AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen gewoontewitwassen van ruim 41 miljoen euro
De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen van geldbedragen van in totaal ruim 41 miljoen euro, gepleegd tussen september 2020 en juli 2022. Verdachte werd vrijgesproken van de ten laste gelegde heling van motorfietsen wegens onvoldoende bewijs.
Het bewijs bestond voornamelijk uit versleutelde SkyECC- en Signal-chatberichten, ondersteund door andere bewijsmiddelen zoals WhatsApp-gesprekken en politieprocessen-verbaal. De verdediging voerde aan dat de SkyECC-data onrechtmatig was verkregen en dat onvoldoende bewijs was geleverd, maar deze verweren werden verworpen. De rechtbank oordeelde dat verdachte als enige gebruiker van de relevante SkyECC- en Signal-accounts kon worden geïdentificeerd.
De rechtbank stelde vast dat verdachte geen verklaring gaf over de legale herkomst van de geldbedragen, waardoor het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen niet werd weerlegd. Medeplegen werd bewezen door de nauwe samenwerking met medeverdachte en anderen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 42 maanden op, rekening houdend met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 42 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van gewoontewitwassen.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/171286-22
Datum uitspraak: 28 juni 2024
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1991,
ingeschreven op het adres [adres] .
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 juni 2024. De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, op de terechtzitting behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (13/171312-22).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A. Kerkhoff, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.A.E. Bunge, naar voren hebben gebracht.
2.De tenlastelegging
Aan verdachte is – na wijzigingen op de terechtzittingen van 4 oktober 2023 en 14 juni 2024 – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
1. het medeplegen van (gewoonte)witwassen van een geldbedrag van € 18.663.215,-, een geldbedrag van € 41.579.581,- en een geldbedrag van € 445.000,- in de periode van 1 september 2020 tot en met 8 juli 2022, in Nederland en/of Verenigde Arabische Emiraten;
2. het medeplegen van heling van (een gedeelte van) veertien motorfietsen in de periode van 16 juni 2021 tot en met 18 april 2023 te Almere.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
3.De inleiding
De verdachten in het onderzoek Huksan zijn [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en [verdachte] (hierna: [verdachte] ). Het onderzoek Huksan is gestart naar aanleiding van verstrekte informatie uit onderzoek Argus met betrekking tot SkyECC-data. In dat onderzoek zijn versleutelde berichten verzonden via aanbieder SkyECC beschikbaar gekomen en (deels) leesbaar gemaakt. Uit die berichten zijn diverse nieuwe verdenkingen ontstaan. In deze zaak richtte het onderzoek zich op het SkyECC-account met de naam [account 6] . Op basis van de berichten die van dit account zijn verzonden, heeft de politie het vermoeden gekregen dat onder andere de gebruikers van de SkyECCaccounts [account 6] en [account 1] geldbedragen hebben witgewassen. De politie vermoedt dat [medeverdachte] de gebruiker is van SkyECC-account [account 6] en [verdachte] van SkyECC-account [account 1] . [medeverdachte] en [verdachte] ontkennen een SkyECCaccount te hebben gebruikt.
4.De waardering van het bewijs
4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vindt dat het medeplegen van gewoontewitwassen van de ten laste gelegde geldbedragen (feit 1) en de heling van (een gedeelte van) de motorfietsen (feit 2) kan worden bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
Formele verweren
De raadsman heeft betoogd dat de SkyECC-data moet worden uitgesloten van het bewijs, nu er sprake is geweest van een onrechtmatige verkrijging en verwerking daarvan. Ter onderbouwing stelt de raadsman, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 30 april 2024 (ECLI:EU:C:2024:372), dat de waarborgen uit de Richtlijn 2014/41/EU betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (hierna: EOBrichtlijn) van toepassing is op onderhavige zaak. Het is daarvoor niet relevant of de SkyECCdata via een Europese Onderzoeksbevel (hierna: EOB) of binnen de context van een joint investigation team (hierna: JIT) is vergaard. Eén van de waarborgen uit de EOBrichtlijn is dat de verdediging voldoende in de gelegenheid moet zijn geweest om effectief verweer te voeren tegen het bewijsmateriaal – in casu de SkyECCdata – dat van doorslaggevende invloed is op de strafzaak. Dit is in onderhavige zaak echter niet gebeurd. Daarmee is het recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRMPro, geschonden.
