Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:6248

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 oktober 2024
Publicatiedatum
15 oktober 2024
Zaaknummer
C/13/755777 / HA RK 24-277
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 AwbArt. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek tegen bestuursrechter wegens niet-tijdige indiening

Verzoekers hebben een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. T.L. Fernig-Rocour, bestuursrechter te Amsterdam, naar aanleiding van een procedure in beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Het wrakingsverzoek betrof vermeende partijdigheid van de rechter vanwege het doorzenden van vertrouwelijke stukken aan verweerder en het verloop van de zitting, waarbij verzoekers meenden onvoldoende gelegenheid te hebben gekregen om inhoudelijk te reageren.

De rechtbank oordeelt dat het wrakingsverzoek niet tijdig is ingediend, aangezien het verzoek pas ruim twee weken na de mondelinge behandeling van 6 augustus 2024 werd gedaan, terwijl artikel 8:16 Awb Pro vereist dat een wrakingsverzoek onverwijld wordt ingediend zodra de feiten bekend zijn.

Hoewel de rechter erkent dat er fouten zijn gemaakt bij de behandeling van stukken, is er volgens de rechtbank geen sprake van schijn van partijdigheid. Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt eveneens afgewezen omdat de wrakingsprocedure daarvoor geen grondslag biedt.

Op grond hiervan verklaart de rechtbank het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Beslissing van 8 oktober 2024 op het op 22 augustus 2024 gedane en onder zaaknummer C/13/755777 / HA RK 24/277 ingeschreven verzoek van:
Truck Care Amsterdam C.V. en [verzoeker 2],
verzoekers,
gemachtigde [gemachtigde] ,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. T.L. Fernig-Rocour, bestuursrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1.1. De procedure

De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
  • het verzoekschrift van 22 augustus 2024;
  • de zittingsaantekeningen van de zitting van de enkelvoudige kamer op 6 augustus 2024;
  • de schriftelijke reactie van de rechter met bijlage.
Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2024. Verschenen zijn de gemachtigde van verzoekers en de rechter.
De gemachtigde heeft voorafgaande aan de zitting een aanvullende motivering overgelegd.

2.De feiten

Bij de rechter is een procedure aanhangig met zaaknummer AMS 23/2571. Het betreft een procedure in beroep tegen een beslissing op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: verweerder). Voor de mondelinge behandeling in die zaak van 6 augustus 2024 hebben verzoekers stukken ingebracht die op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet direct hadden moeten worden doorgestuurd naar verweerder. Op de zitting bleek verweerder echter al wel over deze stukken te beschikken, terwijl de rechtbank nog niet had beoordeeld of (beperkte) kennisname gerechtvaardigd was.

3.Het verzoek en de gronden daarvan

3.1.
De rechter is kennelijk vooringenomen dan wel partijdig. Dat blijkt uit het doorzenden aan verweerder van onder geheimhouding ingebrachte stukken en uit het verloop van de zitting. Nadat tijdens de zitting bleek dat de stukken in het bezit van verweerder waren heeft de rechter verzocht aan verweerder om deze stukken als niet toegezonden te beschouwen en te vernietigen. De rechter had de stukken ten minste direct van verweerder in ontvangst moeten nemen. Tijdens de zitting werd bovendien aan verweerder wel uitgebreid de gelegenheid gegeven om zaken in te brengen en te bespreken, maar verzoekers kregen niet de gelegenheid om daar volledig inhoudelijk op te mogen reageren. Verzoekers hebben gewacht met het indienen van het wrakingsverzoek omdat de gemachtigde, die alleen op de zitting was verschenen, met verzoekers één en ander goed wilde bespreken en pas daarna een weloverwogen verzoek tot wraking kon worden gedaan.

4.De reactie van de rechter

De rechter berust niet in de wraking. De rechter heeft primair aangevoerd dat het verzoek niet ontvankelijk is, omdat het niet in een zo vroeg mogelijk stadium is ingediend. Het verzoek is gericht tegen de feiten en omstandigheden zoals die zich op de zitting van 6 augustus 2024 hebben voorgedaan.
De rechter erkent dat er fouten zijn gemaakt bij het innemen en verwerken van stukken die op grond van artikel 8:29 Awb Pro hadden moeten worden beoordeeld. Hierdoor kan echter niet de schijn van partijdigheid zijn ontstaan. De rechter betwist dat verzoeker op zitting niet de gelegenheid heeft gekregen volledig inhoudelijk te reageren.

5.De ontvankelijkheid van het verzoek

5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:15 Awb Pro, dient in een wrakingsprocedure te worden onderzocht of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
5.2.
Op grond van artikel 8:16 Awb Pro moet een wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Als dit niet onverwijld wordt gedaan is het verzoek niet ontvankelijk.
5.3
Het onderhavige wrakingsverzoek van 22 augustus 2024 is niet tijdig gedaan. Het verzoek is gericht tegen de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling op 6 augustus 2024. De gemachtigde heeft gesteld dat verzoekers het wrakingsverzoek niet lichtvaardig wilden indienen, er goed over moesten nadenken en stukken hebben bestudeerd, waarmee enkele dagen gemoeid waren. Indiening van het verzoekschrift tot wraking ruim twee weken na de zitting wordt ook dan echter te laat geacht. Dat is immers niet onverwijld zoals bedoeld in artikel 8:16 Awb Pro. Het verzoek wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard.
5.4.
Gelet op het vorenstaande en ook omdat de wrakingsprocedure daarvoor geen wettelijke grondslag biedt, wordt het verzoek om een proceskostenveroordeling afgewezen.
6. Op grond van het vorenstaande wordt beslist als volgt.
BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart verzoekers niet ontvankelijk in het wrakingsverzoek;
- wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling af.
Aldus gegeven door mrs. A.W.J. Ros, voorzitter, L. van Berkum en S. Djebali, leden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2024 in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.