Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2024:4389

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2024
Publicatiedatum
19 juli 2024
Zaaknummer
24/2929
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArchiefwetAVG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tot veiligstelling van data door gemeente Amsterdam

Verzoeker heeft meerdere beroepsprocedures lopen tegen het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam over het verkrijgen en inzien van gegevens die door verweerder zijn verwerkt.

Op 9 mei 2024 verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening om verlies van data te voorkomen. Verweerder gaf aan dat er een wettelijk onderbouwd archiveringsbeleid is en dat er geen extra maatregelen nodig zijn. Verzoeker stelde dat data van vertrokken ambtenaren mogelijk verloren gaan door automatische verwijdering na 90 dagen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er onvoldoende spoedeisend belang is en geen concrete aanwijzingen dat relevante data verloren zullen gaan. Verweerder toonde bereidheid om conserverende maatregelen te treffen en heeft het bewaarbeleid inmiddels verlengd naar 10 jaar.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en benadrukt dat de lopende beroepsprocedures zonder voorlopige voorziening kunnen worden afgewacht. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tot het veiligstellen van data wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2929

uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juli 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

Inleiding

1.1.
Van verzoeker zijn meerdere beroepsprocedures [1] aanhangig bij deze rechtbank. Al deze procedures hebben (op een of andere wijze) betrekking op het verkrijgen van (dan wel inzage in) gegevens die verweerder heeft verwerkt over verzoeker.
1.2.
Verzoeker heeft hangende die beroepsprocedures op 9 mei 2024 verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat er maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat alle data veilig wordt gesteld.
1.3.
Op 21 juni 2024 heeft verweerder desgevraagd door de voorzieningenrechter een schriftelijke reactie gegeven op het verzoek.
1.4.
Op 24 juni 2024 heeft verzoeker daar schriftelijk nog op gereageerd en benadrukt dat er sprake is van grote spoed en dat de voorzieningenrechter verzocht wordt te bepalen dat verweerder de data veilig moet stellen.
1.5.
Op 28 juni 2024 heeft verweerder nogmaals een schriftelijke reactie gegeven.
1.6.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op dat verzoek. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemgedingen niet.
1.7.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij zes jaar geleden zijn totale dossier bij verweerder heeft opgevraagd. Na diverse procedures heeft hij circa 100 pagina’s ontvangen. Op 3 mei 2024 heeft verweerder alsnog 2000 tot 2500 pagina’s van het i-PGA-r dossier verstrekt. Uit een bijgaande memo van verweerder is gebleken dat de mailboxen van vertrokken ambtenaren na 90 dagen worden verwijderd. Verzoeker meent dat deze data nog wel beschikbaar zijn in back-ups en data-retention systemen. Verzoeker kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verweerder bewust traineert opdat ‘automatisch’ steeds meer data verdwijnen. Volgens verzoeker is het daarom van belang dat er zo snel mogelijk maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat alle data veilig worden gesteld.
4. Verweerder heeft opgemerkt bereid te zijn om conserverende maatregelen te treffen waar nodig. Er zijn echter niet meer maatregelen noodzakelijk dan er momenteel al zijn. Het verzoek mist daarom voldoende spoedeisend belang. Niet aannemelijk is gemaakt dat er een voorziening nodig is om nog meer dataverlies te voorkomen. Verweerder stelt een consistent en wettelijk onderbouwd archiveringsbeleid te voeren gebaseerd op de Archiefwet en de AVG. Bovendien is het verzoek van verzoeker niet geconcretiseerd, zodat niet duidelijk is welke specifieke maatregelen dan (nog meer) genomen moeten worden. Verweerder laat duidelijk zien bereidwillig te zijn ten aanzien van de vragen en verzoeken van verzoeker. De stelling van verzoeker dat er bewust door verweerder wordt getraineerd is niet onderbouwd.
5. Verzoeker heeft vervolgens nogmaals benadrukt dat volgens het beleid van verweerder back-ups niet langer dan zeven jaar worden bewaard. Dat betekent volgens verzoeker dat informatie van inmiddels vertrokken ambtenaren al is vernietigd of op elk moment kan worden vernietigd. Hij is namelijk al vanaf begin 2017 in het vizier van verweerder. Daarom moet deze data veilig worden gesteld in “data-retentionsystemen”, aldus verzoeker.
6. De voorzieningenrechter begrijpt dat door de ervaringen van verzoeker en de reeks aan procedures er bij verzoeker het gevoel van wantrouwen overheerst. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd (objectief bezien) geen blijk geeft van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat er daadwerkelijk data, die onderwerp zijn van diverse lopende beroepsprocedures, verloren zullen gaan en dat verweerder daar onvoldoende tegen zou doen. Verweerder heeft zich bereid getoond om conserverende maatregel te treffen waar nodig. De voorzieningenrechter gaat er ook vanuit dat verweerder die toezegging nakomt. Daarnaast heeft verweerder er blijk van gegeven serieus te willen omgaan met de klachten over de bejegening van verzoeker. Aan [naam] , voormalig ombudsman van de gemeente Amsterdam en voormalig voorzitter van de Commissie Persoonsgegevens Amsterdam, is vanuit de gemeente de opdracht gegeven de wijze van verstrekking van zijn dossier te beoordelen.
Bovendien heeft verweerder in zijn laatste reactie aangegeven dat de bewaartermijn inmiddels is verlengd naar 10 jaar. Daarnaast kan verweerder specifieke oud-medewerkers, een aparte status geven waardoor hun data (concreet: mailboxen) niet onverhoopt alsnog in het reguliere backup-proces verwijderd of overschreven (of iets degelijks) zullen worden.
Het is de voorzieningenrechter dus niet gebleken dat de beslissingen op de nog lopende beroepen niet zonder het treffen van een voorziening kunnen worden afgewacht. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr.P. Tanis, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.AMS 21/3726, AMS 21/3727, AMS 21/5869, AMS 22/3822, AMS 23/4308, AMS 24/1471, AMS 24/2432, AMS 24/2152.