Indien de rechtbank niet overgaat tot bewijsuitsluiting, dan dient volgens de raadsman aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag voorgelegd te worden of bewijsmateriaal dat door/via een JIT is verkregen in de zin van artikel 13 vanPro de EU-rechtshulpovereenkomst verschilt van de eisen bij een EOB terzake de verkrijging van reeds bestaand bewijsmateriaal, een en ander in het licht van de EOBrichtlijn.
Materiële verweren
Ten aanzien van feit 1:
De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van het witwassen van de ten laste gelegde geldbedragen, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode de (enige) gebruiker van SkyECCaccount [account 1] is geweest. De identificerende elementen zijn onvoldoende specifiek. Verder is er niet voldaan aan het bewijsminimum, omdat de berichten afkomstig zijn uit één bron en het dossier geen andere bewijsmiddelen bevat die de inhoud van de berichten ondersteunen. Daarnaast kan niet worden vastgesteld dat de geldbedragen afkomstig zijn van enig misdrijf, dan wel dat [verdachte] dit wist of moest vermoeden. Bovendien kan sprake zijn geweest van ondergronds bankieren.
Ten aanzien van feit 2:
De raadsman heeft bepleit dat [verdachte] moet worden vrijgesproken van heling van (een gedeelte van) de motorfietsen, omdat niet kan worden bewezen dat hij ten tijde van verkrijging wist dan wel moest vermoeden dat deze goederen afkomstig waren uit misdrijf.
Verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak
De raadsman heeft verzocht om de behandeling van de zaak aan te houden, zodat onderzoek kan worden verricht naar de technische mogelijkheid dat een ander dan [verdachte] gebruik heeft gemaakt van het SkyECCaccount [account 1] .
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
De rechtmatigheid van SkyECCdata
Ten aanzien van de verweren die zien op de werkingssfeer van de EOBrichtlijn, overweegt de rechtbank als volgt. In het arrest van het Hof van Justitie van 30 april 2024 (ECLI:EU:C:2024:372) is onder andere ingegaan op de werkingssfeer van de EOBrichtlijn. In die bewuste strafzaak is het bewijsmateriaal, te weten EncroChatdata, verkregen naar aanleiding van de uitvaardiging van EOB’s. Daarentegen is in het onderzoek Huksan het bewijsmateriaal, te weten SkyECCdata, binnen de context van een JIT vergaard. De rechtbank is van oordeel dat de EOBrichtlijn, gelet op artikel 3 enPro de considerans van de EOB-richtlijn, niet van toepassing is op de situatie waarin de bewijsvergaring via een JIT tot stand is gekomen.
Gelet op het voorgaande worden de verweren met betrekking tot de rechtmatigheid van SkyECCdata verworpen en wordt de SkyECCdata niet van het bewijs uitgesloten.
Ten aanzien van het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie is de rechtbank van oordeel dat het niet noodzakelijk is om deze vraag te stellen. De rechtbank acht zich na de inhoudelijke behandeling en de bestudering van alle stukken en de jurisprudentie voldoende voorgelicht en in staat een beslissing te nemen. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
4.3.2.
Het bewijsminimum
Ten aanzien van het verweer van de raadsman, dat het bewijs afkomstig is uit één bron, te weten de SkyECCberichten, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank merkt op dat er op verschillende chatapplicaties – zoals SkyECC, WhatsApp en Signal – gesprekken zijn gevoerd met diverse tegencontacten op verschillende data. Ook zijn afbeeldingen verstuurd die de inhoud van de berichten ondersteunen. Verder zijn diverse processenverbaal van de politie voor het bewijs gebruikt. Er is dus sprake van meerdere bewijsmiddelen en meerdere bronnen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.
4.3.3.
