Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.[gedaagde 1] ,
[gedaagde 2],
1.De procedure
3.Het geschil
4.De beoordeling
door [eiser]op naam van [gedaagde 2] zou zijn gezet, hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ter zitting moeten verlaten. Dat bleek – toen mr. Tjiam ter zitting liet zien dat het handschrift in het paspoort niet dat van [eiser] was – een vergissing te zijn van hun advocaat. [gedaagde 2] blijkt het zelf te hebben gedaan. Blijft over dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen dat [eiser] ergens in april 2024 telefonisch tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zou hebben gezegd: “hou die hond maar” (in vergelijkbare Engelse bewoordingen). Omdat Jo-Jo al meer dan een jaar bij hen verbleef, zij al die tijd ook volledig op eigen kosten voor Jo-Jo hadden gezorgd en [eiser] nauwelijks belangstelling toonde voor het wel en wee van Jo-Jo, was dit voor hen geen onverwachte mededeling en – zo begrijpt de voorzieningenrechter – mochten zij deze enkele opmerking zo opvatten dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] Jo-Jo mochten houden en dat [eiser] afstand van de hond deed.
€ 178,00