De zaak betreft een geschil over de terugvordering van een bruidsgave en een verlovingsring na het verbreken van een islamitische verloving tussen de zoon van eiser en de gedaagde. Eiser en zijn moeder vorderen betaling van de waarde van de verlovingsring en teruggave van een goudbaar die als bruidsgave was gegeven.
De kantonrechter oordeelt dat hij bevoegd is het geschil te behandelen en dat Nederlands recht van toepassing is, aangezien het islamitische huwelijk niet rechtsgeldig is voltrokken volgens Nederlands burgerlijk recht. De eisers stellen dat de bruidsgave en verlovingsring voorwaardelijk zijn geschonken, met de afspraak dat deze bij verbreking van de relatie teruggegeven moeten worden.
De kantonrechter stelt vast dat onvoldoende is onderbouwd dat de bruidsgave voorwaardelijk is geschonken, mede omdat de gedaagde dit gemotiveerd betwist en de eisers geen concreet bewijs hebben geleverd. De toezegging tot teruggeven van de verlovingsring is echter door de gedaagde erkend, ondanks haar stelling dat deze onder druk was gedaan, wat onvoldoende is gemotiveerd. Daarom wordt de vordering tot betaling van de waarde van de verlovingsring toegewezen, terwijl de vordering tot teruggave van het goud wordt afgewezen.
De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dagvaarding en de proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.