De bewijsoverwegingen
De rechtbank is op basis van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat [verdachte] zich, samen met anderen, heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van de geldbedragen van € 18.663.215,-, € 41.579.581,- en € 445.000,-. Daarentegen is niet bewezen dat [verdachte] zich aan de heling van motoren (feit 2) heeft schuldig gemaakt en wordt hij daarvan vrijgesproken.
4.3.4.
De identificatie van gebruiker SkyECC-account [account 1] , Signal-accounts [account 2] en [account 3] en [account 4]
Bij het beantwoorden van de vraag of de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, zijn de (ontsleutelde) berichten in het procesdossier van belang. Daarom moet worden bezien of [verdachte] in de ten laste gelegde periode kan worden geïdentificeerd als de gebruiker van SkyECC-account [account 1] , Signal-accounts [account 2] en [account 3] en [account 4] .
SkyECC-account [account 1]
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode als enige het SkyECCaccount [account 1] met de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’ in gebruik heeft gehad. Anders dan [verdachte] heeft verklaard en de raadsman heeft betoogd, laat de optelsom van indicaties zien dat het om [verdachte] gaat, te weten:
(i) de plaatsing van de gebruiker van SkyECCaccount [account 1] op de adressen [adres] en [adres] , terwijl deze adressen op respectievelijk 1.000 en 2.000 meter afstand van het GBAadres van [verdachte] liggen, te weten [adres] ;
(ii) de plaatsing van de gebruiker van SkyECCaccount [account 1] op het GBA-adres van [verdachte] , te weten [adres] , terwijl op datzelfde moment is waargenomen dat een man, gelijkend op [verdachte] , in een Mini met kenteken [kenteken] uit de nabije omgeving van de [adres] wegreed en deze Mini op de naam van de partner van [verdachte] stond geregistreerd;
(iii) de gebruikersnaam van SkyECCaccount [account 1] is ‘ [gebruikersnaam] ’, terwijl er in de woning van [verdachte] op het nachtkastje naast zijn bed een telefoon is aangetroffen met daarin een Telegramaccount gekoppeld aan de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’.
Gelet op het voorgaande wordt het verweer van de raadsman, dat [verdachte] niet als gebruiker van SkyECCaccount [account 1] kan worden geïdentificeerd, verworpen.
Verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak
De rechtbank wijst af het verzoek tot aanhouding van de behandeling van de zaak om aanvullend onderzoek te verrichten naar de mogelijkheid dat andere personen dan [verdachte] gebruik hebben gemaakt van SkyECCaccount [account 1] . Niet is gebleken van concrete aanwijzingen waaruit zou volgen dat het SkyECCaccount mogelijk door meerdere personen is gebruikt. Dat maakt dat de rechtbank het doen van nader onderzoek niet noodzakelijk acht.
Signal-account [account 2]
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode als enige het Signalaccount [account 2] in gebruik heeft gehad. In de telefoon, die in de woning van [medeverdachte] onder een binnenzool in een schoen, is aangetroffen is een contactpersoon onder de naam ‘ [account 2] ’ aangetroffen. In die telefoon is een Signalgesprek tussen [account 5] ( [medeverdachte] ) en [account 2] ( [verdachte] ) gevonden waarin zij schrijven over “ [naam 1] ” en “ [naam 2] ”. Dit zijn dezelfde benamingen die door SkyECCaccount [account 6] ( [medeverdachte] ) en SkyECCaccount [account 1] ( [verdachte] ) in een SkyECCgesprek zijn gebruikt. Het gebruik van deze woorden is dusdanig specifiek dat de rechtbank daaruit afleidt dat de gebruiker van het SkyECCaccount [account 1] en Signalaccount [account 2] één en dezelfde persoon is. Dat er twee jaar tussen het Signalgesprek en het SkyECCgesprek heeft gezeten, doet aan voorgaande conclusie niet af.
Signalaccount [account 3] en [account 4]
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode als enige het Signalaccount [account 3] en [account 4] in gebruik heeft gehad. De telefoon, met daarin voornoemde accounts, is in de woning van [verdachte] , op het nachtkastje naast zijn bed, aangetroffen. Ook is in deze telefoon het Telegramaccount met gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’ aangetroffen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de gebruiker van het SkyECCaccount [account 1] , Signalaccount [account 3] en [account 4] één en dezelfde persoon is.
