ECLI:NL:RBAMS:2024:5787

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
17 september 2024
Zaaknummer
13-650317-16; 24-013950
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:26 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vermindering ontnemingsbedrag wegens onvoldoende draagkracht en bijzondere persoonlijke omstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 september 2024 het verzoek van veroordeelde tot kwijtschelding of vermindering van een ontnemingsmaatregel van €5.694,91 opgelegd bij vonnis van 28 november 2019. Tot 29 augustus 2024 had veroordeelde €1.182,69 betaald, met nog een restant van €4.512,22 openstaand.

Veroordeelde onderbouwde dat hij momenteel onvoldoende draagkracht heeft om het resterende bedrag te voldoen. Hij leeft onder het bijstandsniveau, is mantelzorger voor zijn moeder en heeft een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Ondanks motivatie en begeleiding is het vinden van betaald werk op korte termijn niet realistisch. Het CJIB bevestigde de betalingsregeling en adviseerde gedeeltelijke toewijzing van het verzoek.

De rechtbank concludeerde dat de bijzondere persoonlijke omstandigheden en de beperkte verwachting van toekomstige draagkracht een volledige betaling op korte termijn onmogelijk maken. Daarom werd het ontnemingsbedrag gehalveerd tot €2.847,46, met een resterend te betalen bedrag van €1.664,77. Het verzoek werd daarmee gedeeltelijk toegewezen.

Uitkomst: Het ontnemingsbedrag wordt gehalveerd tot €2.847,46, met een restant van €1.664,77 te betalen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Parketnummer : 13/650317-16
Raadkamernummer : 24-013950
datum : 17 september 2024
beslissing van de meervoudige strafkamer op het verzoek op grond van artikel 6:6:26 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedag] 1979 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna te noemen: veroordeelde.

Feiten

De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft aan veroordeelde bij vonnis van 28 november 2019 een ontnemingsmaatregel opgelegd, inhoudende de verplichting tot betaling aan de staat van € 5.694,91. Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden.
Veroordeelde heeft daarvan tot 29 augustus 2024 een bedrag van € 1.182,69 betaald. Het nog te betalen bedrag was op dat moment € 4.512,22.

Procedure

Het verzoek van veroordeelde is op 5 juni 2024 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 3 september 2024 het verzoek op de openbare zitting behandeld.
De rechtbank heeft veroordeelde, de raadsvrouw, mr. P. Figge, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie op zitting gehoord.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van dat wat door [persoon], schuldhulpverlener bij [naam groep], naar voren is gebracht.

Verzoek

Het verzoek strekt tot kwijtschelding, althans vermindering, van de aan veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel opgelegde verplichting tot betaling aan de staat van een (resterend) bedrag van € 4.512,22.
Namens de veroordeelde is aangevoerd dat hij geen draagkracht heeft om het resterende bedrag te betalen. Veroordeelde heeft een uitkering en leeft – door zijn schuldenlast – beneden het bijstandsniveau. Veroordeelde is dakloos geweest, maar heeft nu een eigen huurwoning. Hij krijgt intensieve begeleiding en is gemotiveerd om werk te zoeken voor 40 uur per week, maar heeft een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Veroordeelde ervaart veel stress vanwege zijn schulden en beperkte draagkracht. Ook is er geen financiële ruimte om er netjes uit te zien voor een sollicitatie. Daarnaast draagt veroordeelde als mantelzorger zorg voor zijn moeder. Het ligt daarom niet in de lijn der verwachting dat veroordeelde binnen een korte termijn een baan zal vinden.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat er in de toekomst geen draagkracht zal zijn om het geldbedrag te voldoen, en concludeert tot afwijzing van het verzoek.

Beoordeling

Op grond van artikel 6:6:26 Sv Pro kan de rechter die de betalingsverplichting heeft opgelegd op een schriftelijk en gemotiveerd verzoek van veroordeelde het vastgestelde bedrag verminderen of kwijtschelden.
De rechtbank stelt voorop dat, om in aanmerking te komen voor kwijtschelding dan wel vermindering van de opgelegde betalingsverplichting, op de verzoeker de verplichting rust om gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd aannemelijk te maken dat nu en in de toekomst bij de veroordeelde geen draagkracht aanwezig is en zal zijn om het te betalen bedrag te voldoen.
Uit de schriftelijke toelichting van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van 29 augustus 2024 blijkt dat veroordeelde zich tot op heden aan de overeengekomen betalingsregeling heeft gehouden. Veroordeelde betaalt een termijnbedrag van € 30,- per maand. Het CJIB adviseert het verzoek tot kwijtschelding (gedeeltelijk) toe te wijzen. Het CJIB twijfelt niet aan de draagkracht van veroordeelde zoals dat in het verzoek is geschetst en is van mening dat de financiële positie van veroordeelde in de nabije toekomst niet zal verbeteren.
De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde voldoende heeft onderbouwd dat hij op dit moment niet voldoende draagkracht heeft om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Veroordeelde leeft nu beneden het bijstandsniveau. Ondanks deze leefsituatie laat veroordeelde zien dat hij probeert uit zijn schulden te komen, door zich te houden aan de betalingsregeling. In de toekomst is er mogelijk zicht op een vergroting van de draagkracht doordat veroordeelde betaald werk zou kunnen vinden, maar gelet op de bijzondere persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, onder meer gelegen in het feit dat hij een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft en mantelzorger is voor zijn moeder, overweegt de rechtbank dat dit niet in de nabije toekomst te verwachten valt. Volledige aflossing zal dan ook een substantiële tijd in beslag nemen.
De rechtbank zal daarom, gelet op deze bijzondere omstandigheden, het verzoek gedeeltelijk toewijzen, in die zin dat het ontnemingsbedrag wordt verminderd. Bij de bepaling van de hoogte van de vermindering houdt de rechtbank in beperkte mate rekening met het feit dat in het hoger beroep in de bij de ontneming behorende strafzaak een kortere pleegperiode bewezen is verklaard dan de rechtbank heeft gedaan en dat tegen het ontnemingsvonnis geen hoger beroep is ingesteld. De rechtbank bepaalt dat het het ontnemingsbedrag wordt gehalveerd tot € 2.847,46. Daarmee resteert nog een te betalen bedrag van € 1.664,77.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek gedeeltelijk toe en stelt het door veroordeelde ingevolge van het vonnis van 28 november 2019 nog aan de staat te betalen bedrag vast op € 1.664,77.
Deze beslissing is gegeven door
mr. C.A.E. Wijnker, voorzitter,
mrs. C. Huizing-Bruil en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B. Ketelaers, griffier.