wegens handel in drugs en witwassen.

Hoewel niet alle goederen expliciet in de tenlastelegging genoemd waren, heeft de rechtbank geoordeeld dat alle luxe goederen die in hetzelfde onderzoek in beslag zijn genomen, middellijk uit een strafbaar feit afkomstig zijn. Dit volgt uit de eerdere veroordeling en de omstandigheden zoals het ontbreken van een legale herkomst en de combinatie met drugshandel en grote hoeveelheden geld.

De rechtbank concludeert dat het teruggeven van deze goederen zou leiden tot witwassen, waarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 36c Sr dat het ongecontroleerde bezit in strijd is met de wet en het algemeen belang. Daarom wordt de vordering tot onttrekking aan het verkeer van alle genoemde goederen toegewezen.

Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open voor zowel de belanghebbende als het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na betekening of dagtekening van de beschikking.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot onttrekking aan het verkeer van alle genoemde luxe goederen toe wegens hun middellijke herkomst uit misdrijf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 13-103783-20
raadkamernummer : 24-018365
datum : 12 september 2024
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op de vordering van de officier van justitie ex artikel 552f van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in de zaak onder bovenvermeld parketnummer betreffende
:

[beslagene] ,

geboren op [geboortedag] 1991 te [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres] ,
beslagene/belanghebbende (hierna: belanghebbende).

Procedure

De vordering is op 23 juli 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft de vordering op 12 september 2024 in openbare raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.
De belanghebbende is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

De inhoud van de vordering

De vordering strekt tot onttrekking aan het verkeer van een groot aantal goederen, te weten kledingstukken, een portemonnee en vier tassen.
De vordering waarop de goederen zijn vermeld is als bijlage aan deze beslissing gehecht. De opsomming van de voorwerpen geldt als hier ingevoegd.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie volhardt in de vordering.
De belanghebbende is op 24 december 2020 veroordeeld wegens onder meer witwassen van diverse kledingstukken die hij middellijk uit een strafbaar feit heeft verkregen. Mogelijk zijn niet alle in de vordering genoemde kledingstukken ook in het vonnis vermeld, maar dat laat onverlet dat dezelfde redenering ook geldt ten aanzien van de niet in het vonnis maar wel gevorderde kledingstukken. In het vonnis is het witwassen van alleen die kledingstukken bewezen verklaard die ook in de tenlastelegging waren opgenomen, maar klager is – naast de veroordeling voor witwassen – ook veroordeeld voor een lange periode van handelen in drugs. Voor onttrekking aan het verkeer is bovendien niet vereist dat de goederen ook expliciet in de tenlastelegging zijn opgenomen.
Ten aanzien van alle in beslag genomen luxe kledingstukken geldt dan ook dezelfde redenering: zij komen alle in aanmerking voor onttrekking aan het verkeer omdat de beslagene (veroordeelde) deze middellijk uit een strafbaar feit heeft verkregen.

De beoordeling

Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
In het strafrechtelijk onderzoek naar [beslagene] zijn onder hem onder meer een groot aantal kledingstukken, een portemonnee en vier tassen in beslag genomen.
Op 24 december 2020 is [beslagene] veroordeeld wegens het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod (meermalen gepleegd), het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, en het eenvoudig witwassen en witwassen, meermalen gepleegd. Daarbij is – ten aanzien van de bewezenverklaring van het witwassen – een aantal kledingstukken expliciet genoemd.
Ten aanzien van het witwassen van de onder [beslagene] in beslag genomen voorwerpen heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:
“Gelet op de hoeveelheid dure merkkleding, die bij verdachte is aangetroffen, in combinatie met het aangetroffen geld en zijn veroordeling voor het dealen in harddrugs, vindt de rechtbank dat er een stevig vermoeden bestaat dat de kleding gekocht is met geld dat uit misdrijf afkomstig is. Daarbij neemt de rechtbank de omstandigheid mee dat verdachte een uitkering had en dus weinig legale inkomsten. (…) De rechtbank constateert dat verdachte geen sluitende verklaring heeft afgelegd over de legale herkomst van de kledingstukken van luxe merken en de tas van Louis Vuitton. Dat de politie in een vorig onderzoek niet alle kleding in beslag heeft genomen, vindt de rechtbank ongeloofwaardig. De inkomsten die verdachte kreeg uit uitkering en werk zijn onvoldoende om de aanschaf van deze dure spullen te kunnen verklaren. De rechtbank vindt bij deze stand van zaken bewezen dat de kleding en de tas van misdrijf afkomstig zijn.”
De rechtbank in de onderhavige procedure oordeelt als volgt. Uit het vonnis volgt dat de onder [beslagene] inbeslaggenomen kleding/tas middellijk van misdrijf afkomstig is. Dat maakt dat is voldaan aan het vereiste van artikel 36c van het Wetboek van strafrecht (Sr) dat het ongecontroleerde bezit hiervan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang. Indien voorwerpen die uit misdrijf zijn verkregen zouden worden terug gegeven, zou dit immers leiden tot witwassen. Daarom is ten aanzien van de kleding en de tas van Louis Vuitton aan het vereiste van artikel 36c Sr voldaan.
Ten aanzien van de overige drie tassen en de portemonnee die ook op de vordering zijn vermeld, alsmede ten aanzien van kledingstukken die niet in het vonnis zijn genoemd oordeelt de rechtbank als volgt.
Hoewel deze voorwerpen niet expliciet in het vonnis zijn genoemd, is voldoende duidelijk dat deze in hetzelfde onderzoek en op dezelfde grondslag in beslag zijn genomen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit, gelet op het vonnis en de overwegingen in het vonnis zoals hiervoor weergegeven, dat daarmee gedoeld werd op alle luxe goederen die onder klager in beslag zijn genomen en waarvan een groot deel op de tenlastelegging zijn vermeld. Hierbij is van belang dat bij de tenlastelegging een keuze is gemaakt voor het benoemen van een aantal goederen en de rechtbank slechts tot bewezenverklaring van de in de tenlastelegging genoemde goederen kon overgaan en niet van de andere goederen die ook onder de belanghebbende in beslag zijn genomen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat ook ten aanzien van deze kleding, tassen en portemonnee geldt dat teruggave zou leiden tot witwassen en dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 36c Sr dat het ongecontroleerde bezit hiervan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.
De rechtbank zal de vordering derhalve (ten aanzien van alle in de vordering genoemde voorwerpen) toewijzen.

De beslissing

De rechtbank wijst de vordering tot onttrekking aan het verkeer toe.
De rechtbank bepaalt dat de goederen, vermeld op de aangehechte vordering, worden onttrokken aan het verkeer.
Deze beslissing is gegeven door
mr. P.L.C.M. Ficq, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M.H. Ettema, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2024.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor de belanghebbende en het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank: voor de belanghebbende binnen veertien (14) dagen na de betekening van deze beslissing en voor het Openbaar Ministerie binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.