Eiseres ontving op 11 april 2023 een brief van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam met een uitnodiging voor een kennismakingsgesprek in het kader van de inburgeringsplicht. Zij maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is.
De rechtbank bevestigt dit oordeel. De brief is een feitelijke handeling en niet gericht op een rechtsgevolg; het is een informatieve mededeling zonder verplichtingen of sancties. De inburgeringsplicht vloeit voort uit de Wet inburgering 2013 en niet uit de brief zelf. Het gesprek diende slechts om kennis te maken en informatie te verstrekken.
Eiseres stelde dat de niet-ontvankelijkverklaring haar effectieve toegang tot de rechter belemmert, verwijzend naar het EU-Handvest, het EVRM en het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat eiseres wel degelijk toegang heeft tot de bestuursrechter door middel van dit beroep, en dat er geen belemmering is.
Argumenten over de inburgeringsplicht zelf en mededelingen van andere bestuursorganen vallen buiten de reikwijdte van deze procedure, die zich beperkt tot de ontvankelijkheid van het bezwaar. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst griffierecht en proceskostenvergoeding af.