De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 april 2024 de ontnemingsvordering tegen veroordeelde, voortvloeiend uit zijn veroordeling voor medeplegen van oplichting, gebruik van vals geschrift en witwassen. De officier van justitie vorderde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast te stellen en te ontnemen.
De rechtbank baseerde haar berekening op een rapport van een opsporingsambtenaar waarin de verkoop van een woning en de aflossing van de hypotheek centraal stonden. Na verrekening van kosten en aflossingen werd het voordeel vastgesteld op €60.354,46, waar vervolgens correcties werden toegepast, waaronder een bedrag van €1.000 dat veroordeelde betaalde voor het verkrijgen van de hypotheek. Uiteindelijk stelde de rechtbank het te ontnemen bedrag vast op €45.297,46.
De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn voor berechting van de ontnemingszaak nog niet was overschreden en legde de betalingsverplichting aan veroordeelde op. Tevens bepaalde zij de maximale duur van gijzeling op 905 dagen, berekend op basis van één dag per €50 van het te ontnemen bedrag.
De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en betreft de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in een strafzaak met parketnummer 13/092987-21.