De heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam legde aan eiser een aanslag waterschapsbelasting 2022 op van in totaal € 278,40, bestaande uit een watersysteemheffing ingezetenen en een zuiveringsheffing woonruimten. Eiser maakte bezwaar tegen deze aanslag, maar dit bezwaar werd door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiser beroep in bij de rechtbank Amsterdam.
Eiser stelde dat hij op 11 september 2021 was verhuisd naar een ander adres en dat hij deze verhuizing had doorgegeven, maar dat dit niet correct was verwerkt door de gemeente. De heffingsambtenaar stelde dat uit de Basisregistratie Personen (BRP) bleek dat eiser op 1 januari 2022 nog ingeschreven stond op het oorspronkelijke adres, en dat de aanslag daarom terecht was opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat eiser zijn stelling omtrent tijdige doorgegeven verhuizing niet had onderbouwd. Hierdoor was er geen reden om aan te nemen dat de inschrijving in de BRP onjuist was. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar terecht de BRP-gegevens als uitgangspunt had genomen voor het opleggen van de aanslag. Omdat er geen gronden waren gericht tegen de hoogte van de aanslag, werd het beroep ongegrond verklaard.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. Verberne op 18 juli 2024.