4.3.5.
De identificatie van gebruiker SkyECCaccount [account 6] en Signalaccount [account 5]
Op basis van het vonnis dat op 28 juni 2024 is gewezen in de zaak tegen [medeverdachte] stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte] de gebruiker van SkyECCaccount [account 6] en Signalaccount [account 5] is geweest.
Voor de leesbaarheid van dit vonnis worden [account 6] en [account 5] hierna aangeduid als [medeverdachte] en [account 1] , [account 2] , [account 3] en [account 4] als [verdachte] .
4.3.6.
Gewoontewitwassen (feit 1)
BewijsoverwegingOm tot een bewezenverklaring van witwassen te komen moet wettig en overtuigend komen vast te staan dat de op de tenlastelegging genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn, dat [verdachte] dit wist of redelijkerwijs moest vermoeden, en dat hij die geldbedragen heeft verworven, heeft overgedragen en/of voorhanden heeft gehad.
De geldoverdrachtenValutaDe rechtbank gaat ervan uit dat het telkens gaat om de valuta ‘euro’, tenzij anders is weergegeven in een specifieke chat.
Geldbedragen van € 18.663.215,- en € 41.579.581,-
De rechtbank stelt vast dat uit de SkyECCchats tussen [verdachte] en [medeverdachte] volgt dat [verdachte] betrokken is geweest bij de geldtransacties van in totaal € 18.663.215,- aan uitbetalingen en € 41.579.581,- aan ontvangsten. In deze chats wordt [verdachte] door [medeverdachte] aangestuurd om een geldbedrag te tellen, klaar te zetten, over te dragen, op te halen of een derde persoon aan te sturen die het geldbedrag moet overdragen dan wel ophalen. Dat de transacties daadwerkelijk zijn uitgevoerd, volgt uit voornoemde chats en uit de SkyECCchats tussen [medeverdachte] en [naam 3] , waarin [medeverdachte] rapporteert welke geldtransacties er zijn gedaan, welke tokens hiervoor zijn gebruikt, welke commissies zijn ingehouden en wat de kasbalansen zijn.
Geldbedrag van € 445.000,-
De rechtbank stelt ook vast dat uit de WhatsAppchats tussen [verdachte] en [naam 4] volgt dat [verdachte] betrokken is geweest bij de geldtransactie van € 445.000,- aan uitbetaling. Uit deze chats blijkt dat [verdachte] aan [naam 4] de opdracht heeft gegeven om dit geldbedrag, omgewisseld naar de valuta AED, uit te betalen in Dubai aan een persoon genaamd ‘ [naam 5] ’. [verdachte] heeft ervoor gezorgd dat [naam 4] in contact komt met de persoon in Dubai. Dat de geldtransactie daadwerkelijk is uitgevoerd, volgt uit de chat tussen [verdachte] en [naam 4] . Hierin communiceert [naam 4] dat hij op de locatie is en wacht op de man. Na ongeveer tien minuten stuurt [naam 4] ‘done’. Vervolgens geeft [verdachte] aan dat [naam 4] het goed moet controleren.
WitwasvermoedenOp basis van het dossier kan geen specifiek misdrijf worden vastgesteld waaruit de geldbedragen afkomstig zouden kunnen zijn. Ook als niet een concreet misdrijf aan te wijzen valt, kan onder omstandigheden worden bewezen dat in dit geval de geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Er moet dan sprake zijn van een witwasvermoeden op basis van de feiten en omstandigheden. Als dat vermoeden er is, is het aan verdachte om een verklaring te geven over de legale herkomst van de geldbedragen. Die verklaring moet concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Als de verklaring van verdachte daaraan voldoet, is het Openbaar Ministerie aan zet om nader onderzoek naar de herkomst van de geldbedragen te doen.
