De zaak betreft een kort geding waarin eiser vordert dat Stichting ontruimt en achterstallige huur betaalt. Eiser is eigenaar van een woning die eerst door een gezin werd gehuurd op basis van een tijdelijke huurovereenkomst. Vervolgens werd een nieuwe huurovereenkomst gesloten met de Stichting, waarvan het gezin bestuurders zijn en feitelijk in de woning bleef wonen.
Eiser stelt dat de huurovereenkomst voor bepaalde tijd is geëindigd en dat de Stichting zonder recht of titel de woning blijft bewonen. De Stichting erkent huurachterstand, heeft gedeeltelijk betaald en stelt dat het gezin binnenkort verhuist. Tevens wenst zij de borg te verrekenen met openstaande kosten.
De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst met de Stichting moet worden gezien als een voortzetting van de eerdere huurovereenkomst met hetzelfde gezin, waardoor de huurovereenkomst als voor onbepaalde tijd geldt. Hierdoor is de vordering tot ontruiming niet toewijsbaar in kort geding. Wel wordt de achterstallige huur over juni toegewezen en de wettelijke rente. De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd.