ECLI:NL:RBAMS:2024:4950

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 augustus 2024
Publicatiedatum
9 augustus 2024
Zaaknummer
AMS 24/990
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Tijselink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar FSV-afsluitende brief

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Financiën waarin haar bezwaar tegen de afsluitende brief van de Fraude Signalering Voorziening (FSV) niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank constateerde dat het beroep formeel was ingesteld op naam van de echtgenoot van eiseres, terwijl het bezwaar en het bestreden besluit op naam van eiseres zelf stonden. Hierdoor was er sprake van een verkeerde tenaamstelling in het beroepschrift.

De rechtbank overwoog dat indien het beroep op naam van de echtgenoot zou worden beschouwd, het beroep niet-ontvankelijk zou zijn wegens gebrek aan belang, aangezien deze geen bezwaarprocedure had doorlopen en slechts een lopende procedure had voor een andere FSV-brief. De rechtbank nam daarom aan dat eiseres zelf de eiseres was in deze procedure.

Verder werd vastgesteld dat alleen gedupeerden van de toeslagenaffaire in aanmerking komen voor compensatie vanwege een FSV-registratie, en dat eiseres zelf geen nadelige financiële gevolgen had ondervonden van de FSV-registratie, anders dan haar echtgenoot. De rechtbank vond geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen en verklaarde het beroep ongegrond.

Ten slotte wees de rechtbank een veroordeling in proceskosten of vergoeding van griffierecht af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaar tegen de afsluitende brief FSV wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/990

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2024 in de zaak tussen

[eiseres 1] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: mr. B.C.F. Kramer)
en

de minister van Financiën, verweerder

(gemachtigden: mr. A. van der Linden en mr. A. Strooper).

Procesverloop

Met dagtekening 17 maart 2023 heeft verweerder de “afsluitende brief Fraude Signalering Voorziening (hierna: FSV)” verzonden.
Met het besluit van 20 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft voorafgaande aan de zitting nog enkele vragen gesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2024. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt dat het beroep formeel is ingesteld op naam van [gedupeerde] . Ook in de reactie op de aanvullende vragen van de rechtbank spreekt de gemachtigde van eiseres van [gedupeerde] . De afsluitende brief FSV van 17 maart 2023, het bezwaar en het bestreden besluit staan echter op naam van [eiseres 1] , zijn echtgenote. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat zij een fout heeft gemaakt. Het beroep zou op naam moeten staan van [eiseres 1] .
2. Ook verweerder meent dat het in deze procedure om [eiseres 1] gaat. Dat komt namelijk overeen met de tenaamstelling in het dossier tot aan het bestreden besluit en met de tekst van het bestreden besluit. De rechtbank heeft dit echter niet verwerkt, waardoor deze zaak is blijven staan op naam van [gedupeerde] .
3. Als de rechtbank ervan uitgaat dat [gedupeerde] eiser is in deze procedure, zoals vermeld in het beroepschrift, dan zou het beroep niet-ontvankelijk zijn onder meer op grond van artikel 7.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft immers geen bezwaar en geen beslissing op bezwaar op naam van [gedupeerde] , maar op naam van [eiseres 1] . [gedupeerde] is geen belanghebbende. Er is wel een FSV-brief op naam van [gedupeerde] , maar daartegen heeft [gedupeerde] bezwaar gemaakt, welke procedure nog in de fase van aanvulling van gronden verkeert. Een beroep daartegen is dus op zijn minst prematuur.
De rechtbank merkt in deze procedure [eiseres 1] aan als eiseres en zal niet oordelen over mogelijke aanspraken van [gedupeerde] .
4. Daarover is ter zitting ook gesproken. Verweerder heeft ter zitting onbetwist gesteld dat alleen gedupeerden van de toeslagenaffaire in aanmerking kunnen komen voor een compensatie in verband met een FSV-registratie. Verweerder heeft daarbij onbetwist gesteld dat [gedupeerde] is aangemerkt als gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij zou mogelijk (anders dan [eiseres 1] ) wel voor compensatie in aanmerking komen. De rechtbank gaat daar ook van uit. Dit spoort namelijk ook met de onbestreden schriftelijke mededeling van verweerder in het dossier dat [eiseres 1] geen nadelige gevolgen heeft ondervonden van de FSV-registratie. De rechtbank begrijpt die mededeling zo dat met name niet is gebleken van een financieel nadeel uit de FSV-registratie voor [eiseres 1] naast haar echtgenoot [gedupeerde] , Hetgeen in bezwaar door [eiseres 1] is geschetst had ook juist betrekking op de hele gezinssituatie, waarvoor nog een procedure loopt. Verweerder kan de gehele gezinssituatie betrekken bij de nog ten aanzien van [gedupeerde] te nemen beslissing op bezwaar. Ook in dat opzicht bestaat er geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.
5. De rechtbank overweegt dat beide invalshoeken geen grond opleveren voor vernietiging van het op naam van [eiseres 1] bestreden besluit. Van een andere aangevoerde vernietigingsgrond is niet gebleken. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.
Conclusie
6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
7. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de door eiseres gemaakte proceskosten of een vergoeding van het door haar betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.R. Tijselink, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.