De rechtbank Amsterdam heeft op 18 juni 2024 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke maatregel Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ). De veroordeelde, geboren in 2006, was bij vonnis van 23 december 2022 veroordeeld tot deze maatregel, die voorwaardelijk werd opgelegd met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden.
Tijdens de proeftijd bleek dat de veroordeelde zich onvoldoende hield aan de gestelde bijzondere voorwaarden, ondanks meerdere kansen en intensieve begeleiding vanuit verschillende instanties zoals de William Schrikker Stichting en Jongeren Die het Kunnen. De veroordeelde gaf aan dat het ontbreken van een eigen woonplek een belemmering was voor het nakomen van behandelafspraken, maar de rechtbank constateerde dat hij gedurende anderhalf jaar wel een stabiele woonplek had.
De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde onvoldoende zelfinzicht toont, de verantwoordelijkheid voor het niet naleven van voorwaarden buiten zichzelf legt en dat het ambulante kader onvoldoende is om hem de benodigde sturing en begeleiding te bieden. Gezien het recidiverisico en nieuwe veroordelingen acht de rechtbank het noodzakelijk de maatregel onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen, zodat de veroordeelde daadwerkelijk aan behandeling kan toekomen in een instelling met duidelijke kaders.
De rechtbank gelastte daarom de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel en bepaalde dat de reeds ondergane vrijheidsbeneming in mindering wordt gebracht op de uitvoering van de maatregel.