ECLI:NL:RBAMS:2024:3986

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 juli 2024
Publicatiedatum
4 juli 2024
Zaaknummer
AMS 24/3444
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening ontheffing afsluiting Amsterdam

Verzoeker heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een ontheffing gevraagd om toegang te krijgen tot afgesloten gebieden in Amsterdam, maar dit verzoek werd afgewezen omdat verzoeker niet in het ontheffingsgebied woont.

Na het bezwaar tegen dit besluit heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd bij de voorzieningenrechter om alsnog toegang te krijgen. Verzoeker stelde dat hij vanwege een verhuizing naar het buitenland niet op de hoogte was van de afsluitingen en dat hij sinds zijn terugkomst meerdere boetes heeft ontvangen voor het betreden van de afgesloten gebieden, wat samenvalt met het naar school brengen van zijn zoon.

De voorzieningenrechter oordeelt echter dat er geen spoedeisend belang is voor het treffen van een voorlopige voorziening. De boetes kunnen niet met een voorlopige voorziening worden vernietigd en verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd waarom hij zijn zoon niet op een andere wijze naar school kan brengen. De afstand tot de school is bovendien niet groot. Daarom is het verzoek kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/3444

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2024 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit Amsterdam, verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder.

Inleiding

1.1.
Op 19 juni 2024 heeft verweerder het verzoek van verzoeker om een ontheffing te ontvangen om toegang te krijgen tot de afsluiting op de [straat 1] , of [straat 2] of [straat 3] bij de kruisingen met de [straat 4] , afgewezen. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing voor één van deze gebieden dient verzoeker namelijk in het ontheffingsgebied te wonen en verzoeker woont buiten deze gebieden.
1.2.
Op 19 juni 2024 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen dat besluit en heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt om een ontheffing te krijgen voor één van de afsluitingen in het ontheffingsgebied.
1.3.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op dat verzoek. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.4.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3. Verzoeker heeft het volgende aangevoerd. Hij was vanwege een verhuizing naar het buitenland het afgelopen jaar niet op de hoogte van de afsluitingen in het ontheffingsgebied. Verzoeker heeft sinds zijn terugkomst naar Nederland drie weken geleden meerdere boetes ontvangen voor het betreden van de afgesloten gebieden. De tijden waarop hij het gebied niet mag betreden vallen samen met de tijdstippen waarop hij zijn zoon naar school moet brengen. Dit heeft ertoe geleid dat verzoeker onbewust de regels heeft overtreden.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat wat verzoeker heeft aangevoerd geen blijk geeft van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De boetes die verzoeker heeft gekregen voor het betreden van de afgesloten gebieden kunnen met een voorlopige voorziening niet vernietigd worden en het is de voorzieningenrechter niet duidelijk waarom verzoeker zijn zoon niet op een andere manier naar school kan brengen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de afstand tussen het woonadres van verzoeker en de school niet erg groot is en dat verzoeker niets heeft gezegd over mogelijke andere manieren om zijn zoon naar school te brengen. Gelet hierop is het de voorzieningenrechter met de onderbouwing die verzoeker heeft gegeven niet gebleken dat de beslissing op het bezwaarschrift niet zonder het treffen van een voorziening kan worden afgewacht. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
5 juli 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.