De rechtbank Amsterdam behandelde op 24 oktober 2024 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Aachen. De opgeëiste persoon werd verdacht van medeplegen van de productie van harddrugs (MDMA), waarbij een vrachtwagen van zijn bedrijf werd gebruikt voor het transport van grondstoffen.
De verdediging stelde dat de feitomschrijving in het EAB onvoldoende concreet was, maar de rechtbank verwierp dit verweer omdat het EAB voldoende duidelijkheid bood over de verdenking, de betrokkenheid van de opgeëiste persoon en de pleegplaatsen en -periode. De rechtbank benadrukte dat de beoordeling van de gegrondheid van de verdenking aan de uitvaardigende lidstaat toekomt.
Verder stelde de rechtbank vast dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet, waaronder de aanwezigheid van een lijstfeit waarvoor geen dubbele strafbaarheid hoeft te worden getoetst en een ander deel waarvoor dubbele strafbaarheid is vastgesteld. De opgeëiste persoon, die de Nederlandse nationaliteit bezit, beriep zich niet op de terugkeergarantie. De facultatieve weigeringsgrond wegens gedeeltelijke pleegplaats in Nederland werd niet toegepast omdat het onderzoek en bewijs grotendeels in Duitsland zijn en Nederland geen vervolgingsintentie heeft.
De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en stond de overlevering toe. De uitspraak is onherroepelijk en werd gedaan door voorzitter Van Dijk en rechters Vroom-Cramer en Pahladsingh.