ECLI:NL:RBAMS:2024:612

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 februari 2024
Publicatiedatum
7 februari 2024
Zaaknummer
13/161792-23
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 8 Wegenverkeerswet 1994Art. 176 Wegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor verkeersovertreding

De rechtbank Amsterdam heeft op 1 februari 2024 uitspraak gedaan in de zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon aan Hongarije op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB is uitgevaardigd door de Hongaarse justitiële autoriteit en betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar en twee maanden wegens een verkeersovertreding.

Tijdens de procedure verscheen de opgeëiste persoon niet, maar zijn raadsvrouw was aanwezig en gaf aan niet langer gemachtigd te zijn. De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en onderzocht of het EAB voldoet aan de wettelijke vereisten. Er is vastgesteld dat het EAB voldoet aan artikel 2 van Pro de Overleveringswet en dat er geen weigeringsgronden aanwezig zijn, waaronder de vereiste van dubbele strafbaarheid die in dit geval is voldaan.

De rechtbank concludeert dat de overlevering toegestaan kan worden, ondanks het feit dat de wettelijke beslistermijn is verstreken. Er is geen wettelijke grondslag meer voor vrijheidsbeneming, maar dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om te beslissen. De uitspraak is definitief en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Hongarije toe voor de uitvoering van een vrijheidsstraf wegens een verkeersovertreding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/161792-23 (oud: 13/751980-20) EAB I
RK nummer: 20/5579
Datum uitspraak: 1 februari 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 23 november 2020 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 juni 2020 door
the Budapest Environs Regional Court, Law Enforcement Section, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] ( Hongarije ) op [geboortedag] 1977 ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft – na een eerdere behandeling op de zitting van 14 januari 2021 – na toestemming in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 18 januari 2024, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is
– hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. J. van Veelen-de Hoop, advocaat in Hoogvliet Rotterdam, is wel verschenen. De raadsvrouw heeft meegedeeld dat zij niet gemachtigd is en dat zij geen contact meer heeft met haar cliënt.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. [2] Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding. [3]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Hongaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
final and binding effect by Decision No. 1.B.403/2017/7 of the District Court of Budaörs dated 07 February 2018, and as a result of an appeal Decision No. 3.Bf.235/2018/13 of the Budapest Environs regional Court, acting as the court of second instance, final and binding on 18 June 2018.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van 18 juni 2018.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB. [4]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en de zaak daardoor ten gronde definitief is afgedaan. [5]
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen op het proces dat tot het arrest heeft geleid en dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. In de aanvullende informatie van 12 februari 2021 is namelijk vermeld dat de opgeëiste persoon in hoger beroep op 11 oktober 2018 in persoon is gedagvaard en dat hem is meegedeeld dat een beslissing kan worden genomen als hij niet verschijnt bij de zitting.
Dit betekent dat de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voordoet.

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.

5.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8, 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

7.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Budapest Environs Regional Court, Law Enforcement Section(Hongarije) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. Ch.A. van Dijk en M.C.M. Hamer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 februari 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22 OLW Pro.
3.De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.
4.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (