ECLI:NL:RBAMS:2024:6332
Rechtbank Amsterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Bankrelatie mag niet worden beëindigd en geen registratie in Intern Verwijzingsregister tot bodemvonnis
Eiseres bankiert sinds 2002 bij Rabobank en is tevens wettelijk vertegenwoordiger van haar drie minderjarige kinderen met rekeningen bij dezelfde bank. Rabobank heeft de bankrelatie per 13 mei 2024 opgezegd vanwege onvoldoende afronding van het cliëntenonderzoek in het kader van de Wwft, mede door onduidelijkheden over transacties tussen 2017 en 2023.
Eiseres vordert in kort geding dat Rabobank de opzegging niet uitvoert en de bankdiensten blijft leveren totdat in de bodemprocedure een definitief oordeel is gegeven. Rabobank baseert haar opzegging op artikel 35 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden en artikel 5 lid 3 Wwft Pro.
De voorzieningenrechter oordeelt dat eiseres voldoende heeft meegewerkt aan het cliëntenonderzoek, maar dat Rabobank nog vragen heeft over bepaalde transacties. Omdat de bodemprocedure binnen afzienbare tijd een uitspraak zal doen en er sinds april 2023 geen opmerkelijke transacties meer zijn, weegt het belang van eiseres om de bankrelatie te behouden zwaarder dan de risico's voor Rabobank.
Daarom wordt Rabobank verboden de bankrelatie en de registratie in het Intern Verwijzingsregister voort te zetten totdat de bodemrechter heeft beslist. Rabobank wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Rabobank mag de bankrelatie en registratie in het Intern Verwijzingsregister niet voortzetten totdat de bodemrechter heeft beslist.