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen naar voren komt. Allereerst geldt dat uit de chats kan worden afgeleid dat het ging om veel geldtransacties van aanzienlijke geldbedragen. Deze geldbedragen zijn op straat overgedragen nadat via de chat een token was afgegeven. De berichten hierover zijn onder andere met PGPtelefoons verstuurd. Het is een feit van algemene bekendheid dat PGPtelefoons vrijwel uitsluitend worden gebruikt in het criminele milieu om het afvangen van informatie door opsporingsdiensten te ontlopen. [medeverdachte] en [verdachte] maakten gebruik van deze telefoons, waarmee zij met elkaar en met andere PGPgebruikers in versluierd taalgebruik communiceerden over de geldtransacties. Daarbij werden enkel gebruikersnamen genoemd. Uit de chatberichten volgt dat de geldbedragen fysiek werden vervoerd. Het vervoeren van dergelijke grote geldbedragen is een ongebruikelijke wijze om legale geldstromen te laten verlopen en brengt een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich mee. Het op de openbare weg en anoniem overdragen van dit soort geldbedragen is een aanwijzing dat er sprake is van geldbedragen die geen legale herkomst hebben. Verder blijkt uit een analyse van SkyECCchats en Signalchats dat [verdachte] vermoedelijk bij drugshandel is betrokken. Zo bevat het dossier chatgesprekken tussen [medeverdachte] en [verdachte] waarin onder andere wordt gesproken over een testcontainer, cocaïne, uithalen en blokken. Ook zijn er chatgesprekken waaruit volgt dat [verdachte] en [medeverdachte] vermoedelijk een eigen drugslijn aan het opzetten zijn. Tevens blijkt uit de Signalchats dat [verdachte] zich vermoedelijk met drugshandel bezighoudt, aangezien er wordt gesproken over de prijzen van drugs en er foto’s van vermoedelijk drugs worden gestuurd. Deze omstandigheden rechtvaardigen een stevig vermoeden van witwassen. Daarom mag van [verdachte] worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van de geldbedragen.
Verklaring van [verdachte][verdachte] heeft geen verklaring gegeven over de legale herkomst van de geldbedragen.
Het oordeel van de rechtbankBij deze stand van zaken concludeert de rechtbank dat een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, nu het witwasvermoeden niet door [verdachte] is weerlegd. Onder bovenvermelde omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat [verdachte] ook wist dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank acht in het licht van het voorgaande bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen.
Door de raadsman is betoogd dat de feiten en omstandigheden tot de conclusie kunnen leiden dat sprake is geweest van ondergronds bankieren. Dit standpunt is bij monde van de raadsman naar voren gebracht, niet bevestigd door [verdachte] en niet nader onderbouwd. Hoewel sommige witwastypologieën ook kunnen passen bij ondergronds bankieren schuift de rechtbank, gelet op het voorgaande, deze enkele door de raadsman gedane suggestie terzijde. Bovendien bevat het dossier geen aanknopingspunten voor ondergronds bankieren en is [verdachte] vermoedelijk ook bij drugshandel betrokken.
MedeplegenDe rechtbank is van oordeel dat medeplegen kan worden bewezen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat bij de planning en uitvoering van de geldtransacties steeds sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte] en andere SkyECCgebruikers of Signalgebruikers. [verdachte] had daarbij een uitvoerende en later ook een meer sturende rol die zodanig substantieel was dat sprake is geweest van medeplegen.
GewoontewitwassenHet witwassen had een zodanige omvang en continuïteit dat naar het oordeel van de rechtbank ook bewezen kan worden dat [verdachte] van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
4.3.7.
Vrijspraak van heling (feit 2)
De rechtbank acht niet bewezen wat onder 2 is ten laste gelegd, zodat [verdachte] daarvan zal worden vrijgesproken.
Uit het dossier blijkt dat in de achtertuin van [verdachte] en bij de garage [garage] motoren zijn aangetroffen. Vaststaat dat een aantal van deze motoren en onderdelen daarvan zijn gestolen. Ook blijkt uit het dossier dat [verdachte] aan de garage kan worden gekoppeld en dat hij beschikking over de motoren heeft gehad. Echter, uit het dossier volgt niet op welk moment en onder welke omstandigheden [verdachte] deze motoren en onderdelen zou hebben verworven of voorhanden zou hebben gekregen, hetgeen voor de beoordeling van zowel de wetenschap (opzetheling) als het vermoeden (schuldheling) van belang is. De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat [verdachte] op enig moment wist, dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat deze motoren en onderdelen daarvan van misdrijf afkomstig waren.
