ECLI:NL:RBAMS:2024:4049

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 juni 2024
Publicatiedatum
8 juli 2024
Zaaknummer
13/024024-24 (EAB 1)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 29 lid 2 OLW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Officier van justitie niet-ontvankelijk wegens ingetrokken Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 juni 2024 een verzoek tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Duitse justitiële autoriteit. De opgeëiste persoon, geboren in 1994 en woonachtig in Nederland, was aanwezig en werd bijgestaan door zijn advocaat.

De rechtbank constateerde dat de wettelijke termijn voor besluitvorming op het overleveringsverzoek was verstreken, waardoor geen grondslag meer bestond voor overleveringsdetentie. Tijdens de zitting bleek uit een e-mail van 8 april 2024 dat het oorspronkelijke EAB was ingetrokken vanwege de uitvaardiging van een nieuw EAB over dezelfde feiten.

Daarom verklaarde de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot behandeling van het ingetrokken EAB en stelde vast dat de geschorste overleveringsdetentie was geëindigd. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/024024-24 (EAB 1)
Datum uitspraak: 6 juni 2024
UITSPRAAK
op de vordering van 27 maart 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 januari 2024 door het
Amtsgericht Aachen, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 juni 2024, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. W.E.R. Geurts, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. [2] Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor overleveringsdetentie op grond van dit EAB. [3]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB, omdat uit de e-mail van 8 april 2024 van de uitvaardigende justitiële autoriteit blijkt dat het EAB is ingetrokken in verband met de uitvaardiging van een nieuw EAB betreffende dezelfde feiten.

4.Beslissing

VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
STELT VASTdat de – geschorste – overleveringsdetentie is geëindigd.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. A.R.P.J. Davids en A.J. Scheijde, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. I. van Heusden en K.M Diender, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 6 juni 2024.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22 OLW Pro.
3.De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.