5.De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
1. in de periode van 1 september 2020 tot en met 8 juli 2022 in Nederland, en/of te Dubai, tezamen en in vereniging met anderen, voorwerpen, te weten:
- geldbedragen van EUR 18.663.215,- (te weten het totaal aan ontvangen / overgedragen geldbedragen)
- geldbedragen van EUR 41.579.581,- (te weten het totaal aan uitbetaalde geldbedragen)
- geldbedrag van EUR 445.000,- (te weten een uitbetaald / overgedragen geldbedrag)
verworven en/of voorhanden en/of overgedragen heeft, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededaders wisten dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6.De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7.De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8.De motivering van de straf
8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht om een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten[verdachte] heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van ruim 41 miljoen euro. [verdachte] heeft hierbij voornamelijk een uitvoerende rol gehad, terwijl [medeverdachte] een coördinerende en sturende rol heeft gehad. In dit opzicht verschilt de rol van [verdachte] met die van [medeverdachte] , maar dit verschil is niet dusdanig groot dat de rechtbank hierin aanleiding ziet om een lagere straf aan [verdachte] op te leggen. Wel weegt de rechtbank mee dat het bedrag dat door [medeverdachte] is witgewassen aanzienlijk hoger is dan het bedrag dat door [verdachte] is witgewassen. Dit zal tot uitdrukking komen in de op te leggen straffen. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan, ook vanwege de corrumperende invloed ervan op het reguliere handelsverkeer, en is daarmee ondermijnend en een bedreiging voor de samenleving.
[verdachte] heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor het feit. Hij heeft vragen niet willen beantwoorden.
De persoon van verdachteUit het uittreksel van de justitiële documentatie (het strafblad) van [verdachte] van 22 januari 2024 blijkt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De strafoplegging
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en de hoogte van de witgewassen geldbedragen, niet kan worden volstaan met een andere straf dan een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Rekening houdend met de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 42 maanden passend en geboden.
De voorlopige hechtenis
Op de zitting van 18 januari 2024 is de voorlopige hechtenis van [verdachte] geschorst met ingang van 19 januari 2024. De officier van justitie heeft gevorderd dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven. De raadsman heeft verzocht deze vordering af te wijzen.
De rechtbank wijst de vordering af en zal de schorsing van de voorlopige hechtenis laten voortduren. Met het onderhavige vonnis zijn de ernstige bezwaren gegeven en ook de aan de voorlopige hechtenis ten grondslag liggende recidivegrond is onverkort van toepassing. De rechtbank is van oordeel dat de persoonlijke belangen van [verdachte] bij schorsing van de voorlopige hechtenis ook nu nog zwaarder wegen dan het strafvorderlijk belang dat hij onmiddellijk weer vast komt te zitten. Gedurende de periode dat de voorlopige hechtenis van [verdachte] was geschorst, is niet gebleken dat [verdachte] zich opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit. De rechtbank is van oordeel dat de reeds bestaande schorsingsvoorwaarden het recidivegevaar tot aanvaardbare proporties kunnen terugbrengen. Derhalve ziet de rechtbank geen aanleiding tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
9.Het beslag
Onder verdachte zijn de voorwerpen in beslag genomen zoals vermeld op de beslaglijst in bijlage IIIdie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Teruggave aan verdachteHet in beslag genomen en niet teruggegeven horloge (nummer 3 op de beslaglijst) moet aan verdachte worden teruggegeven, omdat niet kan worden vastgesteld dat dit horloge in enig verband staat tot het bewezenverklaarde en het ongecontroleerde bezit daarvan niet in strijd is met het algemeen belang.
Bewaring ten behoeve van rechthebbende
De in beslag genomen en niet teruggegeven motorfietsen en wiel (nummers 6 tot en met 21 op de beslaglijst) moeten worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
10.De toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 63, 420bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
11.De beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan 42 (tweeënveertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 vanPro het Wetboek van Strafvordering.